dinsdag 29 december 2009

Martha Jane Settler

De afgelopen dagen was Marthe hier, momenteel onze grootste kans op een beroemdheid in onze vriendenkring. Wij kenden haar al van voor ze naar het Conservatorium in Den Haag ging, verloren haar wat uit het oog tijdens haar jaren als 'Crazy Jane' - frontvrouw van de rockband Clayborn uit Rotterdam (wereldberoemd in bepaalde kring, redelijk onbekend bij het grote publiek denk ik) en kregen vorig jaar ineens weer contact.

Zij was juist bezig met een soort soloproject, waarbij ze elke ochtend een foto nam van zichzelf en een idee schreef voor een liedje. Uiteindelijk ontstonden er 10 nummers, die allemaal over de ochtend gaan.
Net toen ze in een soort impasse zat: want wat moest ze met die nummers doen? belde Henk haar op, omdat hij aan haar dacht voor een audioproject (Henk geeft les in geluids- en opnametechniek en werkt graag projectmatig met ‘echte muzikanten’ - zijn even omstreden als bejubelde manier van lesgeven - om de leerlingen in de praktijk echt te leren werken.)

Eigenlijk kan Marthe dit verhaal zelf veel beter vertellen.

Het liep nogal uit de hand. Het werd gewoon té goed: een geweldig project, waar een groot aantal hele goede muzikanten aan hebben meegewerkt en waar elke vrije minuut van Henk in is gaan zitten met als resultaat een prachtige cd: 365 mornings. Bij de cd hoort een documentaire (een multi media diary), die nog afgemonteerd moest worden.
En dat deden we dus de afgelopen dagen. Nouja, wij. Henk en Marthe dus. (Maar ik bemoei me altijd graag overal mee.)
Onze woonkamer was omgebouwd tot montagestudio, het was leuk (de documentaire is te gek!) er was drank, er waren sigaretten en het werd (héél) laat.


Martha Jane Settler. Onthoud die naam.

Detail: het auryn van The Neverending Story bleek geatoeëerd op haar rug. Nah.
Net nu we hier zo in de ban zijn van die film! Bo en Merlijn waren in totale verwarring en vervoering.









En dit is ook nog zo’n mooi liedje. Klik.

zondag 27 december 2009

Nooit eindigend verhaal

In 1984 ging ik met mijn vader, zijn vrouw en mijn halfzusje een dagje naar Amsterdam.
Beter zeg ik: met mijn ‘oom en tante’ en hun dochter T. – want van bovengenoemde cruciale bloedverwantschap was ik destijds nog niet op de hoogte.
Enfin en hoe dan ook, het was een geweldige dag.
Zo’n dag met een gouden randje.

Ik vond Amsterdam fantastisch, de zon scheen en alles wat we deden staat in mijn geheugen gegrift.
Eerst gingen we naar het Rijksmuseum. Daarna naar de McDonalds. Waar ik – in tegenstelling tot T. die de hele ochtend had lopen stuiteren van opwinding: ‘we gaan naar de Mác. Dónalds!’ (extra grappig nu ik bedenk dat T. tegenwoordig de meest verstokte vegetariër is die ik ken) - nog nooit van gehoord had (in het Noorden hadden we alleen de Wimpy) en mijn eerste 6 stukjes mcNuggetskip van mijn leven at.

Na het bezoek aan McDonalds gingen we naar de Bijenkorf en daarna naar de bioscoop, voor The Neverending Story.
(Het Rijksmuseum, de Macdonalds en The Neverending Story horen sindsdien in mijn beleving onafscheidelijk bij elkaar. Maar dit terzijde.)

Die film dus hè, die maakte zo’n indruk op me, zelden heb ik zo gehuild in de bioscoop als toen. Toen dat paard in het moeras verdronk!
Een paar jaar geleden zag ik ergens in een winkel de DVD liggen en kocht hem. Met het plan om als Bo en Merlijn oud genoeg waren (een jaar of 11, 12?) de film met hen te gaan kijken. En te hopen dat ze dan net zo onder de indruk zouden zijn als ik destijds.

We keken de film vanmiddag. Een beetje eerder dan ik in mijn hoofd had, inderdaad. Maar ach: Bo is bijna 8. En 8 is toch het nieuwe 11?
In elk geval is ze oud genoeg om de ondertiteling te kunnen lezen.
Voor Merlijn vertaalden we het af en toe, maar hij bleek ook prima in staat het verhaal te volgen. Dat dan ook niet al te ingewikkeld is. Even tot het concept doordringen dat een wereld vernietigd kan worden door 'het Niets' en de rest komt vanzelf.

Het was magisch. Ik vond de film 25 jaar na dato nog steeds leuk. De teleurstelling die ik zo half en half verwacht had bleef uit; Bo was volledig in extase en in volledige aanbidding van hoofdpersoon Atreyu (‘hij is zo knap hè mam’ – 8 is het nieuwe 11), Merlijn zat stijf tegen Henk aan, (die matching kerstbrunch-outfits!!!) en kroop af en toe onder zijn vaders arm als het te eng werd.
We zaten er helemaal in.
En we waren alle vier helemaal week, na afloop.

‘Ik wou dat ik even dat jongetje kon zijn,’ fluisterde Merlijn.
‘Ik wil ook zo’n boek,’ zuchtte Bo. ‘Met een harde kaft.’

'Kajagoogoo,' zei ik.




donderdag 24 december 2009

Van de kerstkaart

Wij hebben ons er dit jaar makkelijk vanaf gemaakt. Op kerstkaart-gebied.
Kijk, ik wil best kerstkaarten sturen, maar niet zomaar. Niet zo'n kaartje uit de winkel met een kerstzegel en onze namen erop. Dat vind ik zo'n nutteloze oudpapier-opleverende geldverslindende actie! Nee, een goede kerstkaart bevat liefst een persoonlijke tekst en is op zijn minst zelfgemaakt. Wij verwerkten er dan ook altijd nog graag een foto van het kroost in, opdat alle verre kennissen, oud-buren en tantes en omes konden constateren dat onze kinderen weer een jaartje groter waren gegroeid. (Het twee-vliegen-in-één-klapprincipe.)

