donderdag 26 februari 2009

Baksteen

Vlak nadat ik een heel blij logje had geschreven over een familiefoto, las ik op nu.nl over het neergestorte vliegtuig. Zul je zien: normaal gesproken check ik elke 10 minuten wel even de nieuwsberichten als ik achter mijn computer zit, maar nu dus net even niet. Of nouja, nu ook, maar alleen de achterklap-berichten.
En als ik dat dan lees hè, dat er een vliegtuig is neergestort, dan gaat er toch altijd even een schokje door me heen. Oeh spannend. Nog erger, ik ben zelfs een beetje teleurgesteld als ik bij verdere lezing ontdek dat er (dan nog) maar 1 dode is. Ernstig hè? En onmiddellijk voel ik me dan ook heel schuldig. Want natuurlijk wil ik niet dat er mensen dood gaan. Of pijn hebben, of verdriet. Dat begrijpt u, hopelijk.
Toestel als baksteen uit de lucht, kopten meerdere kranten vanochtend. En toeval of niet, Benno werd ook weer uit de muur de kast getrokken. Het blijft gewoon leuk hè, Benno Baksteen. Klinkt als een typetje van André van Duin. En dan is ie ook nog eens piloot! Ik stel me zo hoe hij als klein jongetje op zijn kamertje zat en plotseling die briljante inval kreeg: weet je wat, ik word piloot, dát is grappig!
(Er is iemand die hier een - niet heel bijster leuk - blog aan heeft gewijd. Aan gekke namen en beroepen. Daar kun je alles lezen over verpleegster Annie Uitslag en Kees Onderwater, de loodgieter.)

De eerste keer dat ik de naam Benno Baksteen hoorde was met de Bijlmerramp.
Waar ik trouwens een bizarre herinnering aan heb, aan de Bijlmerramp.
Ik woonde destijds in een studentenhuis en hoorde toevallig de eerste berichten op de radio. Dus ik rende naar de kamer van mijn huisgenoot, de enige in huis met een televisie, en blafte: “Teevee aan! Vliegramp! Bijlmer!”
En toen pas zag ik dat huisgenoot bezoek had.
“Hoi, ik ben Frans”, zei het bezoek, “uit Amsterdam.”
En meteen daarna zei Frans, wijzend naar de televisiebeeld waarop een brandend flatgebouw te zien was, met een gapend gat in het midden: “Hee, dat is mijn huis!” Om daar nog geen twee tellen later, nadat wij gezamenlijk live getuige waren geweest van het instorten van een hele kolom appartementen aan de rechterzijde van de flat, uiterst grappig aan toe te voegen: “Ik herfraseer, dat was mijn huis”.
Zo zei hij het echt.
En omdat ik nou eenmaal behept ben met een nogal morbide gevoel voor humor, én omdat ik natuurlijk dacht dat hij een grapje maakte, moest ik keihard lachen.
Ik deed er – mij kennende - waarschijnlijk nog een schepje bovenop ook.
En sloeg mezelf op de dijen.
Totdat ik Frans aankeek die, lijkbleek geworden, iets stond te mompelen over ‘huisgenoten bellen’.
Want het was dus echt zijn huis dat daar, voor onze ogen, was weggevaagd. En hij deelde zijn appartement met twee andere mensen, van wie hij niet helemaal zeker wist of ze, net als hij, de stad uit waren dat weekend.
Pff!
Dat bleek wel het geval, gelukkig. Voor hen. En voor Frans.
Een heleboel andere mensen hadden minder geluk, zoals u weet.


Genoeg van dit nu, ik moet weer aan het werk.
Want ik schrijf een artikel.
Over de Sanibroyeur.
Ik hoor u denken: weer over poep?
Maar daar heb ik gewoon maling aan.

(Maling! Hoe verzin ik het hè.)

woensdag 25 februari 2009

3 in 1

Jaa! Eindelijk heb ik dan een foto waar ze alledrie opstaan! Mét kleren aan én na 2 uur fotosjoppen allemaal hun ogen open!
Dat het met de belichting een beetje mis is gegaan vinden we juist leuk.

