zaterdag 27 december 2014

Van de vinger en de speld

Had ik de grap al verteld van de vrouw die haar vinger tussen de achterklep van haar auto kreeg? Omdat ze er in een vlaag van verstandsverbijstering vanuit ging dat hij die de klep dichtgooide wel zou zien dat ze nog even haar hand naar binnen stak om een omvallende tas recht te zetten? In het donker, langs een drukke weg in de stromende regen?
Ja.
Nou, dat deed dus pijn. Best wel.

Maar goed, hij zat er nog aan, de vinger, dus om hij die de klep dichtgooide zich niet al te lullig te laten voelen – en niet in de stress te brengen; hij die de klep dichtgooide was namelijk een opdrachtgever die me net gevraagd had een heleboel voor hem te gaan typen – kermde ik zo wat, maar reed toch dapper en grappend met hem door de avondspits naar het zwembad met achterin twee kindjes.
(Ik had een werkbespreking bedacht op de tribune bij de zwemles van mijn jongste dochter en haar vriendinnetje. Om een en ander wat te combineren. Dat lijkt misschien een beetje gek, maar in het licht van de onwaarschijnlijke hectiek van de laatste weken voor de kerstvakantie, lag het echt alleszins voor de hand.)

Maar goed, die vinger dus, die deed goed pijn. Werd ook meteen blauw en dik.

Inmiddels is dit ruim twee weken geleden.
Het doet niet echt pijn meer, behalve – en dan helaas ook meteen heel erg – als ik per ongeluk met mijn knokkel iets aanraak. Of als ik per ongeluk iets te stevig vastpak.
En ook al ben ik voorzichtig, het gebeurt toch steeds.
Gemiddeld 10 keer per dag ga ik 2 minuten lang het liefst dood.
En als ik naar buiten ga, en het is koud, dan wordt een heel gedeelte van mijn vinger spierwit.
Het is een 'vegetatieve ontregeling als gevolg van het trauma,' zegt de fysiotherapeut.
Bij wie ik overigens was voor mijn schouder, die ook pijn doet. Al maanden.
Haha.

Maar ik zie het maar zo: kan ik vast een beetje oefenen voor als ik straks misschien die knokkelkoorts oploop, of hoe heet die stomme ziekte.

Want ik ga natuurlijk gewoon hè, naar Curaçao. Duh.

De strijd om de beslissing werd uiteindelijk beslecht door een bizarre psychologische kronkel waar ik op stuitte.
Kijk.
De mensen met wie ik daar ga zijn en werken, die gaan namelijk gewoon wel.
En als ik zou besluiten om niet te gaan – naar dat lekker warme eiland in de Caraïben waar ik al heel lang dolgraag eens naartoe wil – dan zou ik waarschijnlijk best balen als ik naderhand zou horen: ‘Nou, niemand ziek geworden hoor en bijna geen mug gezien. Je had gewoon mee moeten gaan.’
Maar keer dat om, dan zou ik dus in feite hopen dat in elk geval een van hen ziek terug zou komen...? Om me bevestigd te zien in mijn keuze?

Dat vond ik zo’n onthutsende gedachte!
Dat zou me een heel naar mens maken! 

Dus daarom ga ik.
Ik kan er zelf geen speld tussen krijgen.


Een mooie jaarwisseling gewenst!
Tot volgend jaar!

woensdag 17 december 2014

Chikungunya


Ik heb een nieuw woordje geleerd! Chikungunya.
Het lijkt eerst een beetje moeilijk, maar als je het een keer of honderd hebt uitgesproken gaat het best.
Tsjie-koen-koen-ja.

Ik had er nooit van gehoord.
Tot iemand me dit nieuwsbericht stuurde, gisteren.




Dit heb ik weer, dacht ik.
Want ik ga namelijk over tien dagen naar Curaçao. (Voor mijn werk!)

Ik ging ook eens naar Hawaii en toen vroeg iemand een week voor mijn vertrek of ik wel wist dat Noord Korea een atoombom op Hawaii wilde gooien.
Toen dacht ik ook: dat heb ik weer.

Nou was dat met die bom destijds alleszins meegevallen, dus ik besloot in eerste instantie dat het met die tijgermug ook wel zou loslopen.

Maar vandaag ging ik me toch maar even wat meer in verdiepen in de toestand en werd daar niet vrolijk van: de toeristenbranche probeert een en ander nog wat te verdoezelen, maar fokking bijna iedereen is ziek daaro! Of wordt het binnenkort.
Bijna al die klotemuggen dragen dat virus bij zich.
Dus als je geprikt wordt ben je de lul.
Oftewel, zoals het in plaatje hieronder staat geschreven, dan ben je 'flink aan de beurt'.



Misschien vindt u het zeikerig, maar ik ben nogal bang voor ziek.
Ik kreeg eens een keer eerder een virus en lag vervolgens zeven jaar in bed.

Dus stel nou dat ik dit krijg – en dat is zeker niet ondenkbaar – en dat het dan ook meteen weer heel erg wordt (dat zul je namelijk weer net zien) en dat ik dan een jaar lang met vreselijke gewrichtspijn rondloop en weet ik veel wat voor andere shit. 
Dat zou toch minstens niet tof zijn! Want hoe moet dat dan? Ik heb geen baas bij wie ik me ziek kan melden. Ik heb als mini-zelfstandige geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. En wel drie kinderen, die me momenteel nogal hard nodig hebben.

Los daarvan: Hoe leuk ga ik het daar hebben? Als ik de hele dag bang moet zijn dat ik geprikt word?
Staat zo'n verblijf dan niet in het teken van de muggenparanoia?
Het beest steekt overdag dus er wordt aangeraden om tussen 11 en 17 uur bedekkende kleding en dichte schoenen te dragen.

Even kijken.
Ik ga naar Curaçao en neem mee: mijn bikini, een snorkel, zomerjurkjes en slippers. bedekkende kleding en dichte schoenen.

En je moet je de hele dag insmeren! Met eucalyptusolie. En deet.
(Daarmee komt het ineens weer goed uit dat je geen slippers mag dragen, want deet eet plastic! Zoiets las ik, vandaag, enfin.)

Ik las veel.
Alles wat ik maar kon vinden over Chikungunya.
Horror stories voornamelijk, over helse pijn en jeuk en koorts en maandenlange ellende.
En ook een paar geruststellender berichten als stel je niet aan, kom lekker genieten en zorg gewoon dat je niet geprikt wordt.
Ik las dat de universiteit van Wageningen heeft ontdekt hoe het virus werkt, over kruidenvrouwtjes die papajabladeren gebruiken als alternatief medicijn en ook heel veel horror stories, over helse pijn en jeuk en koorts en maandenlange ellende.

 Zucht. Wat moet ik nou weer doen dan.

woensdag 26 november 2014

Canto Ostinato

Als ik niet in de jaren 70/80 op school had gezeten maar nu, dan was ik ongetwijfeld gediagnosticeerd geweest met ADHD.
Of met ADD in elk geval.
En dan had ik wellicht aan de Ritalin of iets dergelijks gezeten en had ik vast niet zo’n boeiend geestesleven gehad. (Ahum.)

Nee, onzin natuurlijk, maar ik heb inderdaad wel een beetje een lastig hoofd, dat moeite heeft met concentreren en makkelijk afgeleid raakt – en dan met name door interne processen.

Ook schijn ik regelmatig op mensen over te komen als vluchtig en ongeïnteresseerd.
En dat ís niet zo, ik ben wel degelijk (juist!) geïnteresseerd in mensen en hun verhalen, maar ik heb blijkbaar een nogal snelle processor: als iemand iets vertelt heb ik heel gauw het plaatje compleet; ik snap het, het is me duidelijk, dus hop, door met het volgende.
En dat resulteert er soms letterlijk in dat ik midden in een gesprek over iets anders begin, of – nog erger – me omdraai om met iemand anders te gaan praten.
Sinds mensen me hierop hebben gewezen probeer ik er bewust rekening mee te houden. Door gewoon wat langer aandacht te veinzen.

Zo bestaat mijn dagelijkse leven uit nog heel wat meer kunstgrepen.
Twintig jaar geleden ontdekte ik de Canto Ostinato, van Simeon ten Holt. Voor wie het niet kent; het is een moderne, minimalistische pianocompositie voor twee (of vier) piano’s met een nogal koppig (obstinaat) repeterend ritme dat stug vijfenzeventig minuten doorgaat - althans, op mijn cd. (Sinds zaterdag weet ik dat het stuk een variabele lengte heeft van één uur tot enkele uren, afhankelijk van hoe lang de pianisten in bepaalde secties blijven hangen.)

De Canto Ostinato is mijn ultieme 'lifehack'.
Hij is in staat om mijn gedachtenstromen te temperen, als ik dat zelf niet voor elkaar krijg, bijvoorbeeld in periodes van emotionele stress. Het is alsof het stuk precies het ritme heeft van mijn hersengolven, maar dan tegengesteld, als een soort anti-trilling, waardoor rust ontstaat.
Okee, dat klinkt tamelijk bullshitty, maar het is een feit dat als ik die muziek aanzet, ik ineens kan focussen. En dat kan heel handig zijn, als er – ik noem maar wat – geld verdiend moet worden met schrijven.


Afgelopen zaterdag heb ik de Canto Ostinato voor het eerst live gehoord en gezien.
In een prachtige kerk in Diever, waar hij werd gespeeld door Philine Coops en Afke Wiersma.
Ik gebruik het woord 'magisch' niet graag voor dingen die niets met toverij te maken hebben, maar dit was magisch.

Twee prachtige glimmende vleugels, midden in de kerk, die de klanken verspreidden die ik zo goed ken en waar ik zo van hou.

Ik voelde me bijna een beetje schuldig; ik was eigenlijk vergeten hoe het was om er met volle aandacht naar te luisteren, nadat ik het de afgelopen honderd keer slechts had gebruikt als onrust-demper. Ik was vergeten wat een hypnotiserende trip het is, hoe het me door allerlei emoties trekt en me uiteindelijk als herboren, of hoe zeg je dat, gereinigd, achterlaat.