Vorig jaar had ik er ineens geen zin in. Kerstkaarten-schmerstkaarten, dacht ik. En riep onverschrokken tegen iedereen: 'Wij doen niet meer aan kerstkaarten.'
Een bravoure die overigens langzaam wegsmolt, met elke envelop die hier op de mat viel. Want zo gaat dat hè. Dan kun jij wel besluiten geen kaarten te sturen, maar vrienden en kennissen trekken zich daar niets van aan, en blijven jou wel gewoon bestoken met de beste wensen.
Dus u begrijpt: mijn kerstperiode stond vorig jaar bol van het schuldgevoel. Als ik de postbode zag komen werd ik al chagrijning. Telkens opnieuw hetzelfde liedje. 'Oh, kijk, een kaart van Klaas en Marijke!' Om vervolgens te moeten vechten tegen de neiging Klaas en Marijke/Bert en Wilma/tante Tineke/familie Donkersloot toch maar snel nog een (gekocht) kerstkaartje terug te sturen.

Met deze ellende nog vers in het geheugen besloot ik dat het er dit jaar maar weer van moest komen. Dus ik prutste in een verloren kwartiertje even een photoshopwerkje in elkaar, met als basis de enige foto die ik zo gauw kon vinden waar ze alle drie op staan.
Het werd niks.
Bedroevend. Het fotoconcept, inmiddels natuurlijk enorm afgezaagd, maar ook het resultaat: ik bleef gewoon drie kinderen op de boot naar Schiermonnikoog zien, hoe goed ik de boot in kwestie ook had weggepoetst.
Dus het bleef erbij. Ik stuurde de foto niet digitaal naar de Hema om 100 keer te laten afdrukken, ik kocht geen kerstzegels, ik printte geen adresstickers. Ik deed niets. Tot een paar dagen geleden de schrik me om het hart sloeg: Halleluja, aanstaande vrijdag ís het al Kérst!

En weet u wat ik toen deed? In een vlaag van verstandsverbijstering? Ik nam mijn toevlucht tot het ultieme zwaktebod en verzond de afgekeurde kaart. Per email.
Ja, das erg hè. En zo mogelijk nog tenenkrommender is wat ik ter verantwoording schreef in de onderwerpregel: 'Volgend jaar weer een echt kerstkaartje.'
Ieuw! (Nog los van dat ik weer eens een belofte heb waar te maken.)

Goed.
Gedane zaken nemen geen keer.
En lekker makkelijk was het wel. En goedkoop bovendien.

Ik zeg: Prettige kerstdagen!




Oja, das dan misschien nog wel even leuk: een klein overzichtje van onze kerstkaarten door de jaren heen. Van respectievelijk Kerst 2004, 2005 en 2007. (Ziet u het subtiele vraagtekentje op mijn buik op de kaart van 2007?)




dinsdag 22 december 2009

Het mysterie van de verdwenen foto's

Ik dacht: even een logje wijden aan het bezoek van de Santenkraam. Want dat was toch wel het hoogtepunt van de dag. Maar het is ongelofelijk: de groepsfoto's die we maakten met het Glazen Huis op de achtergrond, zijn verdwenen! Ik heb ze nog gezien, op de iphone van Henk, en ik weet dus dat ze heel leuk waren, maar tijdens het uploaden crashte de computer......weg zijn ze, foetsie!
(Sorry Sanneke! Jij hebt ze niet ook toevallig hè, op jouw camera? Zijn jullie trouwens al weer veilig thuis?)

U zult het dus moeten doen met de tekening van Bo:



En met een tweetal foto's in onze keuken (waar we warme chocolademelk met slagroom dronken) :



Edit 23-12: O, kijk, deze vond ik ook nog:
Jip, Sanneke en Henk, met op de slee Loïs, in een u inmiddels bekende houding.

maandag 21 december 2009

Meer van hetzelfde



Het sneeuwt, het heeft net gesneeuwd of het gaat zo sneeuwen. En wij doen sneeuwdingen. En kerstige vakantiedingen. Zo wandelden/sleeden we al in het bos, dronken we op verschillende locaties glühwein, plaatsten we een kerstboom op ons plein, probeerden we tevergeefs nog ergens moonboots te scoren, kocht ik een when in Russia, do as the russians do-(nep)bontmuts en liepen we al vier maal op en neer naar het Glazen Huis. De eerste keer omdat we dat zelf leuk vonden, de andere keren om Anna-Maria een plezier te doen. (De arme schat. Het wordt haar bijna te veel, Gerard Ekdom zes dagen lang zo dichtbij; binnen handbereik en toch ook weer niet, want achter glas.)



O. ehm. Ja. Octaview, mocht je dit zien, die muts lijkt inderdaad nogal op eh..jouw muts. Is nagemaakt. Namelijk. Door mijn moeder. Voor Anna-Maria. Mijn buurmeisje. En ik wil er niets mee te maken hebben.

Gisteravond keken we naar een film op Canvas over een illegale abortus in Roemenië, (hoewel dat dan net weer iets minder kerstig was) en vanmorgen in bed las ik 'De Vrouw die met Vuur speelde' eindelijk uit. Dat ik me er echt bij verveeld heb kan ik niet zeggen, maar ik vind het ook wel weer even goed nu met dat literaire thriller-genre; het derde deel van de Millennium trilogie hoef ik niet, dank u.

Voor vandaag leek het me een goed idee om gezamenlijk met Loïs op de slee naar de Al.bert H.eijn te gaan omdat de Prosecco er in de bonus is. En dan dus niet naar de Al.bert H.eijn hier vlakbij, maar naar die verre. Avonturier die ik daar ben. We vertrokken om elf uur en waren om half drie pas weer thuis, met een Loïs in hibernation state. Tsja.

donderdag 17 december 2009

De Hel van 63 was er niets bij

Een barre tocht, dat was het!
Maar omdat het om de een of andere reden (te veel tegenstrijdigheden? slaaptekort?) niet lukt er een consistent ende samenhangend verslag van te schrijven, geef ik u gewoon even de feiten en bijbehorende overpeinzingen op een rijtje.