Dus, opa en oma, maak maar gauw even een stukje muur vrij, want binnenkort brengen we een foto mee. In een lijstje.

dinsdag 24 februari 2009

Een stukje jeugdsentiment of: Jeugdsentiment met stukjes

Ik stond naar het schap met de jam te staren. Want die was op, de jam. Net als de pindakaas.
En toen zag ik ze ineens staan, vanuit mijn ooghoek, en het water liep me in de mond. Gek is dat hè. Honderden keren loop je datzelfde gangpad op en neer zonder dat je iets opvalt en ineens is het daar en kun je er niet omheen. Sandwichspread. Ik zag de potjes met sandwichspread. En voor ik het wist lag er eentje in mijn kar. De gewone, naturel. Omdat ik me vaag kon herinneren dat die de lekkerste was.

Eenmaal thuis kon ik niet langer wachten. Ik ruimde niet eens eerst de boodschappen op, het moest nu! Meteen! Verse boterham uit de zak, mes pakken om mee te smeren, en KLAK, potje open.

Ooooja! Zó ruikt sandwichspread!
Hoppa, in één klap terug in de jaren 80. Want de laatste keer dat ik sandwichspread at was ik, denk ik, 13. Toen ik zelf ook nog lekker fris was, zeg maar. En lekker anders. (O nee, dat niet. Hoei nee: vooral niet opvallen.)
Met de geur kwam trouwens nog iets anders terug ook. Namelijk het besef dat ik het eigenlijk helemaal niet zo lekker vond vroeger, sandwichspread. Of sandwichkots, zoals mijn toenmalige vriendinnetje het indertijd noemde.

Maar ach, dat was toen, nu vond ik het vast heerlijk. En hoopvol nam ik een hap.
Jaaa! Lekker fris!!
En.....jaa, fris!
Maar dat was het dan ook wel. Want verder...mwah, smaakte het eigenlijk net als het rook. Naar het begin van de jaren 80. Een beetje saai. En een beetje zurig.

Misschien moet ik de volgende keer nog eens die andere proberen. Die met komkommer.

zondag 22 februari 2009

Museum

In het verzorgingscomplex waar mijn schoonouders wonen heerst nu ook al het Norovirus. En aangezien zij gelukkig zelf niet ziek doch wel in quarantaine zijn, konden we er vandaag niet naar toe.
Dus wat doe je dan op zo’n plotseling heerlijk lege zondagmiddag?
Je roept tegen je man en kinderen: “Kom man en kinderen, we gaan naar het museum!”
Omdat daar al maanden een expositie is, die je nog steeds niet hebt gezien.
En als de kinderen dan zeggen: "Bah, een museum, dat is toch heel saai," antwoord je: “Ja, dat is héél saai, maar we gaan lekker toch.”
En zo geschiedt.

De expositie in kwestie toont werken van J.W. Waterhouse, een eind 19e eeuwse Engelse schilder met een voorkeur voor mythologische taferelen. En toen bleek Bo - oh verbazing! - ineens wonderwel op de hoogte, sinds een schilderworkshopje van de BSO aan het begin van deze voorjaarsvakantie. En wist ze van elk schilderij het verhaal te vertellen, het ene nog dramatischer dan het andere.
“Deze vrouw (The Lady of Shallot, red.) gaat dood. Als de laatste kaars uitgaat zal zij haar laatste adem uitblazen.”
Ik bedoel maar.


En nadat we de hele Waterhouse-tentoonstelling bekeken hadden, ontvluchtten we de massa en gingen nog even kijken bij de expressionistische schilderijen van Armand Bouten.
Die toch nog meer mijn ding bleken.

zaterdag 21 februari 2009

Zijn hoofd

Er was een meisje aan de deur.
Of ik misschien een korte vragenlijst wilde invullen, in het kader van haar afstudeeronderzoek over wonen en woongenot.
Ja hoor, geef maar op; ik ben met zulke dingen de beroerdste niet. Dus ik ging tegenover Merlijn aan tafel zitten en gaf met kruisjes aan in welke mate ik tevreden was over de groenvoorzieningen in de buurt, mijn privacy, de afstand tot het winkelcentrum en het opleidingsniveau van mijn buren.
Tien minuten later drukte het meisje opnieuw op de bel, om de lijst weer op te halen.