(Dit maakt me een ‘onderbuikse’ muziekgenieter, volgens Emanuel Overbeeke, die over de Canto zegt: ‘Dit is muziek voor overwegend twijfelende en sterk met de onderbuik voelende wezens, die eerder ontroering dan esthetiek zoeken, meer dan voor ‘bovenbuikse’ kunstgenieters.’ Nou, goed dan. (Haha: een twijfelend wezen.))

Visueel was het overigens ook fantastisch. Omdat de compositie veel vrijheid laat aan de musici (die zelf mogen bepalen waar ze accenten leggen, of ze bepaalde delen met één of twee handen spelen, maar ook hoe ze met herhalingen omgaan en waar de overgangen worden gemaakt) staat of valt de uitvoering met de communicatie tussen de pianisten. Die communicatie verloopt grotendeels via de muziek zelf, maar wordt aangevuld met minimaal oogcontact en hoofdbewegingen. Fascinerend. Sowieso al, om naar mensen te kijken die met een soort marathon bezig zijn, in opperste concentratie, bij wie je de spanning en ontspanning afwisselend over het gezicht ziet trekken – en soms zelfs verbazing; omdat er blijkbaar iets ontstond wat nog niet eerder gebeurde.


Ik was zo in vervoering, dat ik gewoon even naar adem moest happen toen na bijna twee uur het abrupte einde klonk.

En toen barstte een applaus los, van wel tien minuten. Een staande ovatie, door mensen die van pure verrukking opsprongen omdat ze gewoonweg niet kónden blijven zitten. (Om even het verschil aan te geven met de min of meer obligate staande ovatie die tegenwoordig de norm lijkt te zijn geworden in theaters.)


Het was een van de mooiste muzikale ervaringen van mijn leven.
Dus daarom, ook al denkt u waarschijnlijk mens, wat zit je nou toch lyrisch te wauwelen over een pianoconcert, moest ik het toch maar even vertellen.


woensdag 19 november 2014

Een kijkje achter de schermen van een handelsmerk


Achteraf zou je kunnen zeggen dat de dag dat mijn fiets gestolen werd, acht jaar geleden, mijn geluksdag was.

Uiteraard vond ik dat eerst niet. Integendeel: ik was woedend! En dat werd nog erger toen ik in een steegje verderop de kinderzitjes terugvond, netjes gedemonteerd en wel.
Een fiets van een moeder jatten, tsk! Stelletje eikels.
Ik ben hem nog gaan zoeken in de stad, tegen beter weten in. En toen ik me erbij had neergelegd dat ik hem niet meer zou terugvinden, bedacht ik een list.
Omdenken heet dat tegenwoordig.
De dief had me een prachtige kans gegeven: ik mocht nu op zoek naar een leukere fiets. (Wat niet zo moeilijk was, want ook al was het gestolen object dan zo'n fancy 'mamafiets', het was eigenlijk maar een lelijk ding.)

Ik had nog geen idee hoe mijn leukere fiets eruit zou moeten zien, maar de volgende dag vond ik hem.
Tegen de gevel van de fietsenwinkel stond een groot, rood gevaarte met een stalen mand voorop met daarin een enorme plant. Als een soort uithangbord. Winkelpui-versiering.
'Ja,' zei ik. 'Die.'
'Jij bent gek,' zei Henk.
Gelukkig zag de meneer van de fietsenwinkel dat het menens was en was hij bereid de plant eruit te tillen en zijn decorstuk aan mij te verkopen.
Een waarachtig mooie daad: het was namelijk het begin van een grote liefde.


Mijn fiets is mijn logo geworden. Mijn handelsmerk.
Zowel op internet als in het fysieke leven.
Nog steeds, bijna dagelijks, wijzen mensen ernaar op straat, maken leuke opmerkingen of staan uitgebreid foto's te maken als ik even een winkel in ben geweest. (Dat heb ik serieus al drie keer beleefd en het waren elke keer Duitsers. Ik weet niet of dat iets betekent.)
En ja, dat blijft leuk. Ook al vind ik mijn fiets dan, hoewel nog steeds fantastisch, inmiddels doodnormaal; ik heb hem al acht jaar, tenslotte.

Naast leuk, is hij met name reuze handig. Zo is de ijzeren mand bijvoorbeeld bijna even groot als een winkelwagentje, zodat je in de supermarkt altijd weet hoeveel je kunt hamsteren. Bovendien kan ik er een, twee, drie, vier kindjes op vervoeren. En dat komt goed uit, met al die vriendinnetjes van Loïs.
Mijn fiets is een onmisbaar element in mijn leven.
Ik begrijp echt niet hoe andere mensen – mensen zonder mijn fiets – de dingen gedaan krijgen.

En er zijn meer voordelen! Ik kan hem altijd vinden. Ik ben hem nooit kwijt, bij de bioscoop of het zwembad.
En hij wordt nooit gestolen. Dat is tenminste tot nu toe gebleken. Ik heb besloten dat dat komt doordat hij A) loodzwaar is, B) nogal opvalt en C)  er op het eerste gezicht niet uitziet als iets waar je op durft te fietsen.


Een ode aan mijn fiets, in foto's.
Oftewel: Mijn fiets, door de jaren heen.


Merlijn, 3 jaar oud, slapend.
Maxicosi
Boodschappen
Boodschappen + kind

bike wash


winterbanden
Picknicken
Bezoek van de dokter


 En eigenlijk zijn dit de leukste foto's: waarop mijn fiets stiekem aan het photobomben is.








maandag 10 november 2014

Over een camper, een stommiteit en een dochter met humor




Ik deed weer eens iets doms.
Twee maanden geleden al, maar ik had nog geen zin om erover te vertellen, omdat ik hardnekkig in de ontkenning zat.
Inmiddels is het zo goed als opgelost, dus nu dan toch maar. Geen leuker vermaak dan leedvermaak, tenslotte.


Ik had een camper geleend, om mee naar een festival in een bos in Drenthe te rijden.
De camper was niet voor mij, maar voor hem en haar en hun kleine baby'tje.

(Zelf sliep ik in een mini-tentje ernaast. En de laatste twee nachten in onze eigen Volvo, toen mijn gezin zich bij me had gevoegd. Wat eigenlijk ook een fantastische kampeerwagen is, zo'n Volvo. Waarin gewoon twee matjes in de volle lengte naast elkaar kunnen liggen, als je de achterbank plat legt. Maar dit terzijde.)

Ik verbleef dus niet in de camper, maar mocht er wel in rijden! En dat is leuk, joh!
Zo'n rijdend huisje, met een keukentje en een bed, staat garant voor een instant vakantiegevoel.

Er was me natuurlijk van alles uitgelegd. Over de elektra, de werking van het kraantje, hoe het dak omhoog moest, het bed uitgeklapt, enzovoort. En ik had heel goed opgelet; het was namelijk hartstikke lief dat ik die camper zomaar mocht lenen, ik wilde er heel voorzichtig mee zijn.
En het ging ook allemaal heel goed!

Tot op de terugweg.
Toen we stopten om te tanken.

Context-informatie: Ik was erg blij en gelukkig en nog behoorlijk onder de indruk en in de ban van een geweldig leuk en mooi festival. Ik zweefde, zogezegd.

Ik zweefde dus naar buiten, draaide de tankdop open, stak het dieselpistool naar binnen en kneep erin.
Gek.
Er gebeurde niets; de meter ging niet lopen.
Dus ik kneep nog maar eens.
Niets.

Toen viel mijn oog op nóg een tankdop.
Kut, dacht ik.
En kwam met een klap terug op aarde.
Snel herstelde ik mijn fout, schroefde de juiste dop open en terwijl bij het tanken nu wél de meter ging lopen, dacht ik koortsachtig na.
Dan was die andere vast van het water.
Ja, ik wist het weer. De grijze dop, die was van de watertank.

Paniek en ontkenning vochten om voorrang.
Het is vast niet zo erg, hield ik mezelf rustig. Er is vast niets in het water terechtgekomen. Of in elk geval niet meer dan een klein beetje; het tanken lukte immers niet.
Maar tegelijkertijd snapte ik natuurlijk heus wel dat, ook al ging het maar om één druppel, het hartstikke mis was. Want diesel, dat is vreselijk vies vettig rotspul.
Ruikt ook nogal sterk.
Wil je niet in je drinkwater.

(Zeg nou zelf, het ís toch ook ingewikkeld!)

De ontkenning won. Nipt, maar desalniettemin. Ik weigerde gewoon om het mooie festival te laten bezoedelen!
Ik zou dat varkentje gewoon even wassen. Gewoon even door de zure appel heen bijten; bij het retourneren van de camper eerlijk opbiechten wat er is gebeurd, beloven dat het goed komt en het dan gewoon even oplossen.

Oplossen begint tegenwoordig bij Google.
(En je vindt er nog gratis troost ook! Want als je ziet dat er discussieplatforms bestaan met titels als: 'Diesel in de watertank van de camper. Wat nu?' dan weet je dat je niet de enige sukkel bent.)
Ik leerde dat er meerdere remedies waren, te weten:
- Iets heel duurs, dat volgens de gebruikersrecensies heel goed werkte;
- Iets veel goedkopers, dat volgens de gebruikersrecensies ook heel goed werkte;
- Steradent.

Ik voelde onmiddellijk voor de Steradent (zoals een wijs mens ooit zei: 'De beste oplossingen voor een probleem binnen een bepaald vakgebied zijn vaak te vinden in een ander vakgebied,') maar besloot in overleg met de eigenaar van de camper eerst de officiële (niet zo dure) watertankreiniger te proberen.
Ik bestelde een flesje, dat na een paar dagen werd bezorgd, en in het eerstvolgende weekend haalde ik de camper op en gingen we voortvarend aan de slag. (We, ja. Want Henk ging me vanzelfsprekend helpen. In voor- en tegenspoed, hè. In gemeenschap van goederen én stommiteiten.)

Het procedé was simpel. Gewoon het flesje leeggieten in een driekwart gevulde watertank en dan een eindje gaan rijden. Beetje veel remmen en optrekken en scherpe bochten maken en voilà: alles brandschoon. Like magic.