- Ik zat vannacht tot redelijk laat in de kroeg om te drinken op een geslaagde Kerstmusical.
- Om kwart voor zeven vanmorgen stond Henk naast mijn bed met een kop koffie en de woorden: ‘Ik ga nu naar de trein, ben je wakker? En. Oja. Er ligt sneeuw. Veel.’
- Kwart voor zeven voelt soms écht als midden in de nacht.
- Met mijn halfslapende hoofd dacht ik koortsachtig na wat ik de kinderen allemaal aan zou kunnen laten trekken: waar bewaarde ik eigenlijk de handschoenen? De mutsen? Hadden ze eigenlijk nog snowboots? En zouden die nog passen?
- Gelukkig had ik van de buurvrouw een skipak gekregen voor Loïs, afgelopen zomer.
- Gelukkig had de buurvrouw gisteravond nog even gebeld om mij daaraan te herinneren.
- (Mensen om je heen verzamelen die het leuk vinden om je te helpen bij het dagelijks leven, is ook een vorm van zelfredzaamheid.)
- Ik stond om kwart voor acht buiten.
- Met 3 kinderen in vol ornaat.
- Door 30 centimeter sneeuw ploegen met de fiets leek me niet zo'n goed idee, dus gingen we lopen.
- We namen de slee mee voor Loïs.
- De school van Merlijn bleek nog dicht toen we er aankwamen; we waren te vroeg.
- Dat is nog nooit eerder gebeurd.
- Dat zal ook nooit meer gebeuren.
- We ploeterden verder door de sneeuw naar de school van Bo.
- Bo vond het erg leuk in de sneeuw.
- Merlijn vond het erg leuk in de sneeuw.
- Loïs vond het erg leuk in de sneeuw.
- We zijn Loïs onderweg vierentwintig keer verloren.
- Loïs vond het erg leuk in de sneeuw.
- De school van Bo ging net open: we waren de eersten.
- Dat is nog nooit gebeurd.
- Dat zal ook nooit meer gebeuren.
- We liepen terug naar de school van Merlijn waar ik de conciërge de slappe lach bezorgde, door op zijn vraag: ‘Mooie slee, maar waar is het rendier?’ te antwoorden: ‘Ik ben het rendier.’
- Dat was eigenlijk helemaal niet zo grappig, maar dat vond de conciërge dus wel.
- Nadat we Merlijn naar zijn klas hadden gebracht gingen we naar huis.
- Loïs wou niet meer op de slee.
- Voor vanmiddag, als we de kinderen weer moeten ophalen, zal ik dus iets moeten verzinnen met een touw.




Edit 17:06. Niks touw, ik kreeg een veel beter plan! Ik knoopte een fietsstoeltje, dat toch maar in de schuur op een plank stond, op de slee! En was weer eens zo blij met mezelf.

zondag 13 december 2009

Liefde = wiskunde


Terwijl het voor ons nog steeds voelt alsof Loïs er nog maar net is, kunnen Bo en Merlijn zich al bijna niet meer herinneren dat ze er ooit niet was.
Het pre-Loïstijdperk is voor hen alleen nog op te roepen aan de hand van dingen die we deden.
‘Weten jullie nog dat we in Denemarken waren/naar die hele grote speeltuin zijn geweest met die waterglijbaan/gevallen zijn met de fiets midden op het kruispunt?’
‘Ja.’
‘Nou, toen was Loïs er nog niet.’
‘Huh? Echt niet?’
‘Nee.’
‘O.’

Ze vinden het de gewoonste zaak van de wereld: ze zijn gewoon met z’n drieën. Met hun eigen regels en onderlinge verhoudingen. Ja, ze zijn niet alleen onze kinderen, ze zijn ook broer(tje), zus en zusje. Dat ben ik me eigenlijk pas echt gaan realiseren sinds Loïs er is.
Misschien omdat het nu, met drie kinderen, pas echt opvalt. Omdat er nu, met drie kinderen, ineens veel meer familiebanden zijn.

Immers, met de toename van het aantal gezinsleden groeit het aantal relaties binnen zo’n gezin meer dan evenredig, volgens de formule:

Y = 0,5X(X-1)

Waarbij X dan staat voor het aantal personen waaruit het gezin bestaat en Y voor het aantal intermenselijke relaties dat deze gezinssamenstelling oplevert.

Henk en ik hadden samen (logischerwijs) één relatie, toen we Bo kregen hadden we plotsklaps te maken met drie relaties – immers van Henk met mij, van mij met Bo en van Bo met Henk.
De komst van Merlijn verdubbelde dat aantal tot zes, en met de geboorte van Lois werd ons gezin niet alleen uitgebreid met een vijfde lid, maar ook ontstonden er nog eens in één klap vier nieuwe relaties!
Door ons huis lopen nu dus 10 denkbeeldige draden.
(Dat lijkt misschien al veel, maar het kan natuurlijk nog vele malen gekker: mijn schoonmoeder komt uit een gezin met 12 kinderen, daar liepen dus maar liefst 91 draden! Een compleet spinnenweb, je zou er verstrikt in raken.)

Wat dat betreft was het bij mij thuis maar saai, vroeger. Ik ben opgegroeid als enig kind, in een statische driehoek, zogezegd. En ik was altijd enorm jaloers op de dynamiek die ik voelde bij vriendinnetjes thuis met grote(re) gezinnen.

Maar wie schetst mijn verbazing: die dynamiek, die gezelligheid, die is hier nu gewoon aan de hand! En ik mag dan zelf nog steeds geen grote broer hebben, ik heb wel een kind dat een grote broer is! Ha!
Loïs heeft voor Merlijn inmiddels een gezonde heldenverering opgevat. Als ik naar hem kijk zie ik meestal gewoon mijn zoontje, mijn eigenwijze flapdrol, een 6-jarig mannetje dat zich liever verkleedt als Spiderman dan dat hij leert lezen en schrijven, maar soms zie ik hem in een flits even door haar ogen: een stoere, sterke, grote broer, die alles kan, die gekke spelletjes met haar speelt en die zijn auto’s om haar heen laat racen tot ze zo slap van het lachen is dat ze niet meer kan opstaan.
Bo is haar lieve grote zus, bij wie ze zich veilig voelt en op schoot kruipt om samen televisie te kijken of filmpjes op de computer.

Wat probeer ik eigenlijk te zeggen met dit pseudo-wetenschappelijk geneuzel? Haha, niks. Gewoon, dat ik er zo van geniet. (Ja, nee, tuurlijk, heus niet altijd. Achter het behang ken ik ook.) En dat ik er zo blij mee ben. Met dit gezin.



(Met dank aan buurman G. die me heeft geholpen met het in wiskundige formule gieten van mijn hersenspinsel. Thanks G! Enne... ik vond de halve parabool echt héél mooi!)

zaterdag 12 december 2009

Ik ben fan

Het plan was om naar The Deer Hunter te gaan kijken (met een prachtige, jonge Christopher Walken) omdat dat ooit de eerste film was die Henk en ik samen zagen (hij voor de tiende keer destijds, ik voor het eerst), maar omdat ik ineens voorzag dat ik het geen drie-en-een-half uur zou volhouden zonder door de slaap te worden ingehaald, besloten we de film op te nemen (voor een keer in de Kerstvakantie ofzo) en maar gewoon ehm, naar Popstars te kijken.
Bad choice. Mén, wat een oninspirerende toestand. Na de zoveelste Idols en X-factor, alleen maar meer van hetzelfde. En sommige deelnemers kunnen heel aardig zingen hoor, maar who cares?
Dus toen het afgelopen was knalde ik de tv uit en mijn laptop open, om nog even de foto’s te bekijken die ik die middag had gemaakt van ons slapende kleine meisje. Waardoor ik ineens aan dat nummer van de Pretenders moest denken. En aangezien ik achter mijn mac gezeten denk met mijn vingertoppen, schalde binnen luttele seconden Chrissy Hynde door de kamer. Mooi. Daarna klikte ik een filmpje aan van een andere zangeres die hetzelfde liedje zong.