“Wie was dat eigenlijk?” vroeg Merlijn, zonder op te kijken van zijn tekening.
“Iemand die bezig is met een onderzoek,” antwoordde ik.
“En?”
“Wat en?”
Had je ze?”
“Had ik wat?”
“Nou, luizen natuurlijk. Had je luizen?”
(..)
Ik krabde me maar eens achter de oren.

donderdag 19 februari 2009

Reserves aanvullen



Dat is wat wij deden vanmorgen. Want we waren er helemaal doorheen.
En nu hou ik op over poep.

Ik ga iets leuks doen.
Nieuwe laarzen kopen.
Bruine.

woensdag 18 februari 2009

Ziek

Ik was dus ziek. Net als Henk, en Merlijn. 4 dagen lang kakten we het glazuur uit de pot, om maar even met haar woorden te spreken.
En ja, natuurlijk weer net in de vakantie. Dus ik was chagrijnig! De enige die nog een glimlach op mijn gezicht kon toveren was de weegschaal. (En zegt u nou niet dat die kilo’s er zo weer aanzitten omdat ik alleen maar vocht ben kwijtgeraakt. Want dat weet ik heus wel is gewoon niet zo.)

Goed, ik was ziek. Maar pas echt ziek was het bericht dat ik maandagavond kreeg van een vriendin. Dat het hartje was gestopt. Van het kindje in haar buik.
En wat dit verdriet nog wranger maakt is dat zij en haar vriend een jaar geleden ook al een kindje verloren hebben. Er is toen een miskraam opgewekt, nadat een vlokkentest had uitgewezen dat er sprake was van een chromosomale afwijking en dat er geen levenskansen waren. En zo’n opgewekte miskraam, met 16 weken, dat is eigenlijk gewoon een bevalling. Van een veel te klein kindje. Dramatisch dus.

We waren samen zwanger destijds, ik een paar maanden verder. Dus toen ik haar ging troosten moest ik dat doen in al mijn blakende zwangerheid. Hoe trots ik ook was op mijn buik, ik had hem er zo graag even afgeschroefd voor mijn bezoekjes aan haar.
Zelf was ze ook het liefst meteen weer zwanger geworden. Om die vreselijke leegte in haar buik op te vullen. En om zich te wapenen tegen de moeilijke dagen die zouden komen: de geboorte van mijn kindje, de geboorte van de kindjes van haar andere zwangere vriendinnen, het aanbreken van haar eigen uitgerekende datum.
Maar zoiets laat zich helaas niet plannen.
Het duurde een hele tijd. Zo lang dat ze bang werd dat het nooit meer zou lukken.
Maar begin januari, precies een jaar nadat ze haar eerste positieve test deed, was ze dan toch weer zwanger.
En dit keer zou het allemaal goed gaan, natuurlijk. Vond ik. Want de afwijking van het eerste kindje was een ongelukkig toeval volgens de artsen en ze had ‘net zoveel kans als ieder ander om de volgende keer een gezond kindje te krijgen’.

En toen kwam afgelopen maandag dus die echo. Waar ze toch al zo zenuwachtig voor was, omdat het een jaar geleden ook bij die eerste echo was dat het vermoeden ontstond dat er iets mis was.

Ze zagen het meteen. Dat het hartje niet meer klopte. En waarschijnlijk nog maar sinds kort, gezien de groei.
Bèng.
En nu zit ze thuis, te wachten tot haar lichaam het afstoot.
Het is zo oneerlijk!
Ik wist gewoon echt niet wat ik moest zeggen.
Dus toen ben ik mijn drie kinderen maar heel, héél hard gaan knuffelen.
(Hopelijk heb ik daarmee mijn dochters niet alsnog besmet).

dinsdag 17 februari 2009

Diarreer-emmer



Dat lees ik nou dus altijd verkeerd.
Maar vannacht wou ik wel dat ik er een had gehad, voor naast het bed.


