vrijdag 30 januari 2009

Nauwelijks een poepverhaal

De ochtend begon vandaag nogal ongebruikelijk.

Namelijk met Henk, opgesloten in het toilet.

En daar had hij al zeker 20 minuten gezeten voor dit nieuws mij bereikte.

Ik werd wakker van twee kinderen naast mijn bed, die mij vertelden dat 'papa' de deur van de wc niet meer open kreeg.
"Echt niet."
Dus ik ging maar eens kijken, beneden.
En riep: "Hallo?" tegen de dichte deur.
"Ja het slot wil dus niet meer open!" klonk de stem van Henk van de andere kant. En hij zei nog iets wat niet al te vriendelijk klonk, maar dat verstond ik niet meer want ik was al op zoek gegaan naar een schroevendraaier. Om dat varkentje wel eventjes te wassen. (Met een trucje dat ik nog kende van een paar maanden geleden toen Merlijn plotseling de rare gewoonte had zichzelf op te sluiten in de badkamer.)
Maar hee, wat gek. Dat ging niet! Het slot zat echt vast. Geblokkeerd. Jammed. Stuck.
Geen beweging in te krijgen.
Ook niet als ik heel hard heen en weer wrikte met de schroevendraaier.
En ook niet als Henk tegelijkertijd van binnenuit hetzelfde deed met de knop.

De deur er dan maar uit? Nee, dat kan bij ons niet. Wij hebben van die moderne deuren, waar je niet even een scharnierpen uithamert. Om een deur eruit te halen moet je hem eerst omhoog tillen, maar dat kan dus alleen als ie openstaat.

"Jongens, ik denk dat we de brandweer moeten bellen," sprak ik jolig.
Want inmiddels hadden we dikke pret.

"Je moet de deurkruk er afschroeven," riep Henk. "Schiet een beetje op!"
En ik waarschuwde: "Ik zou maar niet zo onaardig doen als ik jou was. Jij bent helemaal niet in de positie om onaardig te doen. Want wie heeft hier het gereedschap? Wie kan hier meer dan een halve meter weglopen? En zal dat ook zeker doen als je zo doorgaat? Nou?"
Dat zei ik natuurlijk allemaal niet echt.
En dat hoefde ook niet, want de situatie was zonder dat al grappig genoeg.

Maar het schoot inderdaad niet op.
Want om de deurkruk eraf te schroeven moest ik eerst een inbussleutel zoeken.
En Bo en Merlijn liepen heel onpraktisch om me heen te springen, hardop fantaserend over brandweermannen en hoe spannend het zou zijn als die echt zouden komen.
Bovendien moest ik heel nodig plassen.
Wat op zich wel weer een reden was om toch maar te proberen zo snel mogelijk die deur open te krijgen.
Dus ik schroefde en inbuste dat het een aard had. En waardoor het uiteindelijk lukte weet ik niet, maar op een bepaald moment kon de deur weer open en kwam Henk zichtbaar opgelucht naar buiten. Blij dat ik zo’n plezier had gehad, maar ook mij verzekerend dat het echt niet leuk was geweest om drie kwartier in zo’n kleine ruimte te zitten. Met de WC-eend.

Nee. Ja. Dat wilde ik best geloven. En ik dacht: Stel je voor dat mij dit was overkomen! Op een doordeweekse dag, zo om een uur of 10 ’s morgens. En dat ik dan riep en riep en riep, en op de deur bonsde, maar dat niemand me kon horen. En dat Loïs dan honger kreeg en heel hard ging huilen, uren lang, hartverscheurend. En dat ik dan helemaal gek werd! En dat er dan pas op z’n vroegst om 3 uur ’s middags alarm werd geslagen, als er tenminste iemand was die het raar vond dat mijn kinderen niet van school werden opgehaald.
Pfff, ik kreeg het benauwd van het idee alleen al.

Tot ik me realiseerde dat dat helemaal niet nodig was!
Want ik doe nooit de deur op slot als ik alleen thuis ben!
Ik laat hem altijd gewoon wagenwijd open staan.

woensdag 28 januari 2009

Het is rood en het trapt best wel zwaar

Wij hebben geen tuin. We hebben wel een groot dakterras, een plein voor de deur, een park om de hoek en, aan de achterkant van ons huis, een gangetje met een schuurtje.
Een schuurtje waar mijn fiets niet in past. Dus die staat altijd in het halletje bij de voordeur.
Tenminste, ’s nachts. Overdag staat mijn fiets vaak buiten, op het plein, als ik er mee ben weggeweest. En dan moet hij ’s avonds dus nog naar binnen. Want anders wordt ie gestolen.
Het klinkt allemaal misschien wat omslachtig, maar zo doen we het al jaren. Bovendien hou ik nogal van mijn fiets, dus heb ik het er graag voor over.

Maar soms, heel soms, vergeet ik het. Om hem binnen te zetten. Of, en dat komt tot nu toe nog steeds op hetzelfde neer, ik denk dat ik het ben vergeten. En dan gebeurt het dus dat ik midden in de nacht ineens, vanuit diepe rust, overeind schiet en paniekerig uitroep: ‘Mefietstaatnogbuiten!’
En als Henk daar nog niet van wakker is geworden geef ik hem een por en roep het nog eens.
Omdat ik dan hoop dat hij zegt dat ik me geen zorgen hoef te maken, omdat hij hem zelf persoonlijk binnen heeft gezet. Of omdat hij zeker weet dat hij mij het heeft zien doen.
Nee, niet omdat ik wil dat hij zijn bed uit gaat en dan in de vrieskou naar buiten om te kijken of ie er nog staat.
Of nouja.
Eigenlijk dat ook. Als het nodig is.

Waarom nu dit logje? Omdat het vannacht weer eens zover was. (De loos-alarm variant.)
En omdat ik het wel een mooie aanleiding vind om u voor te stellen aan mijn vijfde grote liefde in dit leven. Mijn fiets. Mijn mooie, grote, rode brandweerfiets.



Er kan een heleboel in en op.

Net zoveel boodschappen als er ook in een winkelwagentje passen:

Een slapend jongetje:

Een baby in een maxicosi:


Ik, met drie kinderen tegelijk. (Maar daar heb ik jammer genoeg geen foto van.)

En, toen ik nog zwanger was van Loïs, een heel gezin. Dan fietste Henk, ik zat achterop (met Loïs in mijn buik), Merlijn op het kleine zadeltje en Bo in de mand. Maar dat heeft er wel een beetje gek uitgezien denk ik.

zondag 25 januari 2009

Herrie

Twee van onze buren deden mee in de race om een plek in het programma 'Herrie aan de Horizon'. U weet wel, met Herman den Blijker op een boot. Die deze serie door het Caribisch gebied gaat varen.
Men diende zich op te geven als duo, want, zoals te lezen is op de website, de centrale vraag van dit seizoen luidt: 'Wie wordt het beste hobby-kookstel van Herrie aan de Horizon 2009?' (Pardon, kookstel ? Is dit een grappig bedoelde woordspeling?)
Enfin.
Buurman en Buurman, die - eerlijk is eerlijk - allebei heel goed kunnen koken, waren door hun partners als kandidaat opgegeven. Met blijkbaar een leuke brief, want na de schriftelijke selectie werden ze uitgenodigd voor de eerste voorronde. En die was afgelopen woensdag, in Aalsmeer.