Beng!
Kippenvel!

Ik heb echt als bevroren, met open mond, zitten luisteren. Wát een stem.
Sia. Ik had wel eens vaag van haar gehoord, (het nummer Breathe Me is van haar) maar dat ze zo fantastisch is, was me volledig ontgaan. Tot nu toe. Dus na nog een uur te hebben gegrasduind door alles wat er op inernet over haar te vinden is (ze heeft zelfs een blog! En twitter! :)) ging ik toch nog voldaan naar bed. Ik ben fan. Wat een persoonlijkheid, wat een leuk, gek mens. En wat een adembenemend mooie versie van een prachtig nummer:
(Helemaal tot het eind kijken hoor, en niet alleen omdat het eind zo onverwacht grappig is.)



Nog niet overtuigd? Klik



Oja en van deze, van deze ben ik ook fan:



donderdag 10 december 2009

Koud hè?!

Ik voelde me niet helemaal lekker gisteren. Ik had een beetje hoofdpijn en was een beetje misselijk. Maar voornamelijk had ik het heel erg koud. Zo koud, dat ik op een bepaald moment als vanzelf naar de thermostaat liep. Alwaar ik constateerde dat de verwarming het niet deed. Want als ik de thermostaat hoger zette, verscheen er geen vlammetje in het beeldscherm en dat gebeurde anders altijd wel. Wist ik. Dacht ik.
Ter controle voelde ik aan de dichtsbijzijnde radiator en inderdaad: koud. Paniek maakte zich van mij meester. Ja hoor! Voel ik me een keer niet lekker, is de verwarming kapot! Heb ik weer!
Dus ik belde onmiddellijk met het verwarmingsbedrijf, waarvan hier vorige week nog een servicemonteur was geweest voor de jaarlijkse onderhoudsbeurt. Of er wel zo snel mogelijk iemand kon komen, want het was hier zo verschrikkelijk koud!
Inmiddels droeg ik twee truien over elkaar en ook Bo en Merlijn, die thuis waren in verband met de zoveelste margedag, hadden onder luid protest hun dikste truien aangetrokken. Terwijl Loïs lag te slapen in de box onder een extra wollen deken, probeerde ik mijn ingewanden op temperatuur te houden met een pot hete thee. Van tijd tot tijd blies ik demonstratief in mijn handen.

Een paar uur later, ik was bijkans bevroren, ging dan eindelijk de bel. Klappertandend deed ik open, met mijn sjaal hoog over mijn oren getrokken. (Ik had nog net geen handschoenen aan.)


‘Zo, dus u heeft hem weer aan de praat gekregen?’ vroeg de monteur. En voegde daar aan toe - waarschijnlijk omdat ik hem vrij onnozel stond aan te kijken: ‘Het is hier best lekker warm, toch?’
‘Vindt u?’ vroeg ik schaapachtig.
We liepen naar boven en samen keken we op de thermostaatklok, die aangaf dat het in de kamer 21 graden was.
Huh?
Voor de vorm (of misschien om mij verder gezichtsverlies te besparen) ging de beste man toch nog maar even de ketel inspecteren. Er kon een kleine storing zijn geweest? Ik liep achter hem aan, me op mijn allercharmantst alvast uitputtend in excuses.
Nja. De ketel deed het gewoon. Niks aan de hand.
Zo genant! Ik kreeg het er warm van.

En in die zin was het bezoek van de servicemonteur toch niet helemaal voor niets.

maandag 7 december 2009

Pebbles

Loïs had vanmorgen voor het eerst een staartje. Dat wil zeggen: voor het eerst liet ze mijn zorgvuldig aangebrachte elastiekje langer dan tien seconden zitten. En met het staartje deed ze me echt enorm aan Pebbles denken. Ik heb zelfs even met de gedachte gespeeld om een botje uit het skelet dat Merlijn van Sinterklaas heeft gekregen te slopen en dit in heur haar te knopen, alleen om even een foto te kunnen maken (u weet, ik ben daartoe in staat). Dat ik het uiteindelijk niet heb gedaan was uit angst dat ik het lijk niet op tijd weer in elkaar zou kunnen krijgen. En dan had ik weer zoveel smoezen moeten verzinnen uit moeten leggen. Wat deed ik wel? Ik nam mijn toevlucht tot photoshop. Nouja tot photostudio. (Wow, ga ik dit echt vertellen? Want het is nogal sneu maar ik bedien me nog steeds van het gratis fotobewerkingsprogrammaatje dat in een ver verleden eens werd meegeleverd met een digitale camera die zelf al jaren ter ziele is. Een tekenpalet heb ik trouwens ook niet, om de vinger maar eens op de zere plek te leggen. Want dat kreeg ík namelijk van de Sint: een echt Bamboo tekenpalet. Leuk hè? Heel leuk. Als alles in de doos had gezeten, ja. Maar in de doos zat alleen het pennetje. De mat, die was eruit. Gejat, door Jat-Piet. Of misschien dat ‘Sinterklaas’ gewoon per ongeluk de doos van het demonstratiemodel heeft gekocht, dat kan ook.)

Anyway. Sprekend Pebbles. Toch?




O, u vraagt zich af of ik me soms verveelde vandaag? Nee hoor, integendeel. Ik paste op. Op Bamm-bamm Loïs’ vriendinnetje J., Zonder knots, maar mét handtasje. Waar ze een rake klap mee kon uitdelen, zo bleek. En waar ik dan weer bij moet zeggen dat dat pas was nádat Loïs haar had proberen te onthoofden met het piratenzwaard van Merlijn.

Hoi mama van J. Als je dit toevallig leest: ik zwets maar wat in de rondte, natuurlijk. Dat begrijp je. Want het ging precies zoals ik vanmiddag al zei: zó lief gespeeld. Twee zónnetjes. Echt.

zondag 6 december 2009

Happy birthday to Novy



Mijn weblog is jarig. Het is waar: op 6 december 2008 schreef ik mijn eerste logje.
Toen was het nog spannend: zou ik een echte blogger blijken, of was ik slechts een wannabe?
173 stukjes verder (dat is gemiddeld 3,3 per week) mag ik denk ik wel zeggen dat het eerste het geval is. Ik ben verslaafd. Totaal. Verslaafd aan het schrijven, aan het telkens maar weer in verhaaltjesvorm gieten van de dagelijkse gebeurtenissen, verslaafd aan het lezen van uw commentaren.