Norovirus schmorovirus.

zondag 15 februari 2009

Valentijn

Er stak een envelop uit de brievenbus gistermiddag. ‘Merlijn’ stond erop. En er zat iets diks in. Vast zijn handschoen, gevonden door een van de buren, dacht ik. Dus ik scheurde de envelop open. Het bleek een Valentijnsbriefje. Met daarop geplakt een boterhamzakje, gevuld met snoephartjes. Onderaan het briefje stond ‘Van: onbekent’. Natuurlijk.
Mijn zoon van 5 krijgt gewoon een Valentijnsbrief. Heb ik nooit gehad. Ja, wel eens een kaart van Henk. En van andere vriendjes, eerder. Maar nooit echt. Anoniem.

"Je hebt een Valentijnsbrief gekregen," zei ik, toen Merlijn even later de keuken binnenkwam.
“Van wie?” Vroeg Merlijn.
“Van onbekent,” zei ik.
“Waarom?”
“Zo moet dat met Valentijn.”
“O.”

Ik bestudeerde het briefje nogmaals, om te proberen wat wijzer te worden. Het was een prachtig handschrift. Minstens groep 3, eerder nog groep 4. Zeker geen kleuterschrift. “Misschien is ie wel van Marjolijn,” zei Bo. Marjolijn is een meisje uit de klas van Bo. “Want die is verliefd op hem.”
Oja? Had ze daar niet eerst even toestemming voor kunnen vragen, aan mij bijvoorbeeld?
“Hm,” schokschouderde Merlijn. Hij propte een handvol snoephartjes in zijn mond, gaf er twee aan Bo.
“Ik zal haar ook een kaart sturen,” besloot hij manmoedig. “Morgen. Dan is het toch nog steeds wel Valentijnsdag?”

Ja hoor, jongen. Everyday is Valentine’s day.
Voor jou.

(Hebben we hem nou achteraf toch de verkeerde naam gegeven?)

donderdag 12 februari 2009

267 dagen

Lois is bijna 9 maanden. Al net zo lang buiten mijn buik als ze er in heeft gezeten. Ongeveer, dacht ik. En toen ging ik eens even tellen. En rekenen. Met mijn agenda erbij. En het is echt te raar: Vandaag is het 267 dagen geleden dat Loïs werd geboren. En ze heeft ook precies 267 dagen in mijn buik gezeten! Vanaf de conceptie, dus echt precies. (Ja, ik weet toevallig wanneer dat was, de conceptie).

Het doet me denken aan dat andere bizarre toeval, met het geboortetijdstip.
Henk was in mijn laatste hoogzwangere weken heel erg druk geweest met een groot project van 3voor12 (van de vpro). Al tijden werd er hier in huis, behalve nog over de naderende geboorte, nergens anders over gepraat. Op de dag van de bevalling had Henk zelfs het t-shirt aan dat hij van 3voor12 had gekregen. En toen kwam Loïs ter wereld om.... 11.57 uur. 3 voor 12!

Dus toen hebben we het logo van 3voor12 nog snel toegevoegd aan het ontwerp van het geboortekaartje.
(Dat werd inderdaad door niemand begrepen. So what?)

woensdag 11 februari 2009

Wat is in een naam?

Handig, zo’n blogstafette. Als je even geen inspiratie hebt. Of geen zin om het te krijgen.
Her en der en daaro las ik verhalen over kinderen en hoe ze aan hun naam zijn gekomen. Hier volgt het mijne.