Ik had zo mijn twijfels.
Want terwijl we de tank hadden laten leeglopen op de stoep voor ons huis, waren we erachter gekomen dat er misschien toch een beetje méér diesel in het water zat dan die ene druppel waarop ik had gehoopt.
Maar, wie weet.

We gingen dus een eindje rijden, Bo en ik.
Eerst vijf rondjes rond de rotonde (ik kon de neiging onderdrukken om daarna nog vijf rondjes in de andere richting te rijden) en toen de stad uit.
En ook al had ik een hard hoofd in de effectiviteit van de expeditie, het was opnieuw leuk om met de camper op pad te zijn. We waren weer even op vakantie, ditmaal in het Groninger Ommeland. Met een heel nostalgisch cassettebandje van Van Dik Hout in de autoradio.


Hierna werd het trouwens allengs minder.
Na een paar uur kwamen we terug en lieten – immer nog hopend op een wonder – de tank leeglopen.
Helaas: we tapten nog steeds dieselwater.
Optimistisch besloten we nog dat alles heus goed zou komen als we gewoon nog een paar keer de tank zouden doorspoelen en toen …… deed ineens het kraantje het niet meer.
De pomp had het begeven.
Natuurlijk.
Zo gaan die dingen.
De moed zonk me in de schoenen.

Ik keek naar die camper, die al de hele dag op de stoep stond, naar de tuinslang door het huis naar de kraan in de keuken… alles was nat en stonk naar diesel…. en na een hele dag klooien was alles alleen maar erger geworden. (En ik had eerlijk gezegd ook nog een beetje een kater, want het was de dag na het verjaardagsfeest van Henk.)

Net toen ik overwoog om een zenuwinzinking te krijgen, redde Bo het moment met de opmerking: 'Misschien moeten we Petrus Campersingel veranderen in Petrus Campersingel.'

Haha.

Als je een dochter hebt met humor, dan hoef je nooit ergens bang voor te zijn.
Dus ik herpakte mezelf en we gaven niet op.
We (we = Henk) demonteerden de watertank om het project rustig voort te zetten in de badkamer. Waar we uiteindelijk de diesellucht bedwongen met… Steradent.


(Het is best grappig, trouwens, 30 buisjes Steradent kopen bij de supermarkt. En dat de kassière dan gewoon, met een stalen gezicht, 30 keer bliep doet. Zonder iets te vragen.)






Eergisteren haalde ik de camper weer op en plaatsten we de tank terug.
Nu alleen nog even een nieuw pompje bestellen en klaar.
Hèhè.
Pff.


(Misschien hadden we Loïs meteen vanaf het begin de leiding moeten geven.)

Je zou denken dat ik inmiddels geen camper meer kan zien.
Maar integendeel, ik wil nu eigenlijk zelf een camper.
Ik woon niet voor niets aan de Petrus Campersingel.
En ik weet ook al in welk gat de diesel moet.

dinsdag 28 oktober 2014

Het magazijn


Vorige week waren we in Amsterdam voor de cursus Leer mediteren in 1 dag, van Robert Bridgeman, een bijzondere man met een bijzonder verhaal, die op een totaal niet goeroe-achtige manier zijn ervaring, kennis en inzichten deelt.

We hadden hem leren kennen op een festival in het bos in Drenthe, vorige maand. Eigenlijk bij toeval belandden we daar bij hem in een sessie; een bijna letterlijk mindblowing experience, waarbij ik – hoe zal ik het zeggen – een glimp heb opgevangen van wat er mogelijk is; waar geest en lichaam toe in staat zijn.

(Bridgeman zelf beklom dit jaar samen met Wim Hof (The Iceman) en een groep patiënten van allerlei pluimage, de Kilimanjaro. In een korte broek, met ontbloot bovenlijf en binnen 48 uur. Zonder te bevriezen van de kou (-20˚ C is het daar boven) en zonder last te krijgen van hoogteziekte, dankzij meditatie en bepaalde ademhalingstechnieken. Ik bedoel, dat is best opmerkelijk, toch?)

Omdat een aantal enthousiast geworden mensen waaronder Henk en ik hier meer van wilden weten, besloten we met z’n allen naar die dag in Amsterdam te gaan.
(En dat is best grappig, als je weet dat ik tot voor kort iemand was die alleen al van het woord yoga de slappe lach kreeg – wat dat betreft ben ik een echte Nederlander, het schijnt namelijk dat Nederland het land op de wereld is met het hoogste wantrouwen jegens meditatie en aanverwante zaken.)

Inmiddels weet ik: meditatie is helemaal niet zweverig.
Integendeel. De zegen komt niet van boven, maar van binnen.
Het gaat erom dat je bewust wordt van je lichaam en je brein. Van de processen die er zich afspelen. En dan is het uiteindelijk de bedoeling dat je zo ver naar binnen gaat dat je eenheid ervaart. Met alles. (Maar dat is voor gevorderden.)
Waar het in principe om gaat is het volgende (en dat is tevens de definitie van 'mindfulness'):

Volledig aanwezig zijn in het nu,
zonder oordeel, aandacht geven aan wat er gebeurt.

Aanwezig zijn in het nu, dat doe je in eerste instantie door je te concentreren op je ademhaling. Dat is een handige truc, want gedachten hebben vaak betrekking op het verleden of de toekomst, maar ademen doe je altijd ‘nu’.
En ik dacht dus altijd dat je vervolgens je hoofd moest leegmaken.
En dat leek me zo’n gedoe!
Ik zou dan de hele tijd gaan zitten denken over het leegmaken van mijn hoofd.
(‘Ojee, nou denk ik weer dat ik niet mag denken dat ik denk’, dat idee.)
Maar gelukkig heb ik nu geleerd: Je mag best denken, want ja: denken is er nou eenmaal.
Het gaat er alleen om dat je een gedachte herkent als zodanig, denkt: Hee, een gedachte! en haar vervolgens weer loslaat en terugkeert naar je ademhaling.
En dan schijnt het dus zo te zijn dat je na enige oefening gedachtes al kan zien aankomen voor je ze daadwerkelijk hebt en dat ze uiteindelijk – maar dat is voor échte gevorderden – helemaal verdwijnen tijdens het mediteren.

Het logo van de Bridgeman Methode is de olifant. Die staat symbool voor het onderbewuste; dat grote ding, dat 95% van je brein uitmaakt, en waar je gevoelens en verlangens zitten. Dit limbisch systeem – een oeroud systeem; primitieve zoogdieren in de prehistorie hadden het al – is in feite maar op één ding ingesteld: genot zoeken en pijn vermijden. En dat genot zoeken en pijn vermijden willen we nog steeds, maar omdat we inmiddels ook een ontwikkelde cortex bezitten, kunnen we nadenken en andere beslissingen maken, omdat we bijvoorbeeld weten dat nu genot zoeken niet handig is voor later. (De olifant wil een pak chocoladekoekjes leegeten, maar je doet het niet omdat je weet dat je dan straks misselijk bent.)

Ik ben over het algemeen veel te soft voor mijn olifant. Ik mag van mezelf drinken en roken en ik hoef niet te sporten en niet zo vaak te stofzuigen.
En ik dacht altijd dat dat gewoon lui en dom was, maar het zit dus anders: ik geef mijn olifant gewoon teveel zijn zin. En waarom doe ik dat eigenlijk? Ik ben toch de baas?

Nja, als ik het zo opschrijf is het nogal een open deur, maar de metafoor maakte het ineens zo inzichtelijk!

Met meditatie train je dus onder andere om je olifant de baas te worden. (En niet met de zweep, maar liefdevol. Want je houdt natuurlijk van je olifant: het is jouw olifant tenslotte. En het is net als met een huisdier; een opgevoede hond is een veel leukere hond.)
Tijdens het mediteren zit je heel lang in één houding.
En dat is ergens best ongemakkelijk, vooral in het begin.
Er komt altijd een moment dat je denkt: Au, ik krijg pijn in mijn rug. Of: mijn voet ligt niet lekker. 
Dan wil je eigenlijk gaan verzitten. Oftewel: je olifant (pijn vermijden!) wil dat je gaat verzitten.
Maar dat hoef je niet te doen! Nee! Je kunt ook gewoon denken: Hee, ik heb pijn in mijn rug. Er is pijn. Dat mag er zijn.
Of je krijgt ineens kriebel aan je wang. Je olifant wil dat je gaat krabben. Maar dat hoeft niet! Je kunt ook gewoon denken: Hee, er is jeuk. Dat mag er zijn. (Dat magazijn, versta ik steeds.)

Maar goed. Het is dus nu de bedoeling dat we het geleerde in praktijk gaan brengen. Thuis. Volgens een vierweeks programma, om mee te beginnen.
Om elkaar wat te motiveren hebben we een whatsapp-groep opgericht.
En tsja.
Hoe zal ik het zeggen: de anderen doen het iets beter dan ik.
Ik heb nogal een sterke olifant, denk ik. En die heeft helemaal geen zin om een kwartier stil te zitten. Ik heb al vier van de negen dagen overgeslagen.
En als ik het wel braaf deed, bereikte het niet helemaal het juiste doel, geloof ik. Want als het belletje gaat en je je bij het openen van je ogen realiseert dat je heerlijk een kwartier hebt zitten nadenken over wat je allemaal nog moet doen, dan gaat er iets niet helemaal goed.
Haha.
Het zal nog even duren eer ik verlicht ben, vrees ik.


Maar vanochtend was ik bij de mondhygiëniste. En terwijl ik achterover lag in de stoel besloot ik maar eens wat te oefenen met het een en ander.
Ik concentreerde me op mijn ademhaling. Op het rijzen en dalen van mijn buik.
Ik probeerde volledig aanwezig te zijn in het 'nu'.
En zonder oordeel, aandacht te geven aan wat er gebeurde.