Dus. Misschien dat u me 'en masse' even wilt feliciteren, hieronder in de reactiebox.
En dan meteen even kunt vertellen wie u bent en waarom u hier komt lezen. Lijkt me wel geinig. Gewoon, alleen vandaag. Omdat het een beetje feest is.
Mag u daarna weer terug in de anonimiteit.

woensdag 2 december 2009

Pas op: bevat spoilers

Kent u die mop van die vrouw die bij de dokter kwam?
Ze ging dood, aan kanker.

Dat was voor mij wel zo’n beetje de strekking van de film.
Kanker is stom, doodgaan aan kanker is stom.
What else is new?
Maar daar gaat de film dan ook niet over. Nouja, natuurlijk wel, óók, maar het draait vooral om het vreemdgaan van de man van die vrouw-die-bij-de-dokter-kwam. Tenminste, dat begrijp ik uit alle recensies die ik heb gelezen.
Nou zult u me allemaal wel heel amoreel vinden, maar ik vond het allemaal niet zo erg. Nee. Niet dat ik zelf zo’n man zou willen, of dat ik ook maar enig respect voor het gedrag kon opbrengen, maar ik vond het niet zo’n big deal.
Want dat vreemdgaan, dat was nou eenmaal iets wat Stijn van Diepen deed. En zijn vrouw Carmen wist dat en kon er blijkbaar mee leven. Dan moet je, als je ziek wordt, niet ineens gaan lopen zeiken, vind ik. En dat deed ze ook eigenlijk niet. Niet écht. In elk geval lang niet zo erg als enkele mensen die ik erover heb horen praten op de televisie. Mensen die zelfs gevoelens van haat hadden gekregen, jegens Barry Atsma. Nah.
Ik had daar echt geen last van hoor. Is Stijn een hufter? Neu. Een slappe zak? Ja, dat wel. Een onvolwassen manspersoon die als een klein jongetje getroost moet worden in de armen van een lekker wijf.
Het zal je vader maar wezen
.
Ja, want dat is hij ook nog hè, vader. Niet dat je daar iets van merkt, overigens. Niet dat hij wel eens wat doet met zijn dochtertje, liefdevol naar haar kijkt, of – om maar eens wat te noemen – een keer een oppas voor haar regelt.
Want daar heb ik me dus echt dood aan zitten ergeren, gedurende de hele film. (Oh, dat is niet zo’n leuke woordspeling? Oh.)
In het boek, herinner ik me, werd er nog wel eens een oppas ingeschakeld - hadden ze niet zelfs een au-pair op een bepaald moment? Nou, in de film niet hoor, niks-noppes-nada. Stijn en Carmen zijn om de haverklap weg van huis; als ze niet in het ziekenhuis zitten, dan zijn ze wel op een feestje of op vakantie... en ik me dus maar de hele tijd afvragen wat ze dan nú weer met het kind hadden gedaan.
Al was er maar één lullig shot van geweest, al hadden ze het er maar één keer over gehad. Zodat ik als kijker had kunnen invullen: Ah, ze zijn op vakantie op Bali (of waar dat tropische strand dan ook moge zijn), dan is Luna natuurlijk weer bij opa en oma/bij tante dinges/bij oppas huppeldepup.
Want dat wil je namelijk: dat de gedragingen van de personen met wie je geacht wordt je te identificeren, voldoen aan de minimale eisen van realiteit. Wat je niet wilt, is je op je bioscoopstoel plaatsvervangend zorgen zitten maken over of zo'n kind wel deugdelijk wordt opgevangen.

Toen Carmen uiteindelijk was opgegeven en nog een half jaar te leven had, stopte Stijn met werken en gingen ze samen de bloemetjes buiten zetten. Ze reisden overal naar toe, verbleven in de meest luxe hotels en deden allemaal gekke dingen (ze verkleedden zich als ridder, kochten gele schoenen met veel te hoge hakken, namen partydrugs) om nog snel wat herinneringen te maken en vooral veel foto’s. Voor Luna. Ik moest me echt inhouden om niet naar het scherm te roepen: 'Hallóóhoo, idéétje! Neem het kind mee! Doe iets met het kind! Zodat er straks in die koffer vol aandenkens aan haar moeder, ook een paar foto’s zijn te vinden waar ze zelf op staat!'

Ik zal me maar niet hardop afvragen wat dit zegt over de vadergevoelens van Reinout Oerlemans, maar het kind is hier overduidelijk het ondergeschoven kind. En dat terwijl de beste uitspraak in de film - die een nog veel sterker moment had kunnen opleveren, als er in de anderhalf uur ervóór sprake was geweest van wat meer gevoel - wel juist van haar afkomstig is: ‘Ik vind het jammer dat je doodgaat, mama.’ (Carmen: ‘Ja, dat vind ik ook heel jammer.’)


Nee.
Niet goed. Er wringt van alles. Er is geen warmte. Geen kader. Niet alleen wordt er niet over een oppas gerept, er zijn ook nauwelijks vrienden, geen broers en zussen, geen ouders. En je kunt er als regisseur natuurlijk voor kiezen die niet in beeld te brengen omdat je je volledig wilt focussen op de hoofdpersonen, maar wek dan in elk geval de indruk dat ze er wel zijn.
Dus. Nee.

Maar wel janken hè, op het eind.
Dat dan weer wel.

maandag 30 november 2009

Afknapper

Altijd als ik Keepvogel zie, moet ik aan Harm denken.
Harm (die overigens in het echt niet Harm heet) is een kennis. Een vriend van vrienden; iemand die we op verjaardagen tegenkomen. En Harm is nogal een bijzonder mens. Hij is schrijver en filosoof en - hoewel hij pas 26 is ofzo - immer gekleed in een driedelig zwart pak met een stropdas. Hij lijdt aan voortdurende weltschmerz, is tamelijk rigide in zijn opvattingen, sociaal een tikje onhandig en een grote fan van Schopenhauer én Keepvogel.
Kent u Keepvogel?
Kijk wat ie doet!



Op een dag was Harm verliefd geworden. Op een meisje. En dat meisje, dat was ook verliefd op hem. En nadat Harm natuurlijk eerst even had gevraagd of het meisje wel van Keepvogel hield – ja hoor, dat deed ze – kregen ze een relatie.
Korte tijd waren ze heel gelukkig.
Tot het moment dat ze samen weer eens naar Keepvogel keken en het meisje de tune meezong.
Ze zong: 'Keepvogel....Keepvogel....wat doet ie nou?'