Bo heet eigenlijk Vera Bo. Ze is vernoemd naar twee vriendinnen, die allebei Vera als tweede naam hebben. En die beide deelgenoot waren van de ontdekking van mijn zwangerschap.
We zaten op een middag met z’n drieën ergens koffie te drinken. En op een bepaald moment zei Vera 1: “Ik ben ongesteld”. Vera 2 zei: “Ik moet naar de huisarts voor een uitstrijkje”. En, puur omdat ik ook iets gynaecologisch te melden wilde hebben, zei ik: “Ik ben zwanger”. Ik schrok er zelf van, want het was helemaal niet zo. Toch?
Ik was 4 jaar daarvoor al met de pil gestopt, om gezondheidsredenen. En al die tijd was er niets gebeurd. Ergens in mijn achterhoofd vond ik dat misschien wel een beetje raar, maar tegelijkertijd was mijn kinderwens nog niet dusdanig groot dat ik me zorgen maakte. Ik was er eigenlijk gewoon niet zo mee bezig.
De Vera’s staarden me aan met open mond. “Neenee,” zei ik, “grapje.”
Maar het bleek ineens wel leuk om over te fantaseren. Dus de rest van de middag verzonnen we namen. Hypothetisch. We bestelden nog een drankje, en nog een.
En daarna ging ik naar huis. En toen ik net thuis was ging de bel. Het waren Vera en Vera, met een zwangerschapstest. Die hadden ze gekocht, voor de grap. En of ik daar meteen even overheen wilde plassen, voor de grap. Dat deed ik. En toen verschenen er twee streepjes.
Waaah.

We zouden de baby dus Vera noemen, als het een meisje zou zijn. Maar na een maand of zeven kwam Henk ineens met Bo op de proppen. En dat vonden we ook heel leuk. Leuker. Vera kon ook best de tweede naam worden. Maar ja: B.V. Dat klonk niet goed. Alsof we een schildersbedrijf zouden krijgen, in plaats van een kindje. Dus toen hebben we het omgedraaid: V.B. (‘We noemen haar Bo’).
En dat gaat prima tot dusver. Alleen in officiële situaties en op een vliegticket heet ze Vera. Naar de eerste naam in haar paspoort.

Als Bo een jongen was geweest, hadden we haar hem Valentijn genoemd. En die naam kon best nog een ronde mee, vonden we, toen ik na een half jaar weer zwanger was. Maar hierom en omdat onze zoon, tot grote verbazing van de artsen, ondanks een strakke knoop in de navelstreng toch levend ter wereld kwam zeiden we: dit jongetje kan toveren en we noemen hem Merlijn.

Het verzinnen van de laatste naam had nog wel de meeste voeten in aarde. Althans, Loïs was op zich al heel vroeg bedacht, maar er waren nog wat problemen die respectievelijk terzijde geschoven en opgelost moesten worden. Want eigenlijk wilde ik liever een naam met een A erin. Vraag me niet waarom. Omdat we met z’n allen nog helemaal geen naam hadden met een A, ofzo. (Nu denk ik: In Vera zit toch een A? Wat zeurde ik nou? Zwanger, zeker.) Het andere probleem was dat Henk Nikki eigenlijk leuker vond. Maar toen werd Idols gewonnen door ene Nikki. En je kind noemen naar de winnaar van Idols, dat gaat natuurlijk niet! *vraagt zich af hoeveel kinderen vandaag de dag bijna 6 zijn en Jamai heten*
Dus het werd Loïs. En het klopt helemaal. Loïs is Loïs.

(Achteraf had ik het misschien (ik zeg misschien) nog leuker gevonden zonder trema op de i. Wie weet vergeten we het tweede stipje nog wel eens ergens. In een garderobe ofzo, samen met de paraplu.)