Dus toen de mondhygiëniste haar haakje op een bepaald moment wel erg diep in mijn tandvlees stak, dacht ik: hee, er is pijn. Maar dat mag er zijn!
En toen ze even daarna haar zuigapparaat zo diep achter in mijn keel stak dat het een kokhalsreflex opwekte, dacht ik: hee, een kokhalsreflex! Daar hoef ik niks mee. Het mag er zijn!

donderdag 23 oktober 2014

Hoe ik ruzie kreeg met mijn moeder over Zwarte Piet


Ik was afgelopen maandag met de kinderen op bezoek bij mijn moeder en bladerde door de Volkskrant. Dat doe ik altijd als ik daar ben; ik vind het fijn om af en toe nog eens door een krant te bladeren, nu ik thuis het nieuws alleen online lees.

Mijn oog viel op een column van René Cuperus, met de titel: 'Zwarte Piet vermoordt Sinterklaas.' Verdorie, dacht ik. Daar gaat iemand met mijn grapje aan de haal.
Hetzelfde zinnetje had ik pas ook bedacht, namelijk. Het had een leuke blogtitel kunnen zijn, als ik niet had besloten niets over Zwarte Piet en die hele toestand te schrijven.

Want wat zou het toevoegen. Alles is er inmiddels wel over gezegd. Alle argumenten en drogredenen zijn voorbij gekomen, historici hebben zich ermee bemoeid en BN-ers en onpartijdige allochtonen, er zijn Kamervragen geweest, er zijn (letterlijk) misselijkmakende compromissen bedacht in de vorm van stroopwafelpieten, iedere mogelijke woordspeling is gemaakt (al zie ik helaas weinig gesodemijter langs komen), het is een herhaling van zetten.
En het heeft allemaal geen zin.

Nico Dijkshoorn deed in DWDD nog een dappere poging de focus te verleggen, wat érg leuk was – ik blijf voor me zien hoe Nico z’n knie kapot valt – maar minstens zo vergeefs.
Het komt niet meer goed. We zitten in een impasse.
Een patstelling, waar voorlopig geen beweging meer in te krijgen is.
Cuperus besluit zijn overigens scherpe analyse met de oplossing: Makkers staakt uw wild geraas. Als slotzinnetje geslaagd, maar inhoudelijk een beetje te makkelijk: het geraas gaat natuurlijk niet gestaakt worden.
En zeker niet meer voor december.

‘De wereld staat in brand, er is Ebola en IS en wij maken ons hier een beetje druk om de kleur van een fantasiefiguur.’ Dat vind ik ook nogal een dooddoener, eerlijk gezegd.
Het klopt, het ís bizar, maar intussen hebben we er wel last van!
De middenstand zit met de handen in het haar, een heleboel ouders van kleine kinderen weten het ook allemaal niet meer zo goed, en onschuldig is het al lang niet meer: lees maar eens de reacties onder een willekeurig artikel over het onderwerp, dan kun je griezelen!
Er komen ineens een heleboel onderhuidse gevoelens van medelanders aan het licht.
Tot voor kort had Zwarte Piet niets met discriminatie te maken; het overgrote deel van de Sinterklaasvierende Nederlanders – waaronder ik - was zich daar althans niet van bewust. Maar inmiddels legt ie wel als een soort excuusnegertje het smeulend racisme in ons land bloot.

Zwarte Piet heeft zijn onschuld verloren. De Zwarte Piet van vóór de discussie had van mij best mogen blijven, maar de lading die hij onderhand heeft gekregen maakt dat ie wat mij betreft nu weg moet.
(Het is geloof ik nog simpeler: er komt zoveel lelijke, ongenuanceerde schreeuwerigheid uit het pro-kamp, daar wil ik gewoon niet bij horen.)

Hoe de meningen verdeeld zijn laat zich overigens niet makkelijk voorspellen, heb ik gemerkt.
Mijn gewoonte om op het gebied van normen, waarden en overtuigingen de mensheid grofweg in te delen in ‘OSM’ en ‘hullie’ gaat ineens niet op in deze. Het is misschien niet heel sterk, maar als ik een mening ben toegedaan, dan word ik daarin graag bevestigd door mijn 'peergroup' – en ik kwam al een paar keer bedrogen uit.
Toen ik hoorde dat de Hema Zwarte Piet in de ban ging doen dacht ik: Mooi. Ik hou van de Hema, de Hema denkt er net zo over als ik, dus de wereld klopt.
De pro-Zwarte Piet-column van Herman Sandman, een schrijver wiens stukjes ik graag lees omdat hij een ‘mooie kijk op de mensen en de dingen heeft', bracht die wereld weer aan het wankelen.


Maar het ging nog veel dichterbij mis.


‘Nah,’ zei ik. ‘Daar gaat iemand met mijn grapje aan de haal. Zwarte Piet vermoordt Sinterklaas. Dat had ik ook bedacht.’

‘Ja, belachelijk, hè,’ zei mijn moeder. 'Dat gedoe.'
‘Ja,’ zei ik. Nietsvermoedend.
En toen kwam het.
‘Zwarte Piet heeft toch helemaal niets met slavernij te maken!’
‘Huh?’ zei ik. ‘Natuurlijk heeft zwarte Piet wel met slavernij te maken! Niet bewust met racisme ofzo, maar écht wel met slavernij!’
En toen kregen we een ordinaire ruzie.
Waarbij het Suikerfeest ook nog om de hoek kwam kijken (‘Mam! Hallo? Het zijn niet de moslims die zich gediscrimineerd voelen, maar de mensen met Afrikaanse roots.’) en ik haar adviseerde om vooral maar op Wilders te gaan stemmen en zij logischerwijs boos werd omdat ik haar rechts noemde want ze las heus een linkse krant en ‘Sylvia Witteman is ook niet anti-Zwarte Piet’ (‘Nou, op Twitter anders wel!’) etc. Nja, het was niet heel elegant allemaal.

Maar ik stond ook echt perplex! Niet eens zozeer omdat we het meestal wel redelijk met elkaar eens zijn en nu ineens niet, maar vanwege het vuur waarmee ze Zwarte Piet verdedigde!
Terwijl ik me niet bepaald kan herinneren dat het Sinterklaasfeest in ons gezin vroeger nou zo’n big deal was. Ja hoor, we vierden pakjesavond en ik zette mijn schoen, maar dat was het dan wel.
(Ik ben Sinterklaas pas echt leuk gaan vinden in mijn studententijd – mijn hoogtijdagen op het gebied van surprises en gedichten.) 


‘Waarom was je nou zo boos op oma?’ vroegen de kinderen in de auto terug.
‘Omdat ik oma nog serieus neem, jongens.’
En dat vond ik best een goed antwoord, maar tegelijkertijd ook een beetje arrogant.
Want eigenlijk was het gewoon stom.
Wie gaat er nou ruzie maken over Zwarte Piet.
(...)

Sorry, mam.


donderdag 2 oktober 2014

Voorlezen


Het is Kinderboekenweek en vanuit groep 3 kwam de vraag wie er in de klas wilde komen voorlezen. En aangezien ik sinds ik me het super-schoolmoederschap heb laten ontglippen in een constante staat van wroeging en schuldgevoel verkeer, vulde ik als eerste mijn naam in op het lijstje. 

Morgen ga ik dus voorlezen, in de klas van Loïs.
Uit Bibi’s Bijzondere Beestenboek, van Bibi Dumon Tak, had ik bedacht.
Dat blijft immers het allerleukste boek om uit voor te lezen.


Achteraf bleek het een heel goede zet om me hiervoor aan te melden. Dan kan ik mooi nog even oefenen; inmiddels weet ik namelijk dat ik dinsdag óók moet voorlezen.
Maar dan op een podium, met een microfoon, voor een zaal vol grote mensen.
Onder wie Gerdi Verbeet.

Aan haar (leuk méns, hè?) wordt die dag het eerste exemplaar van een boek aangeboden: Anders werken – 50 verhalen over sociale innovatie, samengesteld door Aukje Nauta, Guurtje van Sloten en Cristel van de Ven, organisatiepsychologen bij Factor Vijf.

Terwijl ik me achter de schermen wat met dat boek aan het bemoeien was, kreeg ik de vraag om zelf ook een bijdrage in te sturen. Dat deed ik – want ik had best iets te melden over anders werken – en mijn bijdrage werd geselecteerd. Dat vond ik al hartstikke leuk en ik besloot dat ik naar de uitreiking zou gaan, in Maarssen.

Gisteren kreeg ik een mail met het verzoek of ik, naast nog 2 of 3 andere coauteurs, mijn verhaal wilde voorlezen tijdens de boekpresentatie.
Nee! Dacht ik. Nee, help! Ik ga écht niet op een podium mijn verhaal vertellen, dat durf ik helemaal niet!
Dus ik mailde terug: ‘Ja, natuurlijk wil ik dat. Hartstikke leuk!’

Nja. Zo doe ik het altijd maar.

Als ze mijn verhaal niet leuk vinden kan ik altijd nog een stukje uit Bibi’s Bijzondere Beestenboek voordragen.




dinsdag 30 september 2014

Een nieuwe mantra


Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. 

Ik heb een nieuwe mantra.

Hij werkt goed, moet ik zeggen.
Gelukkig maar, want ik heb ook een puber.
We hebben een puber.
In huis. Ineens.
Komt het door de middelbare school?
Of slaan de hormonen gewoon plotseling toe?
Ja, dat laatste natuurlijk.
Dat gebeurt nou eenmaal dan. Als je twaalf, richting dertien bent.

Ik weet nog hoe het was, toen ik zelf in de brugklas zat.

Helaas helpt dat niet.

Toen ik baby’s kreeg wist ik zelf niet meer hoe het was om zelf een baby te zijn; aan je eigen babytijd bewaar je nou eenmaal geen herinneringen. Ik heb niet onthouden hoe het voelt om een luier om te krijgen.
Toen mijn kinderen naar de basisschool gingen tastte ik wat eigen ervaring betreft ook nog redelijk in het duister; hoe het voelde om vier te zijn wist ik ook niet meer, op enkele flarden na.
Nu mijn dochter twaalf is weet ik nog heel goed hoe het was om zelf twaalf te zijn.