Wat er precies door Harm heen moet zijn gegaan op dat moment, daar kunnen we slechts naar raden. Maar waarschijnlijk zal hij, als door een wesp gestoken, zijn opgesprongen en vol afschuw hebben uitgeroepen: 'Wat doet ie nou?! Wat doet ie nou?! Het is: KIJK WAT IE DOET!'

De eerstvolgende keer dat we Harm zagen, was hij weer alleen.
Ja, ze hadden het nog wel even geprobeerd, maar het werd niets meer.
Hij kon het niet van zich afzetten.
Keepvogel-watdoetienou. Verschrikkelijk. Wat een afknapper.

zondag 29 november 2009

BMI 13,78

We werden in de nacht van vrijdag op zaterdag wakker van Bo, die bij ons in bed kroop. Met buikpijn. En niet zo’n beetje ook, ze lag te kronkelen en te kreunen van de pijn. Alweer: vorige week gebeurde precies hetzelfde. Toen was ik in onmiddellijke staat van alertheid: Buikpijn? Wat voor buikpijn? Heeft ze een buikgriepje? Blindedarmontsteking? Maar nee, geen van beide; ze moest niet naar de wc en de pijn zat niet rechtsonder, maar in het midden, rond haar navel. De volgende ochtend was de pijn over en ik was het ook meteen weer vergeten, eerlijk gezegd.
Maar nu was het dus terug, precies hetzelfde.
Nou is Bo altijd al een buikpijn-kind geweest. Als er iets is, iets spannends, dan klaagt ze over buikpijn. Als ze ergens tegenop ziet: buikpijn. Maar dan wel altijd gewoon overdag. Dit nachtelijke ding was iets nieuws.

Nadat we hadden geprobeerd de pijn weg te masseren en wat in de weer waren geweest met een warme kruik gaf ik haar uiteindelijk een paracetamol, waarna de rust wederkeerde. Maar ik kon de slaap niet meer vatten. Deels kwam dit door Loïs, die inmiddels ook bij ons lag, en die de schattige maar irritante gewoonte heeft om in haar halfslaap voortdurend zachtjes aan mijn haar te trekken. En dat slaapt erg lekker, kan ik u vertellen. Not.
Maar ik lag ook een beetje te piekeren.
Wat was dat nou met die buikpijn?
Toch spanning? Jemig, toch niet voor Sinterklaas?
Of is er iets aan de hand op school? Is ze zenuwachtig voor haar spreekbeurt?
Hee: wat had ze eigenlijk gegeten die dag?
Ik zag weer even voor me hoe ze verveeld met haar vork had zitten prikken in haar avondeten.

De volgende ochtend vroeg ik: Zeg Bo, had jij vannacht niet gewoon hónger?'
‘Neuj.’
‘Weet je dat zeker? Eet jij eigenlijk wel genoeg?’
‘Jaha.’
Ik keek naar ons meisje in haar pyjama. Mager meisje. Dat is ze altijd geweest: lang en dun. Net als haar moeder.
Maar wat ze toen zei.
‘Ik wil niet zoveel eten want ik wil niet te dik worden.’

Mijn nekharen vlogen overeind. En die van Henk waarschijnlijk ook, want zijn stem schoot uit: ‘Dik!? Je bent vel over been! We kunnen je ribben tellen! Wie heeft je dát wijsgemaakt?’
En ik dacht: Mijn god, hebben we iets gemist? Had ik beter op moeten letten? Ze neemt de laatste tijd best vaak een volle broodtrommel mee terug naar huis....
‘Is er misschien iemand in je klas, een vriendinnetje dat zichzelf te dik vindt? ‘ vroeg Henk.
‘NEE! NIEMAND!' schreeuwde ze en rende weg, over de overloop naar haar oude kamer. ‘ALLEEN IK!’
En met een BAM was de deur dicht. Henk en ik keken elkaar in verwarring aan. Is dit onze dochter van zeven? Onze spillepoterige, sprieterige dochter van zeven? Vanwaar deze totaal overtrokken reactie? Wat is hier aan de hand? Eetstoornissen komen toch nog niet voor op zo’n jonge leeftijd? Hoop ik?
Hoe kómt ze aan die ideeën? Niet van mij: ik heb eerder omgekeerd-anorexia: ik weet heus wel dat er nu, anderhalf jaar na mijn laatste zwangerschap, nog steeds ruim vijf kilo aan overtollige vetrolletjes op mijn lichaam zit, toch zie ik in de spiegel altijd gewoon mijn eigen slanke ik. (Hmm, nu ik hier zo over nadenk: das dus net zo goed geen reëel zelfbeeld.)

Het is overigens niet zo dat ik me nu ineens grote zorgen maak, hoor. Ik ga er voorlopig maar vanuit dat het een fase is. Of misschien dat ze het ergens heeft opgepikt (televisie?) en het gewoon zegt uit effectbejag - zeer wel mogelijk ook, Bo kennende. Maar ik ben wel op mijn qui-vive. En ik ga mijn uiterste best doen om - heel subtiel en voorzichtig - deze rare gedachten zo snel mogelijk de kop in te drukken.
Te dik. Tss.
Klik.

donderdag 26 november 2009

Over Katharsis en Woezel en Pip

Je kunt je afvragen: gaat het vandaag de dag nog ergens niet over ‘Komt een vrouw bij de dokter’? Zelfs NRC Next heeft vandaag een foto van Carice-met-hoofddoek op de voorpagina gezet. (En op pagina 3 een vrij droevige recensie, maar dit terzijde.)
Ja, het is me wat: KEVBDD.
Een paar jaar geleden las ik het boek. En ik huilde mijn ogen uit mijn kassen; wie niet. Vooral bij de scène waarin hoofdpersoon Carmen afscheid neemt van haar dochtertje. Vréselijk.
En vreselijk lékker: huilen om een boek, snotteren bij een film.
'Katharsis', noemde Aristoteles dit. Het eigenlijk doel van de tragedie. Door het beleven van eleos (beklag) en phobos (angst) wordt de toeschouwer emotioneel en mentaal gereinigd, ervaart een loutering van de ziel.
Of in gewoon Nederlands: doordat je je (tijdelijk) identificeert met de hoofdpersonen van het boek/ de film/ het theaterstuk voel je het verdriet en de angst alsof het je zelf overkomt, maar je kunt er tegelijkertijd afstand van nemen - het betreft immers niet werkelijk jouw leven – en voila: een opgefriste ziel.
En dat is fijn.
Behalve als het té dichtbij komt, overigens. Als de opgewekte gevoelens te heftig zijn, dan blijft de loutering uit. Dan werkt het niet. Ik heb wel eens ergens gelezen dat iemand het boek van Kluun niet kon uitlezen. Dat ze het in een hoek heeft gemieterd, omdat het te confronterend was: niet zozeer de praktijken van de overspelige echtgenoot, maar puur het feit dat er een jonge vrouw, een moeder van een dochtertje, doodgaat. En omdat ze zelf pas moeder was geworden van een dochtertje, betrof het hier net even haar grootste angst.