De avond tevoren gingen ze nog een keertje oefenen, natuurlijk. U weet wel, wat experimenteren met verschillende ingrediënten. Alle kooktechnieken nog een keertje de revue laten passeren. (Een beetje barderen en larderen, blancheren en braisseren. Zo links en rechts nog wat frapperen. En opletten dat de beurre blanc niet gaat aanzetten boven de réchaud. Dat soort dingen.)
Zodat ze dan tegelijkertijd nog wat beter op elkaar ingespeeld raakten en zich straks als één man door de keuken zouden bewegen.

Terwijl Buurman en Buurman zich uitsloofden aan het fornuis, mochten de vrouwen toekijken en zelfbedachte quizvragen roepen, wachtend op al het goeds dat hen voorgezet zou worden.
En wij (Henk, de babyfoon en ik) vielen heel toevallig even binnen, zo tegen een uur of tien. Om de mannen nog even zenuwachtig te maken succes te wensen. En om ze nog wat af te zeiken handige tips te geven. Maar vooral om zo hier en daar wat exquise hapjes in onze mond te stoppen.

Wat een beetje tegenviel, dat laatste. Want het ging niet zo goed. Allereerst: het kookproces had wat vertraging opgelopen (lees: het voorgerecht kwam pas om 23:10 uur op tafel.) En toen was de bisque te waterig. En het gehaktbrood te melig. En de citroenrisotto te zuur.

Maar het gaf allemaal niks.
Want er was kaas en er waren toastjes.
De Sancerre smaakte prima.
En we hadden de grootste lol.
Bovendien: een slechte generale repetitie is de sleutel tot succes, nietwaar?

Helaas.
Het Caribisch avontuur eindigde in Aalsmeer.
Gesneuveld in de eerste ronde.

“We waren denk ik gewoon te leuk voor het programma,” zei Buurman.

Ja.
Dat denk ik ook.

donderdag 22 januari 2009

Verblijf houden; resideren; gehuisvest zijn

Een tijdje geleden vroeg een van mijn buren, die schrijft op wonen.blog.nl, of ik samen met hem wilde bloggen. Over wonen.
Ik zei: “Goh.” En: “Tsja.” En: “Ik zal er eens over nadenken.”
En daar bleef het bij. Want ‘wonen’? Wat weet ik nou over wonen?
Ja, okee, ik woon. Net als 16.428.309 andere Nederlanders. (Nee, de daklozen niet meegerekend, duh).
Ik heb 4 muren en daar bevind ik mij regelmatig tussen, met man en kinderen. En ik heb een dak en daar zitten we onder.
Ik woon
jij woont
wij wonen.
In Holland staat een huis.

Maar dat is waarschijnlijk niet wat hij bedoelde. Ik moest vast schrijven over hypotheekrenteaftrek en WOZ-waarde. Of over warmte-isolatie, en besparen op de stookkosten. Misschien over designkoelkasten en stoomovens en home cinema sets.
En dat weet ik allemaal niet hoor. Want ik doe gewoon maar wat, met dat wonen. Ik woon maar een eind in het wilde weg.
Dus erover schrijven? Neu.
Ja, ik heb wel eens verslag gedaan van mijn ervaring met onze schoonmaakster. (Dat is ook iets met wonen, toch?)
Maar verder, neu.
Dus, ik zei het al, het bleef erbij.


Kreeg ik toch vanmorgen een soortgelijke vraag! Van de vader van een klasgenootje van Merlijn. Die ik onlangs had toegevoegd aan mijn LinkedIn-contacts. Hij vroeg of ik inderdaad tekstschrijver was (ja) en of hij mij wel eens mocht bellen voor een klus (ja). En of ik toevallig ook blogde (ja, of eh...nee (ik had net van haar geleerd dat mijn IRL kennissen beter niet konden weten van mijn schrijfsels)) want hij had namelijk een blog over wonen en daar momenteel even niet zoveel tijd voor dus of ik dan wellicht.......?

En toen dacht ik ineens: misschien moet ik het heel anders bekijken.
Natuurlijk kan ik stukjes schrijven over wonen.
Ik ben toch zeker ervaringsdeskundige!
Wonen, pfff, dat doe ik dagelijks!
Dus kom maar op met die blogs. Over wonen.


(Iemand ideeën, suggesties, tips?)

woensdag 21 januari 2009

Tom, Thomas, Tienke


Dacht ik tot een paar jaar geleden bij Hawaii nog gewoon aan Magnum P.I. en Glenn Medeiros, tegenwoordig denk ik als ik Hawaii hoor altijd aan Tienke. Mijn zusje.
(Maar ik was toch opgegroeid als enig kind? Ja, dat is zo. Tienke is mijn halfzus. En dat weet ik pas sinds 1996, toen ik, pakweg, 25 was. Maar we kennen elkaar al sinds onze kindertijd. En hoe dat allemaal zit vertel ik vast nooit. Want ik zou niet weten hoe ik dat in een logvat moet gieten.)


Mijn zusje woont dus actually op (in?) Hawaii, met man en dochtertje Aisha van anderhalf. Hoe cool is dat! Ik krijg dus regelmatig dit soort filmpjes toegemaild:

O, sh** dat werkt niet. Probeer het even te visualiseren:
Palmbomen. Een rokende vulkaan in de verte. Op het strand een blote meisjesbaby die een zandkasteel bouwt. Surfers in de branding. Op de achtergrond een walvis die tientallen meters uit het water omhoogkomt en met een enorme plons weer onder het oppervlak verdwijnt.

En dan word ik heel jaloers. En ga meteen mijn geld tellen. Tegen beter weten in, want naar Hawaii vliegen is duur! En het leven op Hawaii is duur! En nou kan ik natuurlijk wel alleen gaan, maar dat is weer net niet de bedoeling. Want ik wil heel graag mijn kleine en enige nichtje van dichtbij bekijken en aanraken, maar ik wil ook dat Tienke mijn kinderen kan zien. En ik wil met mijn hele gezin onder de palmbomen aan het strand zitten. Op Hawaii. Met de camera. Zodat we zelf ook van die filmpjes kunnen maken. Die ik dan wel echt kan laten zien hier.