maandag 9 februari 2009

Over knievaldag en vrijdag de 13e

Of vriendinnetje J. mocht komen spelen, vroeg Merlijn, toen ik hem ophaalde van school.
Ja hoor, J. mocht komen spelen.
Bo had voor de verandering eens niemand op sleeptouw, dus liep ik naar huis met drie kinderen. Vier. Tijdens het haal- en brengritueel beschouw ik Loïs niet zozeer als kind als wel als accessoire. Sorry Loïs.
We hadden ons nog geen tien stappen van de school verwijderd of J. viel op haar knie. En moest huilen. Dus ik troostte. Twintig meter verder viel Merlijn ook op zijn knie. En moest ook huilen. Een heel klein beetje maar, want hij had duidelijk een eer hoog te houden, als enige man in het gezelschap.
Ik riep tegen de kinderen en tegen wie het verder nog kon horen: “pas op jongens, ik geloof dat het vandaag nationale op-je-knie-val-dag is!”, maar het mocht niet baten. Want nog voor we de hoek van de straat hadden bereikt was ook Bo gevallen. Op haar knie. En met bloed, dus het ergst.
Thuis hebben we er maar even een foto gemaakt, van al die zere knieën.
En na de foto wilde Bo ook nog een pleister. Tss.



Ik vond het toch op z’n minst opmerkelijk.
Ik bedoel, het is nog niet eens vrijdag de 13e.

Wist u trouwens dat
- als het in februari vrijdag de 13e is, het - mits het geen schrikkeljaar is - in maart opnieuw vrijdag de 13e is? En dan ook nog een keer in november?
- dit pas in 2015 weer gebeurt, en daarna pas in 2026?
- ik in 2026 al 55 word?
- vrijdag de 13e in sommige culturen juist als een geluksdag wordt gezien, althans voor vrouwen?
- ik dat ooit ergens gelezen heb en sindsdien altijd onthouden, maar het nu nergens meer kan vinden?
- een pathologische angst voor vrijdag de 13e paraskevidekatriafobie heet?
- friggatriskaidekafobie een nog zeldzamer woord voor diezelfde angst is?
- ik best begrijp dat u dit allemaal een zorg zal zijn?

Het was misschien leuker geweest als ik pas over vier dagen een logje had geschreven over vrijdag de 13e. Ja.
Maar weet u wat? Plaats ik dan gewoon een linkje. Naar hier. En dan leest u het gewoon weer niet nog een keer.

zondag 8 februari 2009

Vrouw Holland

(Ja, zo krijg ik dit blog wel vol.
Met gisteren alleen een fotootje.
En vandaag weer een filmpje.)

Vanavond ga ik naar een optreden van Vrouw Holland.
En dat is erg leuk, als je houdt van cabaret, mooie theaterliedjes en typische vrouwenhumor humor over dingen met een b (billen, borsten, bouwvakkers, bevallen). Ze toeren nog tot eind mei door Nederland. Dus ik dacht: ik maak even reclame.



Eén van de vrouwen, die ken ik. Actually. (Voor mijn enkele trouwe lezer: het is de moeder van vriendje T.)

zaterdag 7 februari 2009

Plaatje

Soms gebeurt het, doordat er twee camera’s in huis zijn en meerdere computers, dat er zomaar een foto aan je blik ontsnapt. Een prachtig plaatje, waarvan je het bestaan niet wist. Totdat het je bij toeval, of misschien omdat het zo moest zijn, ineens toch onder ogen komt.

Ik werd er in elk geval heel blij van.


Schoolfeest, 19 juni j.l.

vrijdag 6 februari 2009

Succes verzekerd

Zit u in de narigheid? In de sores, in de penarie? De oplossing ligt vaak gewoon binnen handbereik. Met het toepassen van wat ik noem de 'Methode van het toegevoegde probleem’.

Het werkt simpel. Heb je een probleem? Zorg dat je er een bij krijgt. Is iets kut rottig? Maak het kutter rottiger. Met, en dit is heel belangrijk, iets dat te herstellen is. Dat doe je dan vervolgens, dat herstellen, en voila: je aanvankelijke ellende lijkt ineens een stuk minder erg.
Is je koffer te zwaar? Mik er een paar bakstenen bij. Loos na honderd meter die bakstenen en je koffer is lichter dan ooit.
Futloos, bad hairday, ongesteld? Laat je natregenen. Trek dan droge kleren aan, föhn je haar en tadaa: stukken beter!