Ik had er met dit boek geen last van: mijn dochter was al bijna 6 toen ik het las en blijkbaar gaf dat net genoeg afstand om het meeleven als louterend te ervaren.
Maar ik begrijp het wel: het moet ongeveer zo zijn als hoe ik me voelde toen Guusje Nederhorst overleed. Weet u dat nog? Ik had niet eens bijzonder veel met Guusje, maar het toeval wilde dat wij in dezelfde periode bevielen van een zoontje. En toen onze zoontjes allebei een half jaar oud waren ging zij dus dood. En ik kon daar met mijn pet niet bij.
Ik keek naar mijn eigen kleine mannetje en alleen al de gedáchte dat ik hem zou moeten achter laten, dat ik hem niet verder zou mogen zien opgroeien, nooit zou weten wat voor peuter, kleuter en slungelige puber hij zou worden, alleen al die gedáchte maakte me misselijk van angst.

U begrijpt: ik ga volgende week dus wel lekker een potje zitten janken in de bioscoop bij ‘Komt een vrouw bij de dokter’, maar Woezel en Pip komen er hier niet in.

woensdag 25 november 2009

De verlammende greep van het dilemma

Wellicht is het u niet eens opgevallen, maar ik heb al zes dagen niet geblogd.
Na meester Frans hield het op. Stilte.
Ik had gewoon geen inspiratie.
Dat kan hè. Het overkomt de beste.
Ja.
Okee, dat was het niet.
Ik zal eerlijk zijn, ook al vindt u me waarschijnlijk zometeen een zeurpiet: ik werd volledig in beslag genomen door de vraag of we al dan niet gehoor zouden geven aan de oproep om Loïs te laten vaccineren tegen de Mexicaanse griep. En wat vorige week nog begon als een lichte besluiteloosheid, was langzaam uitgegroeid tot een tweestrijd van formaat. Ik zat gevangen in de verlammende greep van het dilemma.

Tsja, een beetje sneu is dat wel.
Ben ik met u eens.
Ik zei dan ook meerdere malen per dag tegen mezelf: ‘Mens, neuzel niet zo, laat er gewoon zo’n spuit in jassen en get on with your life. Of besluit dat je het niet wilt en get on with your life.’
Maar dat hielp niet. Ik blééf maar zoeken op internet. Las de hele dag de meest uiteenlopende (komplot)theorieen, standpunten van voor- en tegenstanders, adviezen van artsen en wetenschappers. Daarnaast belde ik met vriendinnen (van wie overigens slechts een enkeling mijn twijfels begreep; het overgrote deel had verbazend snel en gemakkelijk besloten haar kroost vooral wel in te laten enten) en sprak ik wildvreemde mensen aan op straat om hun mening te peilen. Af en toe dacht ik dat ik eruit was, om vijf minuten later toch weer meer voor het tegenovergestelde te voelen.
Doodvermoeiend.
Ik ben sowieso al niet zo goed met beslissingen; u kunt zich voorstellen wat er met me gebeurt als ik me bij de besluitvorming moet baseren op een informatiestroom die bol staat van de tegenstrijdigheden.

Alles wat ik nodig had was één argument. Een steekhoudend argument, goed genoeg om de keuze voor een van de opties te rechtvaardigen. Het leek er echter niet op dat ik zo’n argument nog zou vinden. De tijd tikte door en ik betrapte me er al op dat ik begon te hopen dat het arme kind op de betreffende dag verhoging zou hebben en ik me kon beroepen op overmacht.

Maar.
Niet nodig!
Want ik heb toch nog, op de valreep, een argument gevonden!
Poeh. Wat een héérlijk gevoel. Er is zo’n last van me afgevallen! Ik denk dat ik voor het eerst sinds een week weer lekker zal slapen vannacht.

Het feit wil namelijk dat groep 4 gaat schaatsen, aanstaande vrijdag. En Bo heeft onlangs van iemand een paar prachtige ijshockeyschaatsen gekregen, die alleen nog even geslepen moeten worden. En laat het goedkoopste en best bekend staande slijp-adres zich nu net in het sportcomplex bevinden, daar waar de griepspuiten morgen worden uitgedeeld?
Dus.
Als ik toch daar ben....

donderdag 19 november 2009

Frans

Vanmiddag. We fietsen met z’n vijven vanaf de school van Bo naar de onderbouwlocatie om Merlijn op te halen. Bo met twee vriendinnetjes, Loïs en ik.
Nou ben ik een hele leuke en geïnteresseerde moeder, zeker als er andere kinderen bij zijn, dus ik vraag: ‘Meiden, hoe was het vandaag op school? Nog iets leuks gedaan?’

‘Ja, bij Frans was het heel leuk’ begint Bo enthousiast te vertellen, ‘we moesten iets heel moeilijks doen.’
‘Ja, vét moeilijk!’ vallen haar vriendinnen in koor bij.
‘Het was echt vét moeilijk wat we moesten doen, maar ik kon het toch.’
‘En ik ook!’
‘En ik ook!’
‘Maar niet iedereen hoor mam, want verder snapte bijna niemand het!’

‘Goh, wat goed van jullie,’ zeg ik op de automatische piloot, want ik ben inmiddels alweer een beetje afgeleid. Door het drukke verkeer waar ik ons veilig doorheen moet loodsen en de chaos aan gedachten in mijn hoofd: over de folder die ik aan het schrijven ben en waarvan die ene zin nog steeds niet lekker loopt, over zwemles, over Sinterklaascadeaus.
De kinderen praten door en ik geef lukraak verbale respons in de vorm van: ‘Oja?’ en ‘Hm-hm’ en ‘Haha, wat leuk’.

Denk ik ineens: Huh? Fráns? In groep 4!?

In verwarring probeer ik weer grip te krijgen op de conversatie.

Ah.
De gymleraar heet Frans.

woensdag 18 november 2009

It's freakin' MJ (!)