Dus als u nou nog een goed doel zoekt, reageer dan even, dan geef ik mijn bankrekeningnummer.

dinsdag 20 januari 2009

Uur 1

Terwijl ik hier achter mijn computer zit te zwoegen op een onderzoeksrapport klinkt uit de box de stem van mijn kleinste dochter: Tata, tatata, tata. Net een echte baby. Het klinkt zo gezellig, dat ik er maar even een kopje koffie bij haal en er naar ga zitten luisteren. Want gezellig, daar ben ik wel aan toe.

Okee, ik weet het wel, ik zou een half uur eerder op kunnen staan.
Dat zou een heel stuk schelen. Maar ja: winter, lekker warm in bed, zo donker nog buiten...dus wordt het toch steeds half acht voor ik een keer onder de douche sta. Met dan nog een uur om op school te komen, met drie kinderen. Waarvan twee met ingepakte tassen met fruit en drinken en een broodtrommel voor 'de overblijf', en een derde die alleen meegaat voor spek en bonen maar desalniettemin aangekleed en warm ingepakt moet worden in de wandelwagen met vaak ook nog de regenkap eroverheen.
Eerlijk zijn: de boterhammen smeert Henk, voordat hij om kwart over 7 naar de trein fietst. En wat hij ook nog doet is koffie maken met opgeklopte melk en dat samen met een fles voor Loïs naar boven brengen en op mijn nachtkastje zetten naast mijn ontwakend hoofd, maar dat kan ik beter niet zeggen want dan heeft u geen medelijden meer met mij dus ik streep deze zin nu in zijn geheel door.
Maar de rest doe ik. En dat is best veel. Ik moet niet alleen mezelf aankleden, ik moet ook een baby aankleden en, het grootste karwei, zorgen dat twee grote kinderen zichzelf aankleden.

Okee, ik weet het wel (2), ik zou de avond van tevoren vast hun kleren klaar kunnen leggen.
Ik doe dat wel eens en inderdaad, het werkt. En dan neem ik me voor om dat altijd te doen, maar voor ik het weet zit de klad er al weer in. Planmatigheid is gewoon niet zo mijn ding.

Hier gaat het meestal ongeveer zo.
Ik stap onder de douche vandaan, kijk op de klok, denk 'f*** ik moet opschieten' en roep richting een donker kamertje waar twee nu al op op pubers lijkende nog net/net niet meer kleuters naar Spongebob liggen te kijken: "Bo en Merlijn, gaan jullie je ook aankleden!"
Waarop Merlijn antwoordt: 'Nee!"
En Bo: "Maar wat moet ik aan dan?"
Dat laatste is dan voor mij het teken om naar hun kasten te lopen en op de grond twee bergjes kleren neer te leggen compleet met ondergoed en sokken. Om even daarna, als ik me probeer te concentreren op mijn eigen klerenkast, Merlijn te horen roepen: "Maar ik wou mijn Peter Pan pak aan!" en Bo: "Ik wil geen broek aan, ik wil een maillót!"
(...)
Eenmaal beneden, als we nog snel moeten ontbijten, valt natuurlijk de bekende beker chocomel om, spuugt Loïs haar decolleté vol met opvolgmelk, ren ik naar boven voor een schone romper, ren nog een keer naar boven voor een haarelastiekje voor Bo, dweil ik met één hand de chocomel op terwijl ik met de andere in het schoolrooster probeer te ontdekken of Bo vandaag gym heeft, zoeken we met z'n allen onder de bank naar de schoen van Merlijn en besluit ik toch nog een derde keer naar boven te rennen om mascara op te doen. (Omdat ik dat was vergeten. En zonder mascara naar buiten, dan doen we dus niet hè.)

Zo stressen we ons dus door de vroege ochtend heen en zijn al moe voor de dag goed en wel begonnen is.
Althans, Bo en ik.
Merlijn niet.
Want hoewel hij een groot deel van de chaos veroorzaakt, krijgt hij er zelf weinig van mee. Hij drentelt wat dromerig door zijn eigen wereld. En presteert het werkelijk om, als we ein-de-lijk bij de voordeur staan met onze jassen aan en onze tassen om en onze voetenzakken dichtgeritst en ik schreeuw met klem zeg: "Numoetenweéchtgaananderskomenwetelaat!" verbaasd te vragen: "Maar waar gaan we dan naar toe?"

zaterdag 17 januari 2009

To catch or not to catch

En toen vloog er ineens een stokje door de lucht. En dat stokje ging van daar naar daar via daar en kwam ook nog daar terecht. Plaats de vierde foto uit de vierde map van je computer, stond er in dat stokje gekrast.
Leuk! Maar het was niet echt aan mij, vond ik, om zo'n stokje te vangen. Bovendien snapte ik 'm niet eens: vierde map? Wat vierde map? Welke vierde map? Mijn computer stond vol met vierde mappen!
(Wacht eens...lag dat misschien aan mij? Was dat blijkbaar niet bij iedereen zo? Zo'n bende?)

En zo kwam het dus dat ik vannacht om half twee, moe maar voldaan, mijn volledig opgeschoonde, geordende en gearchiveerde computer uitzette. Maar niet voordat ik eventjes, geheel vrijblijvend uiteraard, had gespiekt in de vierde map.
En de vierde foto, die bleek toch leuk te zijn!

Dus wat ik nu doe?
Gewoon laten zien!

1 Januari 2004, vroeg in de ochtend. Bo die net haar cadeau heeft uitgepakt. En buiten alsof het vuurwerk die nacht de hemel permanent roze had gekleurd.

(Voor de oplettende kijker: Ja, in die stad woon ik. Maar inmiddels in een ander huis.)

vrijdag 16 januari 2009

Ik wil M. terug

In oktober vorig jaar was daar ineens dat moment. Dat de tijd rijp was voor een schoonmaakster (hulp in de huishouding, interieurverzorgster, poetsvrouw, geen idee wat tegenwoordig de correcte aanspreekvorm is). Sinds ik was begonnen als freelancer en de opdrachten begonnen binnen te komen, en helemaal nadat Loïs was geboren, werd het hier echt een tyfusteringzooi deed ik niet zoveel meer in huis. Okee, ik schopte af en toe iets onder de bank of het kleed en héél soms nam ik de stofzuiger nog wel eens ter hand, maar van de vloer eten kon echt niet meer. Of juist wel dus - zoals het tegenwoordig lollig is om te zeggen: 'er lag genoeg' - maar niet zonder gevaar voor eigen leven.

Dus ik gooide maar eens een balletje op in mijn omgeving. En toen wist mijn schoonmoeder wel iemand: M.
M. werkte bij mijn schoonouders in het verzorgingshuis en zocht daarnaast nog een adresje voor een aantal uren in de week. "Maar," zei mijn schoonmoeder, "het is wel een Surinaamse, en die zijn vaak heel langzaam". (Ieks!! het plaatsvervangend schaamrood vloog over mijn kaken terwijl ik schichtig om me heen keek of iemand anders het ook gehoord had. Ja, mijn schoonmoeder. 84 jaar. Kan de meest vre-se-lij-ke dingen zeggen, zonder er iets naars mee te bedoelen. Gewoon totaal géén idee dat ze misschien iets discriminerends of generaliserends zegt. De keren dat Henk en ik ons gelijktijdig hebben verslikt in onze koffie als ze iets opmerkte over, bijvoorbeeld, homosexuelen zijn niet te tellen. Maar dit terzijde verder.)