Je kunt natuurlijk ook alleen bedenken dat het allemaal nog erger kan. Dat heet dan relativeren ('denk aan de kindjes in Afrika'). Maar dat doet het bij mij nooit zo goed. Ik moet dingen altijd wat meer aan den lijve ervaren.

Nog een voorbeeld, wat actueler.
Stel. Je hebt het hartstikke druk, de stress staat je aan de lippen en daarbij zit je ook nog krap bij kas. Dit noem ik even de uitgangspositie. En die is niet ideaal.
En dan gaat nu de methode in werking, let op.
Stap 1. Voeg een probleem toe
Je zegt ja tegen een onmogelijk plan om op korte termijn op wintersport te gaan.
Dit leidt dan tot een nieuwe situatie: Nog meer stress, nog roder bij de bank, kortom: ellende.
Stap 2. Verwijder het laatst toegevoegde probleem
Je besluit alsnog om niet mee te gaan. Je beseft dat je irritant bent en biedt uitgebreid je excuses aan aan diegenen die zich in allerlei bochten hebben moeten wringen voor jou.
Resultaat: ineens zeeën van tijd, en een bak geld bespaard! (Die nieuwe laarzen/spijkerbroek/jurk waar je al maanden van droomt kun je nu gewoon gaan kopen!)

Goed hè.

(Edit zaterdag 7-2: Misschien was de titel 'Methode van het toegevoegde probleem' wel wat lang. Herhaaldelijk werd mij gisteren de volgende suggestie aan de hand gedaan: de 'Novy Methode'. I love the sound of that.)

donderdag 5 februari 2009

De gemiste en de gepakte kans

Het was misschien leuk geweest als ik vandaag wat had geschreven over Dirty Dancing. (U weet wel, dat dansvehikel met Patrick Swayze in zijn betere dagen.) Want die was weer eens op teevee, gisteravond. En ik had best een leuk verhaal te vertellen over die film. Over waar ik hem destijds gezien heb bijvoorbeeld, en met wie. En over wat we daarna deden.
Maar ja, kom er maar eens op. Ikke niet. Zij wel. Dus als u nou toch heel graag wilt weten waar ik Dirty Dancing zag, met wie, en wat we daarna deden, dan kan ik u verwijzen naar mijn reactie op haar stukje, voor de beknopte versie.

En onderwijl gooi ik het hier gewoon even over een andere boeg.
Wist u al dat wij (misschien) op wintersport gaan in de krokusvakantie?
Nee, dat kan ook bijna niet, want ik wist het zelf nog niet eens, tot een uur geleden. Want toen belde vriendin M.
En die zei dat ze met een heleboel mensen een heel groot huis hadden gehuurd. In Winterberg. En dat er (misschien) nog plaats was in dat huis. Voor ons, als we zouden willen.
En toen heb ik zomaar ja gezegd.
Ik dacht, ik grijp die kans!
Want joehoe! Eindelijk weer eens op de lange latten, na 15 jaar! Kijken of ik het nog kan! Aan Bo en Merlijn laten zien hoe échte sneeuw eruit ziet! En hun vader als die stuntelend in een berg tiefschnee verdwijnt! Hyper-enthousiast stuiterde ik door de kamer.


Maar nu word ik ineens ook een beetje zenuwachtig. Want het is al over 10 dagen. En ik heb een opdracht die nu dus nog eerder af moet. En we hebben helemaal geen skispullen. Echt niet. De kinderen hebben geeneens handschoenen, sinds ze die zijn verloren. En ik ga natuurlijk niet in mijn leren jas de berg af. We moeten winterbanden hebben, want die zijn verplicht in Duitsland.
Er is ineens zoveel dat ik moet regelen!

U begrijpt, mijn hoop is stiekem een beetje gevestigd op het tussenvoegseltje: misschien.