Naarmate de tijd verstrijkt kom je dus in je beleving steeds dichter bij je kind.
Maar tegelijkertijd begrijp je er steeds minder van! 

Dat noem ik: de paradox van het grootbrengen.


Afgelopen zondag heb ik ‘een eerste keer’ meegemaakt.
Ik was naar de supermarkt geweest, vlakbij de circusvereniging waar Bo op dat moment aan het trainen was voor haar voorstelling (die op 2 november in première gaat in de Oosterpoort, voor de liefhebber).
Ik dacht: ik ga even kijken. (Wat, buiten dat het me gewoon leuk leek om een stukje van de repetitie te zien, ook heus verantwoord was, aangezien ik in het bestuur zit en er dus best iets te zoeken heb.)

Ik glipte de zaal in, nam plaats op een bankje naast de trainster en keek mee naar hoe de regisseur met de groep bezig was.
Na een minuut of tien, tijdens een scènewisseling, kwam mijn dochter naar me toe en siste tegen me: 'What the fuck doe jij hier!'

What the fuck doe jij hier.
Dat zei ze.
Ik was, serieus, totaal verbluft.
Met name ook omdat het het eerste was dat ze tegen me zei, nadat ik haar twee dagen niet had gezien omdat ze bij een vriendinnetje had gelogeerd.

'Ehm,' mummelde ik.

'Dit is toch gewoon hartstikke gênánt!' siste ze verder.
'"Kijk Bo, daar is je moeder," zeiden ze allemaal. Ik schaam me dóód.'

Joh.
Ja, ik schaamde me ook voor mijn ouders vroeger. Natuurlijk.
Maar dat was…. ánders…. toch?


Gisteren kwam ze thuis met twee mini-behaatjes. Had ze van een vriendin gekregen.
'Dus,’ zei ik, quasi beledigd, 'nu heb je me dat bijzondere moment, samen met mijn dochter naar de stad om haar eerste behaatje te kopen, door de neus geboord?'
De ironie ontging haar, uiteraard.
'Doe niet zo kínderachtig, mam!'

Pff. Het is begonnen.

En iets zegt me dat dit voorlopig wel eens het laatste logje over mijn oudste dochter kon zijn geweest. 

zaterdag 27 september 2014

Novy Zonder Naam


Ik heet Yvon, hoewel sommige mensen me Novy noemen. Dat is mijn eigen schuld, want toen ik op een bepaald moment in een opwelling een blog begon en even snel een alias moest verzinnen, draaide ik uit gemakzucht mijn naam om. Me niet realiserend dat zo’n pseudoniem vervolgens een heel eigen leven zou gaan leiden en mijn identiteit mede zou gaan bepalen.
Maar ik vind het prima, hoor.
Novy of Yvon, het maakt me niets uit, ik luister naar allebei.
En geschreven zie ik nauwelijks het verschil.
Dus.


Maar dan. De achternaam.
Ik héb geen achternaam.
Okee, ik ga momenteel door het leven als Mekkring.
Maar dat is de naam van Henk.
En die van de kinderen.
Dat we allemaal hetzelfde heten is reuze handig, zeg ik altijd. (Maar ik weet eigenlijk niet precies waarvoor.)

Ooit had ik natuurlijk wel een eigen achternaam.
Om eerlijk te zijn; die staat nog steeds op mijn paspoort, maar dat laat ik uiteraard nooit aan iemand zien, behalve op Schiphol.

Het is namelijk een vreselijke naam.
Echt. Ik ben zoveel gepest om mijn achternaam!
En volkomen terecht ook.

Wat niet meehielp: we verhuisden nogal vaak in mijn kinderjaren, waardoor ik me telkens opnieuw moest voorstellen op nieuwe scholen en bij nieuwe sportclubjes.
Náchtmerries had ik ervan.
De lachsalvo’s die steevast volgden op het noemen van mijn naam.

Soms probeerde ik het moment te vermijden door een en ander wat binnensmonds te mompelen, maar daar werd het alleen maar erger van, want dan riep er altijd wel iemand: ‘Yvon wát?’ en dan moest ik het nog een keer zeggen, maar nu heel luid en met ieders volle aandacht.
Haha.
Hoe zal ik het zeggen, met zo'n introductie heb je geen afwijkende uiterlijke kenmerken meer nodig. 

Wat haatte ik mijn naam!
Zoals andere kinderen misschien droomden dat ze kleinere voeten hadden of dunner waren, of net zulke mooie zwarte krullen hadden als Anita, of beter konden rekenen of van de hoge duikplank durfden, wenste ik ’s avonds in bed vurig dat ik gewoon Van Dijk heette.


Ik heb me er wel mee gered hoor, ik had ook weinig keus, maar toen op mijn vijfentwintigste duidelijk werd dat mijn vader mijn vader niet was – iets wat ik zelf altijd al had vermoed – heb ik stante pede afstand gedaan van de naam.
Weg ermee.
Het kwam heel goed uit dat ik toevallig de volgende dag ging trouwen; ik nam gewoon de naam van mijn echtgenoot.

Mekkring.
Heel eerlijk: dat vind ik ook niks.
Voor mij.
Het pást niet bij me.
Maar ja.
Het is allicht anoniemer.


Mijn echte, ‘biologische’, vader heette Hazeleger. Zo had ik dus kunnen heten.
Dat had ik best leuk gevonden.
Hazeleger is óók een rare naam, maar wel leuk raar.
Rabbit-army, zei mijn halfzusje vroeger altijd, toen we kinderen waren en ik nog niet wist dat ze mijn zusje was.


Mijn moeder heet Van Apeldoorn. Dat is eigenlijk de beste naam van allemaal.
Maar Yvon van Apeldoorn? Ik weet het niet. Dat vind ik ook weer gek. Te chic.


Ik ging maar het liefst achternaamloos door het leven.
Met Mekkring voor de situaties waarin men nou eenmaal een achternaam moet hebben.





Als je een encyclopedie hebt geschreven, bijvoorbeeld.
Sorry, slightly off topic, maar het blijft leuk: wereldwijd word ik in online bookstores vermeld als de auteur van de Larousse Wijn Encyclopedie. Wat natuurlijk kolder is, maar gezien de hoeveel bloed, zweet en tranen die de inhoudelijke redactie me heeft gekost, ook weer niet helemáál onterecht... (ik ben nog steeds benieuwd of iemand mijn naam nou eigenlijk per ongeluk of expres naar voren heeft geschoven.)

Het is trouwens best een mooi boek.
Heel dik ook.
En zwaar.
Met heel veel informatie.
Misschien een leuk idee voor Sinterklaas onder de kerstboom, straks?
Ik geef maar een tip.
En geheel belangeloos hè: ik krijg geen royalties.


Edit 29-9: Bizar. Ik wist het niet, maar op de dag dat ik dit schreef overleed mijn naamgenoot, de 'oom die mijn oom niet bleek te zijn', Ik heb hem nog eens geïnterviewd, in 1992. KLIK

woensdag 3 september 2014

Het is best een riskante onderneming om je kind een naam te geven


Er stond heel groot ISIS op de muur van de school geschreven. Met stoepkrijt.
Ik schrok.
En meteen daarna realiseerde ik me: Oja, er zit een Isis in groep 6.
En toen zag ik ook het hartje naast haar naam.
Er zitten hier heus geen ISIS sympathisanten op school, gekkie. 

Bovendien heet ISIS tegenwoordig IS.
Het blijft even gruwelijk wat ze doen, maar toch: fijn voor de Isissen op deze wereld.
Want ik moet bekennen dat ik de laatste tijd een kleine steek van medelijden voelde als ik de moeder van Isis zag, op het plein.
Zo heb ik het ook een tijd een beetje zielig gevonden voor mensen die Joran heetten.
En als iemand zich voorstelt als Martijn, moet ik altijd eerst even door die pedoclub heen.
(Zoals er, maar dat is van een wat andere orde, nog steeds als ik hoor dat iemand Tina heet, onwillekeurig door mijn hoofd schiet: ‘Was kosten die Kondome?’)

Het is, als je erover nadenkt, best een riskante onderneming om je kind een naam te geven.

Uiteraard: geen weldenkend mens noemt zijn kind Adolf.
Dat mag geloof ik zelfs niet, in Nederland.
Maar je kunt geen rekening houden met wat er gebeurt, nádat je de geboorte van je kind bij de burgerlijke stand hebt gemeld!
Je noemt je schattige baby’tje Tristan, en een paar jaar later schiet ene Tristan van der V het publiek van een winkelcentrum aan flarden.
Wel, gódver!

Je zwarte Suzuki kun je nog verkopen, of overspuiten, maar je kind een andere naam geven omdat er van de ene op de andere dag een (breed maatschappelijk gedragen) nare associatie aan kleeft, dat doe je niet snel.

Dus wat doe je dan wel, als ouder, in zo’n geval?
Of wat doe je zelf, als je eigen naam in meer of mindere mate bezoedeld wordt?
Dan sta je daar bóven.

Natuurlijk.
Want duh.

Daarom hoef ik ook geen medelijden met de moeder van Isis te hebben.
Dat is zelfs redelijk aanmatigend, goed bekeken.


En daar dacht ik zo eens wat over na.

zondag 24 augustus 2014

Heeft u alles kunnen vinden?


Het was zo’n tweeëneenhalf jaar geleden dat het kassameisje van de Etos ineens aan mij vroeg toen ik wilde afrekenen: ‘Heeft u alles kunnen vinden?’
Ik gok dat ik toen iets heb geantwoord als: ‘Ja hoor.’
En misschien dacht ik: goh, wat vriendelijk.

Maar heel gek: de daaropvolgende keren dat ik bij de Etos was, gebeurde het opnieuw. Verschillende caissières, hetzelfde zinnetje.
Ik besefte: dat moeten ze tegenwoordig zeggen, van de marketingafdeling.