Ik besloot M. te bellen.

Meteen de eerste keer al bleek dat mijn schoonmoeder wel een beetje gelijk had.
M. was best wel...ehm..langzaam. Als ik haar na drie uur had uitgezwaaid moest ik echt zoeken naar wat ze gedaan had. Toegegeven, als ik hem dan had gevonden, die vierkante meter die ze onder handen had genomen, dan was die ook wel heel erg schoon.
Maar ik had van tevoren visioenen gehad van zo'n razende roelie die als een duizenddingendoekje door mijn huis danste en even in een paar uur tijd de hele boel aan kant maakte. En dat ik dan de rest van de week steeds nieuwe dingen zou ontdekken en verbaasd uit kon roepen: "Jee, heeft ze ook nog de sokkenla geordend/het zolderraam gelapt/het zilver gepoetst!" (Want zulke schoonmaaksters bestaan ook, toch?)
Dus ik was een beetje teleurgesteld.
Maar dat liet ik niet merken.
Ik stelde gewoon mijn wensen bij.
Voor diepte-reinigingen op het kleine oppervlak was ook wat te zeggen! Hoe schoon zou het huis wel niet worden als ze elke week een ander stukje zo schoon maakte! Het enige wat wij intussen moesten doen was alles een beetje bijhouden, zodat de schone stukken schoon bleven.

Maar dan moest ze wel elke week komen natuurlijk. En daar ging het wat mis.
Want in drie maanden tijd is M. maar vier donderdagen geweest. Alle andere keren kwam ze niet. Dan belde ze op en zei "Ik kan vandaag niet komen, want" en dan volgde er een van de volgende redenen:
- Ik ben ziek.
- Ik heb hoofdpijn.
- Ik heb net het bericht gekregen dat mijn broertje die in Suriname woont een tumor heeft.
- De tumor van mijn broertje bleek een onschuldig vetknobbeltje en dat gaan we morgen vieren met de hele familie dus ik moet nog een heleboel Surinaamse hapjes maken.

Soms belde ze pas om 11 uur af, terwijl ze al om 9 uur zou komen.
En de laatste keer belde ze pas de volgende dag om te zeggen dat ze niet was geweest en dat ze de volgende week ook niet kon komen. En de week daarna was het Kerst. Dus toen zei ik dat ik haar in het nieuwe jaar wel weer zou bellen, om een nieuwe afspraak te maken. En eigenlijk dacht ik: ik ga proberen iemand anders te vinden. Iemand, zoals mijn moeder zei, 'van wie je opaan kunt'. En daarna bel ik M. dan op om te zeggen dat ik iemand anders heb gevonden. Iemand van wie ik opaan kan.

Maar tot op heden heb ik nog niks ondernomen.

Want ik mis het toch. Dat onvoorspelbare. Dat ik donderdags op kon staan en denken: 'Oja, M. komt straks. Of niet.' En dat ik dan het huis vast een beetje op ging ruimen, zodat ze overal goed bij zou kunnen met de stofzuiger. Zodat het, ook als ze niet kwam, toch best netjes werd in ons huis. En ik met de uitgespaarde 30 euro naar de H&M kon.

Ik wil M. terug.

Straks even bellen.

donderdag 15 januari 2009

Manneken pist in de sneeuw

Henk kwam terug uit Brussel en nam mee..... souvenirs! Mijn wereldreiziger.
T-shirts voor Bo, Merlijn en Loïs ('my first Belgian T-shirt').
En voor mij (tromgeroffel): een sneeuwbol van Manneken Pis. Hoe gaaf! Dé onbetwiste nummer 1 in de categorie 'souvenirs uit Brussel'.


"Wat is dat nou?" vroeg Merlijn.
"Dat, mijn zoon, is een jongetje. Een jongetje dat staat te plassen. En in Brussel, waar papa was, daar staat ie in het groot. Een stenen beeld van een jongetje dat staat te plassen. En niet zomaar een beeld, het is ook een fontein; uit het piemeltje spuit water. Zodat het net lijkt of het jongetje echt staat te plassen. En weet je hoe het beeld heet? Manneken Pis."
Klaar: de slappe lach. Zo makkelijk scoren hè als iemand zich in de poep- en plasfase bevindt.
En toen wou hij natuurlijk ruilen.
Maar dat ging mooi niet door. Doei! Ik ga daar een beetje mijn Manneken Pis ruilen voor een veel te klein T-shirt.

Gisteravond, toeval bestaat niet (of juist wel, dat snap ik nooit zo goed), kwam ik ineens deze tegen, bij het ordenen van mijn fotobestanden. Mijn eigen Manneken Pis!




Dat u het moet doen met de gekuisde versie komt doordat ik dit logje las. Sindsdien denk ik dus eerst tien keer na voor ik dingen op het web gooi.

(En in dit geval eigenlijk maar goed ook: véél te lekkere billen voor op het internet.)

dinsdag 13 januari 2009

En waarom 2003 dan eigenlijk een moeilijk wijnjaar was

Ja, je bent vinoloog of je bent het niet. Even een leerzaam logje. Saai? Ja, wel een beetje saai. Maar hee: het gaat over wijn, niet over aërodynamica.

Eerst is een druif nog klein en hard en groen. En zuur.
Onder invloed van licht en warmte gaat ie dan groeien en wordt zoet en sappig. En minder zuur.
Zoet wordt de druif door fotosynthese: onder invloed van zonlicht zetten de groene bladeren van de druivenstok koolzuur om in suiker.
Minder zuur wordt de druif door verbranding. Eigenlijk het omgekeerde, want hierbij wordt de suiker (niet alle suiker natuurlijk, een klein deel) weer omgezet in koolzuur. Met als bij-effect dat het zuur in de druiven wordt afgebouwd.

Op het snijpunt van die twee tegengestelde processen zijn de druiven dan zo ongeveer rijp. En dan moet er geoogst worden. Dat is de kunst: de druiven plukken als ze precies goed zijn. D.w.z. met voldoende suikers om een goed alcoholpercentage te bereiken, en met precies genoeg zuren voor de balans. Niet teveel zuur: das niet lekker, maar ook niet te weinig, want das ook niet lekker. Denk aan witte wijn, die zijn frisheid krijgt van de zuren.