'Veel barbies' had Bo op haar verlanglijstje gezet, dus kocht ik op marktplaats 20 barbies voor 20 euro. Ook Sinterklaas heeft te lijden van de kredietcrisis, nietwaar.
Vanmorgen arriveerde er een doos, waarvan de inhoud mijn stoutste verwachtingen overtrof. Niet alleen waren daar de afgesproken 20 barbies: 19 vrouwtjes en één mannelijk exemplaar (een dude met een surfboard - is dit Ken? Ken Ken surfen?), tevens had de verkopende partij de doos volgestouwd met een collectie kleding, schoenen, zonnebrillen, sieraden en (reis)tassen waar de gemiddelde girlband u tegen zou zeggen.
Maar het allermooiste wat in de doos zat, datgene waarvan mijn mond letterlijk openviel, was een item waar ik in het begin van de jaren '80 een moord voor zou hebben gedaan: een heuse Michael Jackson-pop.

'I'll be damned,' sprak ik bij het openen van de doos - het pièce de résistance lag bovenop - 'it's freakin' MJ.'
En toen verloor ik mezelf. Ik moonwalkte er lustig op los met Michael, sleutelde links en rechts wat aan zijn neus, liet hem hinderlijk gevolgd worden door paparazzi, zijn heil zoeken in de zuurstoftent..... ik was zo leuk aan het spelen, dat ik de tijd vergat.
Beter gezegd: ik negéérde de tijd.
'Ik moet nu Loïs wakker maken, anders ben ik zometeen te laat bij de school,' zei de interne verantwoordelijke moeder. 'Nog even, nog heel even,' treuzelde het kind, want zij snapte dat ik, als Bo en Merlijn eenmaal thuis waren, niet verder kon spelen met MJ. Of dan minstens heel wat had uit te leggen.
Uiteindelijk wist ik me toch los te rukken, nog net op tijd om met goed fatsoen de moeder van een klasgenootje te bellen en te vragen of zij misschien Bo wilde meenemen omdat ik een beetje verlaat was.
Ja.
Altijd drukdruk.


zondag 15 november 2009

Helly sinaasappelsap is bah maar doet het best leuk op sommige foto's




Zo. En dan mag u nu allemaal gaan roepen dat het zo'n schatje is. Met van die leuke krulletjes. En mooie ogen. Kómmaarkommaarkommaar.

zaterdag 14 november 2009

Gesodemijter

Zonder hier verder al te veel op in te gaan: er is in mijn jeugd nogal creatief met de waarheid omgesprongen. Familiegeheimen, doofpot-affaires, de hele rataplan. Enfin. Toen ik eindelijk de onderste steen boven had en – na een eindeloze reeks therapeutische sessies – de feiten en gevoelens mijnes levens op een rijtje, besloot ik, onder het motto: ‘het leven is al ingewikkeld genoeg zonder verhullingen en omwegen’ dat als ik ooit kinderen zou krijgen, ik nooit tegen hen zou liegen.
De waarheid en niets dan de waarheid!
En ja, het zou best kunnen dat ik hierin volledig ben doorgeslagen, maar so be it.
‘Dat vogeltje is dood, lieverd.’
‘Nee, schat, dat is helemáál geen aardige meneer.’
‘Kindjes komen uit mama’s buik. Door een piepklein gaatje. En dat doet HEEL VEEL PIJN.’
Helder. Duidelijk. Geen gedraai om de hete brij.
Mijn credo: je moet kinderen behandelen als gelijkwaardige gesprekspartners.


Er was alleen één dingetje, één klein onbenullig rood dingetje met een baard en een tabbert an, dat ik over het hoofd had gezien.

Sinterklaas.

Met de Sinterklaas-afgeleiden heb ik onmiddellijk korte metten gemaakt. 'De tandenfee? Nee kind, die bestaat niet. Maar ík wil best een euro onder je kussen leggen hoor, als je dat leuk vindt.' 'De Paashaas? Joh, das gewoon de buurman in een pak met ijzerdraad in zijn oren.'
Maar Sinterklaas zelf, daar kon ik niet omheen. Te groot, in Nederland. Te populair. Te zeer ingebed in de samenleving. En je wilt tenslotte geen spelbreker zijn. Je wilt je kinderen niet moedwillig buiten de groep plaatsen. Nee. Dat wil je niet. Ik ben eerlijk en keihard, maar niet gemeen.
Dus.
Van half november totdat de Goede Sint daags na zijn verjaardag weer is afgetaaid (afgetaaitaaid hahah) naar Spanje, verkeer ik in een constante staat van wroeging. Het is een ondraaglijk spanningsveld, tussen een diepgewortelde overtuiging (Must! Tell! Truth!) en het sociaal wenselijk gedrag in deze periode: het spelletje meespelen want-dat-is-zo-leuk.

De tactiek waarmee ik het tot nu toe heb volgehouden? Ik hou me op de vlakte. En van de domme.
‘Kan het paard van Sinterklaas echt over de daken lopen?’ ‘Ja, dat zeggen ze hè? Ik heb het nooit gezien, hoor. Het lijkt mij eerlijk gezegd nogal onwaarschijnlijk.’
‘Hoe weet Sinterklaas altijd precies wat ik wil hebben?’ ‘Dat is knap hè, van Sinterklaas. Je maakt een verlanglijstje en de rest gaat vanzelf!’
En als het te moeilijk wordt: ‘Hoe komt Sinterklaas eigenlijk bij ons binnen? (we hebben geen schoorsteen, red.) En kunnen er zo ook dieven binnenkomen?’ dan hebben we gelukkig Henk nog, met aanmerkelijk minder gewetensbezwaren op dit gebied en immer bereid de vuile klus te klaren. ‘We hebben Sinterklaas onze reservesleutel gegeven.’


Eerlijk gezegd had ik stilletjes gehoopt dit jaar Bo in mijn kamp te kunnen scharen. Gedeelde leugens zijn halve leugens. Zoiets.
Maar nee hoor. Het vijf-decembergebeuren heeft ook voor ons oudste kind nog niets van de heilige glans verloren. Integendeel, blijkt nu het Sinterklaasjournaal is begonnen. Vét in de stress: de stoomboot heeft niet teruggetoeterd naar de tubaspeler op de kade! De stoomboot heeft niet teruggetoeterd! Dat is nog nooit eerder gebeurd! En als de boot nou echt gezonken is? Krijgt niemand dan cadeautjes?

Zucht.
Goed.
Nog één keer dan.
Nog één keer; als Bo en Merlijn volgend jaar nog steeds allebei in Sinterklaas geloven zal ik me genoodzaakt zien te verhuizen naar Grou.