Omdat ik me van dit soort dingen altijd wat ongemakkelijk ga voelen – ik weet niet precies waarom, ik denk dat het een vorm van plaatsvervangende schaamte is – probeerde ik het voor mezelf maar een beetje leuk te maken, door er telkens anders op te reageren.
Om de kassameisjes een beetje te fucken. Door verwarring te zaaien.
(Ik schep een verontrustend genoegen in verwarring zaaien.)


‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Ja, álles.’ (Met een knikje naar het eenzame doosje paracetamol voor me op de toonbank.)

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nou, alles, alles… … alles is wel heel veel hè?’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee. Alleen dit.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee, helemaal niet. Wat zijn jullie slecht gesorteerd zeg. Ik ga de volgende keer naar de DA.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee. Ik wilde ook nog graag shampoo, lippenstift, vitaminepillen en pleisters. Maar dat kon ik allemaal niet vinden en ik durfde er niet naar te vragen. Dus wat fijn dat je erover begint.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nou….. het antwoord op de vraag: "Wat is de zin van het leven?" zag ik nergens. Is dat uitverkocht, of kijk ik in het verkeerde gangpad? Ik dacht, het ligt vast in de buurt van de babyvoeding, of niet?’

Haha. Dat is niet waar hoor. Dat laatste heb ik nooit gezegd. Zelfs mijn irritant-zijn kent grenzen.
Bovendien, hoe simpeler hoe leuker, heb ik gemerkt:

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Hoezo?’ 

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Wat bedoel je precies?’


Inmiddels is de lol eraf.
En kan ik er eigenlijk gewoon niet meer tegen.
Als ik mijn mandje op de toonbank heb gezet moet ik uit alle macht de impuls onderdrukken om mijn vingers in mijn oren te stoppen en heel hard LALALALALALA te zingen.

Want ik wil het niet meer horen.

Ik ben oprecht bang dat ik me op een dag niet meer kan beheersen en roep: ‘JA KUTTEKOP, IK HEB ALLES KUNNEN VINDEN! ZO MOEILIJK IS HET ALLEMAAL NIET! EN ALS IK IETS NIET HAD KUNNEN VINDEN DAN WAS JIJ DE EERSTE DIE HET HAD GEHOORD!’

Dat zou zielig zijn.
En het lijkt me al zo zielig, om zo’n ‘scripted job’ te hebben.
Waarbij tot in de kleinste details wordt voorgeschreven hoe je je werk moet doen, wat je aan moet en wanneer je wat wel en niet mag zeggen. En waarbij geen enkele eigen inbreng wordt gewaardeerd.
Misschien zie ik het verkeerd, maar dat is volgens mij de doodsteek voor je werkplezier.

En wat ik shocking vind: het dient blijkbaar een doel!
Want anders zouden ze het niet nog steeds doen, na tweeëneenhalf jaar.
Het werkt, dat kan niet anders. Uit de cijfers blijkt dat door het stellen van de vraag: ‘Heeft u alles kunnen vinden?’ de omzet is gestegen.

Daar kun je een aantal schrikbarende conclusies uit trekken.

  • Het gebeurt dus best vaak dat mensen iets niet kunnen vinden in de Etos. 
  • Het gebeurt best vaak dat als mensen iets niet kunnen vinden in de Etos, ze dit niet uit zichzelf durven te zeggen tegen het winkelpersoneel.
  • Dit gebeurt zelfs zo vaak, dat de onvermijdelijke omzetdaling door het ergeren van je klanten (ik ga vanaf nu naar de DA, waar ik nog gewoon lekker zelf mag weten of ik alles heb kunnen vinden), niet opweegt tegen de omzetstijging door het ergeren van je klanten. 


Wat ik ook shocking vind is dat de gemiddelde winkelwerknemer zo volgzaam is.
Ik zou het na drie keer al niet meer uit mijn strot kunnen krijgen.
Ik zou me steeds willen verontschuldigen. (‘Heeft u alles kunnen vinden? – ja het spijt me, dat vroeg ik de vorige keer waarschijnlijk ook op dezelfde manier, maar dat moet nou eenmaal.’) 
Ik denk dat ik een button op mijn blauw gestreepte Etos-blouse zou spelden. Met de tekst:
Alles wat ik zeg en doe is me opgedragen door mijn baas, op straffe van ontslag. 
And he’s watching us.

Wat ik trouwens wél een leuke vraag zou vinden voor een drogisterijmedewerker – vroeger hoorde je dat nog wel eens – is: ‘Wilt u een dropje?’

dinsdag 19 augustus 2014

Een naheffingsaanslag


We hadden een bekeuring, vorige week.
Heel klassiek: er zat een bon onder de ruitenwisser van de auto. 
Gewoon voor ons eigen huis.
We wonen in een betaald-parkeren wijk en daarom hebben we een parkeervergunning: een kaartje van de gemeente, waar we een jaarlijks bedrag voor betalen en dat tegen de voorruit van de auto zit geplakt, zodat het goed te zien is voor een eventuele parkeerwachter.

Nou wil de situatie, dat náást onze parkeervergunning nóg een kaartje zit. Een zogenaamde bezoekerspas. Dat is een tweede kaartje, waarmee je 16 uur per week gratis je visite een parkeerplek mag aanbieden in de buurt. Je kunt de kaart aan- en afmelden per telefoon of internet.

Het betreft hier overigens niet onze eigen bezoekerspas (logisch ook, want je bent eigenlijk zelden bij jezelf op visite), maar die van (de parkeerzone van) mijn moeder. Die blijft vaak achter in onze auto, omdat wij eigenlijk de enigen zijn die er gebruik van maken.

Inducerend: wat is er gebeurd? De parkeerwachter keek met zijn neus, focuste zich alleen op de bezoekerspas, scande deze met zijn scanner en constateerde dat ie niet was aangemeld.

Dat durf ik tenminste op te maken uit de tekst op de bon:

Bezoekerspas niet aangemeld.

(Nee, sufferd. En bovendien van een andere wijk!) 

Heel even dacht ik nog naïef: ik bel wel even.
Maar dat kan natuurlijk niet. Bellen over een bekeuring. Gekkie.

Dus – zucht (gedoe weer) – schreef ik een bezwaarschrift.
Dat kan gelukkig tegenwoordig online, door gewoon een formuliertje in te vullen.
(En ergens ook een beetje helaas, want ik vind het dan ook wel weer leuk om volledig los te gaan in zo’n brief. Als het dan toch moet.)

Toen viel mijn oog op het zinnetje onderaan de bon.

Het indienen van een bezwaarschrift houdt niet in dat u uitstel van betaling heeft.

Ja, dacht ik, dat snap ik wel, dat het niet handig is, om telkens een bezwaarprocedure te moeten afwachten, maar hoe verhoudt zich dit eigenlijk met onze rechtsstaat?
Innocent-until-proven-guilty?
Kijk. Ik kan heus die €59,80 wel even voorschieten.
Ik krijg het vast wel weer eens terug.

Maar trek dit nou eens door naar de doodstraf?
Okee, hebben we niet in Nederland, verkeerd voorbeeld, maar toch, voor het plaatje:

‘Ik zie dat u bezwaar heeft gemaakt. U zegt dat u onschuldig bent en daar bewijzen voor heeft, en u heeft misschien best een sterk punt, maar hangende het onderzoek hakken we toch vast even uw hoofd af. Blijkt later dat u inderdaad in uw recht stond, dan sturen we het naar uw huisadres.’ 

Daarom heet zo’n parkeerboete natuurlijk: 'naheffingsaanslag'.
Dat klinkt veel minder alsof het een straf is.

Ik ontving hem vandaag trouwens al, de naheffingsaanslag.
En opnieuw was ik verbaasd over het onderste zinnetje:

Het bedrag dat op de acceptgiro staat vermeld moet direct na ontvangst van de acceptgiro worden voldaan. 

Wuh?
Diréct?
Ik betaal nooit een rekening direct.
En al helemaal niet als ik er zo weinig zin in heb als nu.

Wat is er gebeurd met de minimale betalingstermijn van 30 dagen?
Die geldt dus blijkbaar niet tussen private personen en de overheid?

Nah.

Ze staan gewoon boven de wet, die gemeentelui.
Daar hoor je nou nooit eens iemand over.

maandag 11 augustus 2014

Schoolspullen kopen


Misschien had ik nattigheid moeten voelen toen ik het berichtje las van een vriendin wier dochter ook over twee weken aan de middelbare school begint. ('Vanmiddag schoolspullen gekocht met Vera. Totaal kapot nu.')
Maar ik was naïef en dacht: hoeveel gedoe zou het nou helemaal zijn?
Zo'n paar van die dingetjes kopen?
Gewoon even het lijstje dat we van de school hebben gekregen afwerken?


'Het mag zeker niet bij de Action hè?' informeerde ik nog even voor de zekerheid.
Nee, het mocht niet bij de Action.
We moesten naar de V&D.
Naar de schoolcampus. Natuurlijk.


Wat een crime.
Ik had weer eens iets danig onderschat, zo bleek.


'Zoek jij even een etui en een paar leuke mappen uit, dan doe ik de saaie dingen wel,' begon ik voortvarend en griste nonchalant een geodriehoek uit een rek.
Wat ook meteen het enige item van de lijst was dat ik op die manier nonchalant kon grissen. Daarna werd het al lastig: zou ik het 3h potlood nemen met de rode achterkant, of die met de groene? Dat moest ik toch eerst even met Bo overleggen.

Maar die had intussen eigen problemen.
‘Hoe kan ik nou ooit kiezen uit drieduizend etuis!' riep ze vertwijfeld, toen ze mij in haar gangpad ontwaarde.
Het arme kind. Behept met haar moeders onvermogen tot beslissen.
En misschien moet het ook allemaal niet onderschat worden hè; de importantie van het selecteren van de juiste schoolspullen. Je hebt er tenslotte een heel imago mee neer te zetten.


Goed, om kort te gaan, twee uur later stapten we met een volle V&D-tas de rugzakkenwinkel binnen.
Die hadden we tot het laatst bewaard.
Ik ging er maar even bij zitten. En keek toe hoe mijn dochter onverwacht doortastend de keuze vrij snel terugbracht tot twee exemplaren.
Dat schiet op, dacht ik nog.
Maar vervolgens zat het muurvast.
Geen beweging meer in te krijgen.