Nou zijn er heel veel verschillende druivenrassen. En die hebben allemaal verschillende eigenschappen. Zo zijn er bijvoorbeeld snel-rijpende druivenrassen en langzaam-rijpende druivenrassen. Dus voor bijna ieder klimaat- en bodemtype is wel een passend druivenras te vinden. Maar dan moet het klimaat zich wel aan de regels houden natuurlijk.
En dat was er dus aan de hand in 2003. Het klimaat (in Europa hè, ik heb het even over Europa) hield zich niet aan de regels. Het was veel te warm. En dan gaat dat hele rijpingsproces dus sneller. En een beetje teveel suiker is niet zo erg: dan krijg je wijnen met een hoger alcoholpercentage. En hoe meer alcohol hoe beter, toch? Maar te weinig zuur is wel erg. Want, ik zei het al, wijn zonder zuur, das dus niet lekker. Wijn zonder zuur is laf.
Dus wat doet de wijnmaker dan? Kunstmatig aanzuren. Want dat mag. Soms. Maar het wordt nooit meer echt wat met die wijn.

Het was overigens niet dramatisch hoor. In sommige streken ging het juist verbazend goed. Doordat daar bijvoorbeeld net het goede verkoelende windje waaide. En in andere streken waren er dan wel weer wijnboeren die zo bij de pinken waren dat ze eerder dan anders gingen oogsten. De druiven waren dan nog wel niet optimaal groot en sappig, maar wel goed van samenstelling. Dus dan had die boer wat minder wijn, maar wel lekkere wijn.
En andere wijnboeren, die bijvoorbeeld aan de Lidl leveren, deden dat niet. Maar dat gaf ook niets, want die wijn moest toch al goedkoop.

Al met al is het nog best goed gekomen met wijnjaar 2003. Maar de wijnen zijn wel anders dan anders. A-typisch noemen ze dat. En A-typische wijnen, zeg ik, zijn heel onhandig op een blindproef-wedstrijd.

maandag 12 januari 2009

2003: Niet alleen een moeilijk wijnjaar

Het is eigenlijk de schuld van Susy. Die op haar blog beschreef wat ze dacht toen uit de 20 weken-echo bleek dat het kindje in haar buik een jongetje was.
Ik meende me te herinneren dat ik, jaren terug, zo’n beetje exact hetzelfde had opgeschreven, in het 9 maanden zwanger-dagboek van Merlijn. Wat ik vervolgens natuurlijk onmiddellijk moest gaan opzoeken, om te kijken of ik gelijk had.

Ja, stom.
Nogal naïef.
Gewoon even niet bij nagedacht. Dat die 9 maanden van Merlijn voornamelijk in 2003 vielen.
2003. Dát jaar.

Ik zag het natuurlijk meteen toen ik begon te bladeren. Ojee, dacht ik.
Stoïcijns als ik ben heb ik natuurlijk toch eerst even de betreffende passage opgezocht (inderdaad: bijna letterlijk! Geweldig, mijn geheugen!) en een reactie getyped op de post van Susy.
Maar daarna. Móést ik gaan lezen. En ook weer een beetje huilen.
Want 2003. Poeh, 2003.
En hoewel ik me had voorgenomen dit blog vooral luchtig te houden, ga ik het verhaal toch maar vertellen nu.

Op 1 januari vierden we de 1e verjaardag van Bo. Onze lieve Bo, die van 2002 een tópjaar had gemaakt. Bovendien zat er nu in mijn buik weer een kindje en de eerste drie spannende maanden waren net voorbij. Het had er alle schijn van dat het een geweldig jaar zou worden. En zo begon het ook.
Totdat, op vrijdag 28 maart - ik was inmiddels ruim 6 maanden zwanger - mijn moeder belde met het bericht dat mijn vader in het ziekenhuis was opgenomen.
Wat begon met een ogenschijnlijk simpele blindedarmontsteking eindigde in een nachtmerrie. Tijdens een 11 uur durende operatie waarin werkelijk alles misging wat mis kon gaan belandde hij in een coma. 48 uur later hadden al zijn organen het opgegeven en werd hij nog slechts in leven gehouden met machines.

Dit proces volgde ik volledig door de telefoon; mijn ouders woonden in het zuiden van Frankrijk. Ik had er natuurlijk meteen naar toe kunnen gaan, maar ik kon het allemaal niet zo goed beslissen. Moest ik alleen gaan? Of met Bo? Of met Henk en Bo? Bovendien veranderde de situatie elke paar uur. Van ernstig, naar zeer ernstig, naar niet meer te redden.
Maandag om 15.00 uur had ik eindelijk de tickets in handen waarmee we de volgende dag (op 1 april!) met zijn drieën naar Toulouse zouden vliegen. Om 18.00 uur belde mijn moeder om te vertellen dat mijn vader was overleden. En toen we de volgende dag na een lange reis, met overstap in München, aankwamen in het dorp, lag hij al opgebaard in de woonkamer.

In Frankrijk geldt de regel dat een overledene binnen twee dagen moet worden begraven of gecremeerd. Daar hebben we met moeite een dag aan toe mogen voegen, maar dan nog! Omdat we pas op dinsdagavond waren aangekomen hadden we precies één dag om alles te regelen. Eén dag. En probeer maar eens iets te regelen daar in die Pyreneeën. Ik bedoel: de contreien aldaar staan bekend om de grootste ketterverbrandingen in de geschiedenis, maar kom er maar eens om een crematorium. (Ook niet gek natuurlijk als iedereen er zo’n beetje Katholiek is en dus wordt begraven. Maar ja, je moet wat als het iemand’s grootste angst was om onder de grond gelegd te worden.)
En verder. Een uitvaartondernemer bestaat niet, dus je gaat zelf uit shoppen: een kist, bloemen. Een auto huren. En dan nog de ‘gewone’ dingen zoals rouwkaarten versturen (waarvan je weet dat ze allemaal te laat zullen aankomen) en muziek uitzoeken.
En dit allemaal met constant harde buiken van de stress, een moeder die –logisch – nog steeds volledig van de kaart is en een dreumes van 15 maanden die of all moments uitgerekend die dag uitkiest om te gaan lopen. En zonder broers of zussen om te helpen. Want die heb ik niet. Gelukkig was daar wel Henk: mijn grote steun en toeverlaat. Alleen vervelend dat hij zich niet fit voelde en steeds klaagde over pijn in zijn maag.

Alles lukte, maar het werd een allertreurigst gebeuren. Met 10 mensen en een halve paardenkop in een troosteloos gebouwtje aan de provinciale weg. Waar Henk nog een paar hele mooie woorden heeft gesproken, iets wat mijn moeder en ik allebei niet konden opbrengen. En waar we, nadat de kist achter twee schuifdeurtjes was verdwenen, in een aangrenzend kamertje op een zwart-wit monitor het daadwerkelijke verbranden mochten aanschouwen. (Hè? Ja, echt.) Maar daar hebben we beleefd voor bedankt.

Aan het eind van de middag waren we weer terug in het huis. Niemand wilde echt wat eten. En niemand wilde praten. We dronken wijn en zaten stil bij elkaar. Murw geslagen. Op een bepaald moment bracht ik Bo naar bed en ging douchen. In de ochtendjas van mijn vader kwam ik weer beneden.