(Wordt vervolgd)

woensdag 4 februari 2009

Onder mijn oksel



Loïs is 8 maanden en wordt een beetje eenkennig.
Dat schijnt normaal te zijn voor kindjes tussen de 6 en 9 maanden, maar voor mij is het nieuw. Want Bo en Merlijn hebben het allebei overgeslagen, die eenkennigheidfase.
Vanaf het moment dat hun ogen de wereld enigszins in focus hadden, waren ze dol op mensen. Ieder gezicht, bekend of onbekend, dat boven de kinderwagen verscheen, werd met een grote lach ontvangen.
En zo zijn ze nog steeds. Zo gauw iemand een voet over onze drempel zet - dat kan dus ook prima de postbode zijn, of zomaar iemand die iets komt afleveren of ophalen - duiken ze er bovenop. Nieuw vlees in de kuip, jeuh! (Wie ben jij? hoe heet je? Blijf je eten straks? Wil je mijn kamer zien? Zal ik mijn Peter Pan pak aantrekken? En wil jij dan Tinkerbell zijn?)
Zo lopen we elke dag opnieuw het risico dat onze vriendenkring wordt uitgebreid met dees’ of geen, door de interventie van Bo en Merlijn. Al jaren horen we bijna dagelijks dingen als: “Wat een ontzettend leuke spontane kinderen hebben jullie! Zo open!”

En nou komt het waarschijnlijk doordat ik het dus op deze manier gewend was, maar ik hád het er eerlijk gezegd nooit zo mee. Met van die kinderen die achter de benen van hun moeder wegkruipen. Met van die verlegen kinderen die nooit wat terugzeggen als je tegen ze praat. Een beetje sneu vond ik het zelfs. Het zal je kind maar wezen, dacht ik.

Maar nu hebben we Loïs.
En Loïs vindt vreemde mensen dus helemaal drie keer niks.
De oma’s en opa, die kent ze. En de buurvrouw, die gaat nog net. Maar verder, nee hoor. Je moet het als vage kennis echt niet in je hoofd halen om haar op te pakken, of zelfs maar oogcontact te zoeken. Want ze zet het op een krijsen.

En ik vind het toch leuk! Ik vind het toch schattig! Mijn moederhart zwelt van trots als ze zich onder mijn oksel probeert te verstoppen wanneer ik iemand begroet met haar op mijn arm.
Mijn kind. Ik ben de mama. Dat iedereen het even weet.

Leuk hè, apenliefde.

zondag 1 februari 2009

Een babymaillot met konijntjes en de maffia

Het contrast kan niet veel groter.
Gisteren had ik van iemand een tas met babykleertjes gekregen. En tussen die kleertjes zat een werkelijk gewéldig maillootje, blauw met konijnen. Daar stopte ik vanmorgen de lieve beentjes van ons meisje in.
Ik zeg: briljant!



En daarna ging ik naar het filmfestival.
Om een film te kijken.
Welke film, dat wist ik nog niet. Dat had ik aan vriendin R. overgelaten, die ook de kaartjes had gekocht.
Maar ik dacht: filmfestival. Ik dacht: cultfilms. Frans, misschien Spaans. Een klein ingetogen verhaal over gewone mensen. Mooie beelden, mooie muziek. Genieten.
Dat dacht ik.

We gingen naar Gomorra.
En over Gomorra had ik toevallig al iets gelezen. Dat de film is gebaseerd op het gelijknamige boek, over de bloedstollende praktijken van de Camorra, de maffia in Napels, die zich niet alleen met drugs en wapens bezighoudt, maar ook met couture en met het vreselijke afvalprobleem in Zuid-Italië.
En dat de journalist die dat boek heeft geschreven vandaag de dag een van de meest bedreigde mensen in Italië is.

Nou, ik snap nu waarom hoor.
En ook wat dat betekent.
Mijn. Hemel.
Wat een narigheid op de zondagochtend, zo net na het ontbijt.

(Als er kinderen meekijken over uw schouder, laat de play-knop dan maar even voor wat ie is. Misschien sowieso wel beter.)




Serieus: het is een hele goede film. En het is ook heel goed dat hij is gemaakt, denk ik. Maar na afloop wilde ik nog maar één ding: zo snel mogelijk naar huis. Om de voetjes van mijn dochter te knuffelen.