Het was het moment om een hulplijn in te schakelen.
Ik maakte een foto van de twee rugzakken, plaatste hem op Facebook en nog geen vijf minuten later kon ik melden: 'Facebook zegt links. Die met de sterren.'



Het is zo makkelijk.
Dat internet.
Of je het nou leuk vindt of niet, het verandert alles.
Voorgoed.
De muziekindustrie, de boekenmarkt, de hotelbusiness, het bankwezen. Alles.
Alles ís al veranderd.


Behalve het onderwijs dan.


Ja, sorry; eigenlijk was het hele stuk hierboven slechts de opmaat naar iets anders. Ik heb namelijk ergens een probleem mee. Ik hou helemaal niet van moeilijk doen, maar er druist momenteel iets heel erg tegen mijn gezond verstand in.

Naast de geodriehoek, de passer, de etui, de rekenmachine, de pennen, kleurpotloden, viltstiften en 23-rings multomappen stonden er nog een aantal dingen op het lijstje.
Zoals: een drietal woordenboeken. 
En: de 54ste druk van de Grote Geïllustreerde Bosatlas (à €70).

Pfff. Woordenboeken? Een atlas?

Ik heb serieus een paar maanden geleden, ten tijde van de verhuizing, al mijn woordenboeken naar de kringloop gebracht. Allemaal.
Ja, want wat een ballast in de kast, zeg. Waar je nooit iets mee doet.
En ik kan dat weten, want ik gebruik namelijk heel vaak woordenboeken.
Voor vertalingen. En om te weten of een bepaald zelfstandig naamwoord vrouwelijk dan wel mannelijk is, teneinde het juiste betrekkelijk voornaamwoord op te schrijven. En om synoniemen te vinden als ik niet drie keer hetzelfde woord wil gebruiken in een zin.
Echt: ik gebruik heel vaak woordenboeken.
Maar dan wel: ONLINE woordenboeken.
Duh! Het is 2014!

Het alfabetisch bladeren in een woordenboek is een uitstervende vaardigheid.
Waarom zouden we die onze kinderen in de godsnaam nog moeten leren?
Uit misplaatste nostalgie?
Of voor als er straks ineens geen internet meer is?
Haha.
Haha.

Om het over die atlas nog maar helemaal niet te hebben. Want wie van beneden de 80 haalt het nog in zijn hoofd om op te zoeken waar Vladivostok ligt in een fokking átlas?
Daar hebben we toch al lang google maps voor!
Dat wisten mijn kinderen al toen ze drie waren.

Een atlas is een totaal achterhaald medium.
Tegen de tijd dat de nieuwste druk in de winkel ligt heeft er zich alweer ergens een staatje afgescheiden of is er juist weer iets geannexeerd of heeft een nieuwe naam gekregen.....

'Jaja, onderbrak Bo me. 'Maar in de klas heb ik toch geen computer?'

Oké, daar had ze een punt.
En ik dacht: Waarom hebben we niet toch voor die 'laptopschool' gekozen?
En daarna dacht ik: Waarom zijn alle middelbare scholen tegenwoordig geen 'laptopscholen'?

Want…want….. het onderwijs moet kinderen toch klaarstomen voor de maatschappij? Sterker nog: een generatie opleiden die straks de maatschappij draaiend moet houden?
Dan zou het onderwijs toch juist vooróp moeten lopen?
En toch vooral niet achter de feiten aan?

Hallo? Iemand?


Ik capituleerde uiteraard (‘Bo Mekkring, waar is jouw woordenboek?’ ‘Ehm, ik mag geen woordenboeken kopen van mijn moeder, mevrouw.’ Nee. Haha. Dat kan niet.) en stond uiteindelijk toch met de Van Dales bij de kassa.

Maar die atlas? Ik vertik het.
Als ze echt zo’n ding nodig heeft dan gebruikt ze mijn exemplaar maar, uit 1983.
Die is gedateerd, ja.
Maar dat is de 54ste druk ook.


vrijdag 8 augustus 2014

I won the cool kids lottery



Het was een intense en bijzondere vakantie, van uitersten.
Zo zaten we deels (een soort van illegaal, maar het voert te ver om dit uit te leggen) in de meest luxe villa in de Algarve, met uitzicht op zee, een privézwembad en mooi betegelde badkamers, en trokken we deels op primitieve wijze half Portugal door waarbij we ons per trein, bus, boot en al liftend verplaatsten en ’s morgens niet wisten waar we ’s avonds zouden slapen.
Echt heel Interrail 1990.
Maar dan met kinderen.
Wat natuurlijk even een experimentje was, maar als zodanig geslaagd.
En hoe!
Volgend jaar wil ik drie maanden naar India.


Ik heb stapels verhalen, maar laat ik me beperken tot het onbetwiste hoogtepunt van de vakantie: de beste vierentwintig uur die ik ooit op een strand heb doorgebracht.

Door een samenloop van omstandigheden waren we uitgenodigd om met een vriendengroep uit Lissabon mee te gaan op hun jaarlijkse kampeeruitje op het schiereiland Tróia, rondom ‘o concurso coelho.’
The rabbit contest.
Een konijnenproeverij. 
Op het strand.
(Die Paulo Coelho, die heet dus gewoon Paul Konijn.)

Ja, ik begreep het eerst ook niet, hoor.
Maar het is gewoon een enigszins bizarre traditie van een groep mensen, die bestaat sinds 1988 en inmiddels logischerwijs is uitgebreid met kinderen van allerlei leeftijden.
En dit jaar werden ze dus voor het eerst vergezeld door een op zich ook al wonderlijk ensemble, bestaande uit een stelletje Nederlanders en een handjevol ‘Hawaïanen’ (mijn zusje was er ook met man en kind!!).

Maar zeg, hee. Hoe. Gaaf.
Aan het eind van de middag liepen we met onze rugzakken een heel eind het strand op en zetten vlak voordat het donker werd onze tentjes op.





Intussen werden er tafels neergezet waarop alle gerechten werden uitgestald. Er waren pasteitjes, stoofpotten, quiches, salades ... je kunt het zo gek niet verzinnen. Allemaal van en met konijn.
En wijn was er natuurlijk ook.
Heel veel wijn.
En toen iedereen was uitgegeten moest er gestemd worden, om te beslissen wie het beste konijnengerecht had gemaakt.
Want dat hoort erbij. Bij de traditie.

En daarna was er natuurlijk een kampvuur, en werden er Portugese liedjes gezongen en een groepje mannen was aan het vissen, met verlichte hengels, we zaten onder de allermooiste sterrenhemel (want echt ver van de bewoonde wereld) en de mensen waren zo leuk….. het was nógal mooi allemaal.

En toen kwam, na een paar niet perse heel comfortabele uurtjes in ons tentje, de zon op.
En dat is dus magisch hè: wakker worden op het strand. Bij de zee.
Ik deed dat al eens vaker, maar ik weet het weer, het is echt….. het allerbeste.




We gingen ontbijten, zwemmen, tentje inpakken, nog wat zwemmen, bodyboarden op de onwaarschijnlijk hoge golven, weer eens wat eten, een beetje in de zon liggen… en namen aan het eind van de middag innig afscheid van de groep om, zanderig en moe van zo’n hele dag op het strand, naar Lissabon te vertrekken.
En na een heus heftig tripje (eerst opgepropt in een busje en vervolgens met de boot, de trein, nog een boot, de metro én de bus) kwamen we diep in de nacht aan bij ons logeeradres. (Leve de airbnb app! Geen reizende nomade kan meer zonder!).





Maar die kinderen hè. Die gaven geen kik. Ze vonden het alleen maar leuk. Ook de Loïs van zes, met haar groene rugzakje.
(Waardoor ik, toen we op een bepaald moment ’s avonds laat door iets stoms een uur vastzaten in het metrostation, enorm hard op mijn tong heb moeten bijten om zelf niet te gaan zeuren.)


* De titel is een variatie op een zin uit het geniale dankwoord in dit fantastische Amerikaanse kinderboek:







maandag 30 juni 2014

Melancholy to the max!

Ik was er even niet.
Tijdje.
Best lang.
Ik dacht zelfs af en toe vertwijfeld: ik ben blogger-af!
Maar dat was misschien voorbarig.

Het ging gewoon even niet; life got me by the balls.
(Ja, dat kán: ik ben namelijk 87% man, bleek laatst uit een testje op Facebook.)




Blogger-af of niet, ik moet natuurlijk wel even wat schrijven over het naderende afscheid.
Van groep 8.
De klas van Bo.
Die over 3 dagen niet meer bestaat.
(Want dan is het vakantie en ná de vakantie vliegt iedereen zo’n beetje uit naar verschillende middelbare scholen; daar zijn er namelijk nogal veel van in Groningen.)

Die klas dus, die groep 8, is echt de leukste van de wereld. Vind ik.
Het is zo’n klas waar je een film over wilt maken. Met allemaal verschillende kinderen die, als het erop aan komt, allemaal voor elkaar zorgen en opkomen, die vanaf groep 4 van alles met elkaar hebben mee gemaakt en één hechte groep vormen.

Nja, misschien bekijk ik het nu wel wat te roze allemaal, van een sentimenteel afstandje.
Hoe dan ook, ik bender een beetje emotioneel van.

Het begon met het schoolkamp, naar Schier.
En eergisteren haar laatste basisschoolfeest.
Gisteren een groeps-afscheidsfeest op de waterskiclub.
Morgen en overmorgen de eindshow (waar keihard aan gewerkt is en die echt supergaaf wordt!)
De kinderen zijn zo intensief met elkaar bezig, je voelt het; de dynamiek in de groep gaat echt naar een climax.

Woensdag is de laatste schooldag.
Dan gaan ze huilen.
Dat is traditie.
Schijnt.
Haha.
Ik vind het mooi.


Terwijl ik me dat dus totaal niet herinner van toen ik de zesde klas verliet. Ik was wel blij dat ik van de club af was, geloof ik. Ik kan me in elk geval geen emotionele taferelen voor de geest halen.
Nja.
Tijden veranderen.
Of misschien heeft mijn dochter gewoon meer mazzel.
Kan ook.