En toen gebeurde het onvoorstelbare.

"Nu word de pijn wel heel erg" gromde Henk ineens. Mijn moeder en ik keken op, en zagen Henk in een vreemde houding op de bank zitten, voorover leunend met zijn knokkels op de salontafel. Ik probeerde erachter te komen wat er mis ging, maar ik kreeg geen contact met hem. Hij was niet meer aanspreekbaar. Het leek wel of hij een hartaanval had. Of zoiets. Dit gebeurt niet echt, dacht ik. Maar het gebeurde wel echt.
Mijn moeder belde het nummer van de huisarts. Maar die was er niet. Dus toen belde ze de ambulancedienst. En die zou komen.
Ik had me intussen heel snel aangekleed en was naar buiten gerend. Misselijk van angst stond ik buiten op straat, in het donkerste donker te turen of ik in de verte lichten zag aankomen, of een sirene hoorde. Af en toe rende ik even naar binnen, om te kijken of er iets veranderde.
Na iets meer dan een uur kwam dan eindelijk de ambulance, tegelijk met de huisarts. Na een kort onderzoek, wat nauwelijks mogelijk was omdat hij zo verkrampt was van de pijn, kreeg Henk een infuus met morfine en de relatieve ontspanning die daarop volgde was net genoeg om hem op een brancard en in de ambulance te krijgen.

Inmiddels had mijn moeder een (Nederlandse) kennis uit het dorp gebeld, die met mij achter de ambulance aan wilde rijden. Naar het ziekenhuis, 75 kilometer verderop. Het was afschuwelijk. Eerst reed de ambulance zo tergend langzaam over de bergweggetjes dat ik hem wel vooruit wilde duwen, later, op de grotere weg, zo hard dat we hem niet meer konden bijhouden.

Uiteindelijk kwamen we laat in de avond aan in het ziekenhuis van Carcassonne. Het ziekenhuis dat ik nog nooit van binnen had gezien, maar waar mijn vader 3 dagen geleden was doodgegaan.
We moesten eerst een tijd wachten. En toen werd ik opgehaald en moest ik meelopen, naar het einde van een gang, waar ik Henk wanhopig van pijn en angst aantrof in een bed, en een arts mij duidelijk maakte dat ik me op het ergste moest voorbereiden. Ze wisten niet precies wat er aan de hand was, maar het was ernstig en ze gingen nu opereren. Het was maar beter als ik naar huis ging, met het oog op mijn toestand.

En toen ging ik door het lint. In vloeiend Frans heb ik staan roepen dat ze hem moesten redden, hoorden ze wel! Omdat hij pas 37 was, en we een kindje hadden van 15 maanden dat thuis lag te slapen. En dat ik zwanger was! En dat die Nederlandse meneer die hier een paar dagen geleden was overleden mijn vader was. En dat ik echt niet ook nog mijn man ging verliezen in dit klote-ziekenhuis....! En daarna was ik helemaal leeg. Ik kon niet meer praten en niet meer lopen: letterlijk verlamd van angst. Henk werd intussen op een bed langs mij heen naar de OK gereden en terwijl we elkaar aankeken hield hij zijn hand omhoog en omklemde met zijn andere hand zijn trouwring. En ik deed maar hetzelfde. De kennis voerde me vervolgens mee naar de auto en ik kon niet eens protesteren.

Thuisgekomen ben ik naast Bo gaan liggen en viel onmiddellijk in slaap, om een uur later weer wakker te schrikken. Ik wilde onmiddellijk terug naar het ziekenhuis. Mijn moeder stelde voor te bellen, maar dat wilde ik pertinent niet, ik was te bang om door de telefoon te horen dat Henk het niet had gered. We wekten de buren - het was nog steeds nacht - en vroegen de buurman met mij naar Carcassonne te rijden.

En daar vond ik Henk, op de uitslaapkamer. Mijn lieve grote Henk, in een bed met allemaal slangen en infusen en zakken. Hij had een maagperforatie gehad. En het was kantje boord geweest. Maar hij leefde!

De weken die daarop volgden waren uitputtend. Ik reed elke dag op en neer naar het ziekenhuis, in het begin zelfs twee keer per dag. In het 9 maanden-dagboek van Merlijn hield ik de gebeurtenissen bij:


woensdag 09 april 2003
“Het gaat, maar het houdt niet over. Ik ben erg moe. Ik heb vannacht slecht geslapen, omdat Bo de hele nacht aan het spoken is geweest. Hoewel ik er toch redelijk in slaag haar regelmaat te geven is ze helemaal van slag, ze voelt natuurlijk dat er van alles aan de hand is. Henk gaat langzaam vooruit, met de nadruk op langzaam, maar wel vooruit dus daar doe ik het mee. Ik heb gisteren even de wond gezien, toen de dokter kwam controleren, en ik ben wel geschrokken. Echt enorm! Wel 25 centimeter en heel opgezet en rafelig...hij heeft nog steeds erg veel pijn, en wordt zwaar onder de medicijnen gehouden, soms is hij zo vaag dat een normaal gesprek niet mogelijk is. Ik neem Bo nog niet mee naar het ziekenhuis, dat moet nog maar even wachten. De verpleegsters op zijn afdeling maken zich allemaal zorgen om mij, wel schattig, ze gaan een afspraak voor me maken op de verloskundeafdeling om mijn baby-in-buik te controleren, wel fijn, want ik heb nog steeds te veel harde buiken, hoewel ik zelf een stuk kalmer ben nu.”

donderdag 10 april 2003
“Het gaat goed, een beetje op de manier van twee stapjes vooruit, een terug. Hij herstelt zich goed van de operatie, maar ook treden er telkens wat complicaties op. Momenteel heeft hij problemen met zijn long, die in de verdrukking zit door de enorm opgezette en nog steeds geïnfecteerde maag. Hij krijgt nu andere antibiotica om te zorgen dat de long niet ook gaat ontsteken, maar ik vind gewoon dat dat niet gebeurt. Ja, ik ontpop mij tot een ware positivo.
Nog een grappig detail, hij heeft twee ‘drainzakjes’ op zijn buik, en die zitten vast aan zijn buik met...veiligheidsspelden! Gewoon van die grote huis-tuin-en-keuken-veiligheidsspelden! Ze zijn nu bezig de slangen langzaam te verwijderen, dus elke dag maken ze de veiligheidsspelden los, trekken de slang een stukje naar buiten en prikken de spelden weer vast. Toen Henk me dit verhaal vertelde dacht ik echt: die heeft koorts of die zit onder de morfine, laat maar zitten. Maar inmiddels heb ik het met eigen ogen gezien. Bizar!! Rare Romeinen hoor, die Galliërs. Dit kan blijkbaar niet met een pleister? Het kan Henk trouwens weinig schelen, moet je nagaan hoeveel pijn hij nog steeds heeft.”