Maar fijn, hè. De basisschool is lief voor haar geweest.



dinsdag 27 mei 2014

Doorgaan is het doel


Het leven is een aaneenschakeling van problemen die opgelost moeten worden.

Net als in dat spelletje Highway, kent u dat nog? Het was een van de allereerste mini-computerspelletjes, uit het begin van de jaren 80.
Een naïef spelletje, net een stapje geavanceerder dan Pong, waarbij je met een autootje een drietal verschillende obstakels – boomtakken, honden en wegwijzers (van die laatsten heb ik me altijd  afgevraagd wat die midden op de weg deden) – moest zien te ontwijken.
De enige tools die je daartoe tot je beschikking had waren twee knopjes, waarmee je het autootje respectievelijk naar rechts en naar links kon laten springen.
En dat deed je dan dus, maniakaal, want je had geen keus.
Nou ja; je kon het natuurlijk ook niet doen, maar dan hield het op.
Game over.

Zo is het ook in het leven. Voortdurend ben je bezig met het ontwijken van obstakels en het oplossen van problemen. Om door te kunnen gaan.

Doorgaan is het doel.
Problemen oplossen, het middel.


(Er zijn natuurlijk ook problemen die niet op te lossen zijn. Die vallen uiteen in twee categorieën; problemen die rechtstreeks leiden naar ‘game over’ en problemen die resulteren in ‘doorgaan met handicap’.)


Zo, ik verslik me weer eens danig in de inleiding, zeg!

Ik wou eigenlijk alleen even vertellen dat ik mijn fietssleutel gisteren ineens kwijt was.
En dat ik dus een probleem had, dat moest worden opgelost en snel een beetje.
Ik heb mijn fiets namelijk nodig, niet alleen als transportmiddel, maar ook op existentieel niveau; mijn fiets is een cruciaal onderdeel van mijn imago.
Maar daar weet u alles van. 




Zondagmiddag lag de sleutel gewoon nog hier, op het plankje in het halletje, naast de zonnebril van Bo. (Als ik door mijn wimpers naar de foto tuur zie ik hem zelfs nog liggen.)

Maar maandagochtend was hij ineens weg.

En wat doe je dan? (Nadat je uiteraard hebt gevloekt en getierd en ge-'maandagochtend wat maak je me nou'-d?) Dan breng je je kind staand achterop de vouwfiets als een soort aap op je rug (wat veiligheidshalve vast niet verantwoord was, maar desalniettemin prima ging) naar school en daarna ga je zoeken.
En als zoeken niet helpt, dan ga je mensen whatsappen met de vraag of ze misschien per ongeluk na het feestje van Loïs je fietssleutel hebben meegenomen.
En als je daar maar weer mee ophoudt omdat het stom is, dan heb je gelukkig altijd nog......
Good Old Google!

De woorden 'fietssleutel', 'kwijt' en 'Groningen' boden onmiddellijk soelaas.
(Dat is het leuke hè, van deze tijd. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het bestaat – zelfs dingen die je niet kunt verzinnen bestaan – en je kunt er meestal nog zomaar over beschikken ook! Het wachten is nu nog even op de teleporteermachine.)


Een fietsenmaker op locatie. Bestaat gewoon!
Die kun je bellen, als je pech hebt met je fiets, onderweg of thuis.
En dan komt ie eraan. Om je ketting te repareren, of je band te plakken. Of je slot door te zagen, dus.
Ja, en zónder dat je dus eerst een of ander duur lidmaatschap moet aangaan. Ik bedoel maar, daar kan de wegenwacht nog wat van leren.

Daar was hij al, mijn redder in nood, met een fiets bijna net zo leuk als de mijne. Hij flexte mijn slot open, leende me zijn eigen kettingslot en komt morgen terug om een nieuwe axa-unit te monteren.





En door.



zondag 18 mei 2014

Margriet More

Ik vond een mailtje in mijn inbox met de mededeling dat mijn blog aangeprezen gaat worden in de Margriet More, vergezeld van de vraag of ik t.z.t. een exemplaar wil ontvangen en zo ja, op welk adres.
Het tekstje dat erbij komt, bleek geschreven door iemand die mij behoorlijk goed begrepen heeft. Met juist geciteerde zinnen die ik zelf ook best grappig vond toen ik ze schreef. En als favoriet aangemerkte stukjes die ik zelf ook zou aanbevelen.
Dus ik was wel even in mijn nopjes.
(En voelde ook meteen weer de druk van te weinig bloggen de laatste tijd, maar dat terzijde.)


Maar toen dacht ik vervolgens: de Margriet More? Wát is nou weer de Margriet More?
Margriet dé Moor, die ken ik wel. Haha. Haha.
Flauw.
Natuurlijk, de Margriet, het tijdschrift ken ik heus ook.
Nog altijd in één adem genoemd met de Libelle. Ze zaten vroeger samen in de leesportefeuille van de buurvrouw. Het waren truttige tijdschriften. Misschien dat ze tegenwoordig een stuk hipper zijn geworden, wie weet.
Ik niet, ik ben geen tijdschriftenlezer. Ik lees nooit tijdschriften, behalve een sporadische Linda van een vriendin op het strand en, vooruit, het Volkskrant magazine – als je dat eigenlijk een tijdschrift mag noemen.

Goed, de Margriet weet ik dus.
Maar wat is dan de Margriet More?
Is dat een soort extra Margriet? Wat staat daar dan in dat weer niet in de gewone Margriet kan? (Dat vraag je je dan toch af?)
Of is het een themabijlage?
Een speciale editie voor de Margrietlezer met een maatje meer? (Pitch voor de redactie van Libelle: Plus Size Libelle.)

Ik kan het natuurlijk gewoon even googlen. Ga ik ook doen zo.
Maar ik vond het eerst wel even leuk om er slap over te ouwehoeren.


Eind augustus, dan staat mijn blog in de Margriet More!
Koopt hem allen!
Dan wordt u misschien op een leuk blog gewezen.

Goed verhaal dit.
Doei.

zaterdag 3 mei 2014

Berlijn

Ik was al eens eerder in Berlijn. Twee keer. De laatste keer was in 1989, een paar maanden voor de muur omging.
Ik kende Berlijn dus nog niet zoals het tegenwoordig is, behalve uit verhalen.
Ook Henk was nooit na 'die Wende' in Berlijn geweest. Het Berlijn dat wij wisten konden we dus niet aan de kinderen laten zien.

Wat zouden we eigenlijk gaan doen? De Reichstag bekijken? De Brandenburger Tor? Checkpoint Charlie? De Kurfürstendamm?
Nja..wellicht?
We hadden niet echt een plan.

Nou bleek het zomaar (nou ja, zomaar... ik heb een deal met de kosmos, weet u wel?) heel erg mooi weer te zijn – om niet te zeggen warm – dus de eerste dag besloten we dat we eerst maar eens dat Badeschiff moesten bezoeken waarover ik had gelezen; een zwembad, gemaakt als kunstproject, drijvend in de rivier de Spree.
Het bleek nog leuker dan ik dacht. Het zwembad is op het terrein van de Arena, (een multifunctionele concert/feest/kunstlocatie), met een strand en een bar, mooi en schoon en tegelijk heel hip en vrij en cultureel verantwoord, ik merk dat ik niet echt de woorden heb om het te omschrijven, maar we voelden ons er onmiddellijk thuis!


En toen besloten we dat we gewoon 'toller Orte' gingen opzoeken en van het mooie weer genieten. Niet perse naar de geijkte bezienswaardigheden. De Reichtstag en de Brandenburger Tor hadden we bovendien al gezien, vanuit de bus die ons met onze bagage van het station naar het airbnb-appartement bracht. (In Schöneberg, dat een heel mooie, relaxed-bruisende wijk blijkt te zijn, met heel veel jonge mensen, met kinderen en honden en speeltuinen.)

Reichtstag vanuit de bus, check!
Brandenburger Tor vanuit de bus, check!
ontbijt met Asian noodles
diva in bed

Op de derde avond zag ik ineens een foto van een Facebookvriend, waarop hij met zijn vriendinnetje poseerde tegen een liggende T-rex met op de achtergrond een reuzenrad.
De tekst erbij luidde zoiets als: 'Het waren mooie dagen in Berlijn.'
En ik dacht: huh? Waar is dat reuzenrad?
Dus dat vroeg ik toen maar even. En kwam erachter dat het een verlaten pretpark was, aan de rand van Berlijn, helemaal in het Oosten. Waar je stiekem binnen kon komen, door over het hek te klimmen. 
Waah!

Het pretpark, genaamd SpreePark, was sinds de opening in 1969 het enige pretpark in de DDR.
In 2001 ging het failliet en sindsdien is het een soort spookpark. Met nog bijna alle attracties intact, maar overwoekerd en in onbruik.
Het reuzenrad draait af en toe nog, door de wind.

Het was ZO GAAF.

Ik zeg altijd: geen beter pretpark dan een dood pretpark.



Overigens hingen we ook gewoon de toerist uit, hoor. (Zij het dan niet gehinderd door enige diepgaande voorkennis. Zo hadden we bijvoorbeeld geen idee voor welke fontein mijn man en kinderen hier poseerden. ‘Trevi-fontein, check!’ riep Henk. Haha)

(Henk maakt hier trouwens geen Hitlergroet, maar wil gewoon zijn dochtertje aaien.)

En hier neemt Bo een selfie, met op de achtergrond de Dom van Berlijn.
Hij staat er alleen niet helemaal op. Zij wel.

#dommie



Nu zijn we weer thuis en heb ik een probleem.
Ik vind Nederland niet meer leuk.
In Berlijn kun je gewoon (heel goed!) uit eten voor 10 euro per persoon, schenken ze je glas wijn bijna tot de rand toe vol, koop je drie grote bakken aardbeien voor 2 euro en reis je voor bijna niets met het openbaar vervoer. En iedereen is er aardig.
Dus.