maandag 14 april 2003
“Het gaat weer een beetje beter, Henk herstelt echt goed van de operatie, kan al weer een paar stappen lopen. Maar de complicatie met zijn long is nog steeds niet onder controle. Hij blijft heel kortademig, naar om te zien. Gisteren hebben ze vocht achter zijn long weggezogen, 2,5 liter! Hoe daar zoveel vocht komt weten ze niet, ik hoop maar dat hij geen blijvend longletsel heeft? Vandaag krijgt hij weer een groot onderzoek.”


dinsdag 15 april 2003
“Het onderzoek van gisteren heeft helaas geen goed nieuws opgeleverd, het vocht had zich al weer opnieuw opgehoopt. De long is toch ernstiger beschadigd (lees: verbrand door maagzuur) dan aanvankelijk werd aangenomen. De buitenkant van de long is een grote brandblaar en daardoor ontstaat al dat vocht.
Wel balen hoor, als het goed was geweest had hij vandaag naar huis gemogen, nu wordt het waarschijnlijk na het weekend pas. Maar ja. De artsen zeggen steeds dat we ons geen zorgen moeten maken, dat het echt weer goed komt, daar houden we ons dan maar aan vast.
Met mij gaat eigenlijk hartstikke goed, ik hou de moraal hoog. Ik ben ook behoorlijk ontspannen, mijn buik is rustig en Bo is geweldig (ze loopt, had ik dat al geschreven? Ik heb gisteren 'echte' schoenen voor haar gekocht). Mijn moeder heeft goede en slechte dagen, maar ook dat is normaal.”


“Zo'n maagperforatie kan dus inderdaad ineens ontstaan. Henk heeft waarschijnlijk wel al een tijdje een maagzweer gehad, maar die kan er dus zitten zonder al te veel klachten te geven. 's Avonds is de maagzweer dus plotseling heel erg gaan zweren en heeft zich binnen enkele minuten een gat door de maagwand gegraven. De maaginhoud is zijn buikholte in gelopen, wat een acute blindedarm- en buikvliesontsteking tot gevolg had, en omdat het gat aan de bovenkant van zijn maag zat heeft het maagzuur (zo agressief als zoutzuur) een gat in het middenrif gebrand en de long beschadigd. Niet vreemd dat hij zo'n pijn had....bah, dat is achteraf nog wel het allerergst, om hem zo te hebben zien creperen van de pijn, daar heb ik echt een beetje een trauma van. Maar dat beeld zal langzaam wel weer verdwijnen.”


woensdag 16 april 2003
“Henk heeft tegenwoordig twee behandelend artsen, (de ‘buikarts' en de ‘longarts’) en die zijn het chronisch oneens, met name over wanneer hij het ziekenhuis uit mag. Nu ook weer, de ene zegt dat hij vandaag weg mag, de andere zegt vrijdag. Nou, ik hoor het wel, lang zal het in elk geval niet meer duren. Ben blij dat hij straks weer bij me is, maar ik vind het ook een beetje eng.”

vrijdag 18 april 2003
“We zijn herenigd! Heel fijn. Het is nog een beetje behelpen, Henk mag bijvoorbeeld absoluut niet tillen, dus ook Bo niet, en dat vindt ze natuurlijk maar raar. Maar allemaal bijzaak, hij is er weer en het wordt vanaf nu alleen maar beter. Ik denk dat we nog een week hier zullen zijn, en dan gaan we met de trein naar Nederland, niet echt fijn zo'n lange reis, maar Henk mag niet vliegen, dat is heel gevaarlijk met vocht achter zijn long. Ik had daar al zo'n vermoeden van. (We moeten trouwens wel langs Schiphol, want grappig detail: daar staat onze auto nog steeds, elke dag opnieuw 5 euro te kosten...)”

maandag 21 april 2003
“Ik heb hier in Frankrijk geen echo gehad, dat leek me niet nodig, ze zouden het in Nederland ook niet gedaan hebben, tenslotte. Hoewel het hier wel de gewoonte is, bij elke controle. Het is hier trouwens ook de gewoonte dat je het geslacht van je kindje weet en dat met iedereen deelt. De eerste vraag die je krijgt als iemand ziet dat je zwanger bent is: 'Fille ou garçon?’ Nou maken wij daar geen geheim van dus daar antwoord ik gewoon trots op, maar dan volgt meteen de tweede vraag: 'En hoe heet hij?' Huh??? Dat is dus gebruikelijk hier, dat je ongeboren kind al een naam heeft en dat iedereen die ook al weet. (Zodat ze rond de bevallingsdatum kunnen bellen en vragen:'is Jean-Luc al geboren?') Als ik zeg dat we dat nog niet willen vertellen doen ze dat af als bijgeloof. Ik heb het al vaker gezegd, maar rare lui hoor, die Fransen.”

dinsdag 22 april 2003
“Wij hebben gisteren de as van mijn vader uitgestrooid. Leek ons wel een goed moment, het was precies drie weken geleden dat hij is overleden, het was Pasen en de wind stond ook nog de goede kant op (ja, waar je al geen rekening mee houdt). We hebben het uitgestrooid bij het kapelletje waar Henk en ik zijn getrouwd, ongeveer een kilometer buiten het dorp. Het was de favoriete plek van mijn vader om te wandelen met de honden en er is ook een begraafplaats bij waar mijn moeder als het zover is begraven wil worden, zodat ze op den duur weer bij elkaar zijn. Wel een mooi idee.”

donderdag 01 mei 2003
“We zijn thuis!. De reis viel heel erg mee, ik vind reizen sowieso nooit zo erg, en zo lang was het nou ook weer niet. Twee keer vier uur, en een uur overstaptijd in Parijs. (Overstappen niet op hetzelfde station, trouwens, we gingen met de taxi van Gare de Lyon naar Gare du Nord, dus hebben we ook weer eens iets van Parijs gezien.) Henk voelde zich na een paar slechtere dagen gelukkig op de reisdag iets beter, dus al met al was het prima te doen. Wat grappig was, we hadden nogal veel bagage (een hele zware koffer, een iets minder zware trolley, drie tassen, een wandelwagen en een kind) en Henk mocht dus niets tillen. Nou is er natuurlijk niet aan hem te zien wat er aan de hand is, op het eerste gezicht ziet hij er zelfs behoorlijk blakend uit: hij heeft net een week niets anders gedaan dan in de zon zitten. Maar ik ben behoorlijk zichtbaar 7 maanden zwanger en liep dus met alles te sjouwen. Op de stations, trap op en trap af, trein in en trein uit, en alles steeds in drie of vier keer. Henk heeft nog nooit zoveel verwijtende blikken gekregen, 'wat BEN jij voor man, die zijn zwangere vrouw het zware werk laat doen en zelf geen poot uitsteekt' heel komisch, hij keek er zo ongelukkig bij!”


Ja, toen waren we weer thuis. Na een héle rare maand. Waarin ik één ding wel heb gemerkt: er is niets wat beter helpt in tijden van ziekte en dood, dan een kindje in je buik. Nieuw leven als tegengif.
Op 12 juli, 2 maanden later, werd Merlijn geboren. Onze kleine grote tovenaar. En redde 2003.

zondag 11 januari 2009

Easy like sunday morning

Henk is vanmorgen vertrokken naar Brussel. Op 'excursie' naar een geluidsstudio, met een groep studenten. Tot woensdag ben ik een alleenstaande moeder. En kijk waartoe dit nu al leidt: ledigheid. We staan op deze voorlopig laatste 'onder nul'- dag niet op het ijs, met onze sjaals om en wanten aan. Nee, we hangen voor de televisie in onze pyama's (alleen Loïs is aangekleed) en eten tosti's op de bank.
Misschien dat het morgen nog wat wordt met dit eenoudergezin.

woensdag 7 januari 2009

Blijft leuk, ook 10x achter elkaar




Nee, dit gaat niet over mij. Mijn kind heet Loïs, niet ik.
Ik reageer altijd metéén als mijn kinderen mij iets willen vragen! Ook als ik geconcentreerd achter mijn computer zit.
Denk ik.

dinsdag 6 januari 2009

Ach gossie 2

Nu ben ik ziek. Ja, dat kon ook eigenlijk niet uitblijven hè. Als je hele gezin het heeft gehad. (Ja, Henk ook: gisteren). Maar blijkbaar dacht ik dat ik de dans zou ontspringen. Omdat ik de moeder ben. En 'moeders zijn nooit ziek' zei mijn eigen moeder altijd al.
Eigenlijk, maar nu ben ik wel heel eerlijk, dacht ik stiekem ook: Ik ben gewoon de allersterkste hiero. Zo'n virus, daar ben ik tegen bestand. Henk niet, nee, natuurlijk niet..want *rolt met haar ogen*....mannen!
Maar misschien had ik dat laatste niet moeten denken. Of moeten afkloppen, op ongeverfd hout. Hoe dan ook, ik neem alles terug. Want nu loop ik zelf leeg.
Maar het is allemaal niet zo erg hoor. Ik hoef even niet te werken van mezelf (want concentreren is zo moeilijk met die onderbrekingen telkens), maar ik mag wel bloggen en tennissen op de Wii. Bovendien: ik voel de kilo's eraf vliegen, dus met dat goede voornemen komt het ook dik in orde.
Als ik maar zorg dat ik heel dicht in de buurt van de wc blijf is er verder niet zoveel aan de hand.


PS: O nee, mijn moeder zei niet: 'Moeders zijn nooit ziek', ze zei: 'Moeders kunnen nooit ziek zijn'. En daar had ze wel echt gelijk in. Want wie staat er straks om 15.00 uur, met warm aangeklede baby in kinderwagen en samengeknepen billen te wachten bij de school van Bo en Merlijn?
Juist.

maandag 5 januari 2009

Het kindje doet het weer!

En ze leest een boek. Over bloemetjes en bijtjes. En spinnen.












(Geweldig, het spiegeltje! Heb ik dus zonder dat ik het wist dat lieve hoofdje twee keer gefotografeerd, met één druk op de knop! Knap hè?)

zondag 4 januari 2009

Ach gossie

Loïs is ziek.
Je weet dat ie komt, de dag dat je kindje voor het eerst ziek is, maar je hoopt wel dat dat nog heel lang duurt. En dat het dan een verkoudheidje zal zijn, een beetje koorts misschien, maar geen buikgriep. Want een misselijke baby, dat is zielig!

Ik had het kunnen zien aankomen, of er op zijn minst rekening mee kunnen houden, want een paar dagen geleden, op 2 januari, hadden Bo en Merlijn het. Ik had er toen al een logje over willen schrijven, over hoe schattig ze samen ziek waren, over dat ze hun matrassen tegen elkaar aan hadden gelegd op de grond in Merlijn's kamer, over hoe zorgzaam ze elkaar bijstonden: teiltje aangeven, nieuwe wc-rol zoeken in de kast...maar toen ze de volgende ochtend alweer allebei kiplekker waren ('Ik wil patat!' riep Merlijn) besloot ik het te laten voor wat het was.
Maar nu dus alsnog. Want nu heeft Loïs het. En als baby's een buikvirus hebben kan dat gevaarlijk zijn. Want baby's kunnen snel uitdrogen, als ze geen vocht binnenhouden. En dan moeten ze misschien wel naar het ziekenhuis. Althans zo legden we het vrijdag aan Bo uit die, ziek als ze was, onverminderd door wilde gaan met het aflebberen innig knuffelen van haar zusje.
Toen was het nog abstract en theoretisch. En vandaag is het ineens de realiteit: terwijl ik dit schrijf kijk ik naar een bleekscheterig baby'tje dat ieder slokje melk of water er sinds vanmorgen met een boog weer uit heeft gegooid.

Ik maak me nog geen echte zorgen hoor. Tussen het spugen door is ze nog behoorlijk vrolijk. En als het bij haar net zo gaat als bij Bo en Merlijn is ze morgen weer beter.
(Toch?)

zaterdag 3 januari 2009

2009 e.v.

Dit Nieuwjaar is in meerdere opzichten een ander Nieuwjaar dan voorgaande 'Nieuwjaren'. Heel anders dan vorig jaar, toen ik zwanger was en mijn goede voornemens vooral te maken hadden met het op de wereld zetten van een gezond kindje. (Wat gelukt is. Nog maar eens Hoera!) En ook anders dan de jaren daarvoor. Want dit is het eerste Nieuwjaar waarin ik zeker weet dat ik niet meer zwanger zal worden. Tenminste, als er niet iets grandioos verkeerd gaat. Dit jaar begint met het besef: Ons gezin is af.
En dat is nogal wat. Het vereist een heel andere aanpak. In plaats van ons te concentreren op het bouwen van een nest, moeten we ons nu weer gaan concentreren op ons leven. En op ons lijf. Mijn goede voornemens voor dit jaar liggen dan ook op het gebied van sporten en gezond eten. Concreter: 6 kilo afvallen en dat het liefst voor de zomervakantie. Zodat als ik in mijn bikini loop alle mensen denken: Heeft die vrouw 3 kinderen gekregen? Dat bestaat niet! ik me niet al te erg hoef te schamen.


Wat natuurlijk wel gewoon hetzelfde was, en wat de rest van mijn leven zo moet blijven, was dat ook dit jaar weer begon met de verjaardag van Bo, onze ongelofelijk grote dochter die nu al 7 ! (ze-ven!) is.
(Gelukkig kwam er dit jaar iets minder visite dan anders. Met het taartmes het mooie gezichtje doorklieven bleek toch moeilijker dan verwacht.)