woensdag 26 november 2014

Canto Ostinato

Als ik niet in de jaren 70/80 op school had gezeten maar nu, dan was ik ongetwijfeld gediagnosticeerd geweest met ADHD.
Of met ADD in elk geval.
En dan had ik wellicht aan de Ritalin of iets dergelijks gezeten en had ik vast niet zo’n boeiend geestesleven gehad. (Ahum.)

Nee, onzin natuurlijk, maar ik heb inderdaad wel een beetje een lastig hoofd, dat moeite heeft met concentreren en makkelijk afgeleid raakt – en dan met name door interne processen.

Ook schijn ik regelmatig op mensen over te komen als vluchtig en ongeïnteresseerd.
En dat ís niet zo, ik ben wel degelijk (juist!) geïnteresseerd in mensen en hun verhalen, maar ik heb blijkbaar een nogal snelle processor: als iemand iets vertelt heb ik heel gauw het plaatje compleet; ik snap het, het is me duidelijk, dus hop, door met het volgende.
En dat resulteert er soms letterlijk in dat ik midden in een gesprek over iets anders begin, of – nog erger – me omdraai om met iemand anders te gaan praten.
Sinds mensen me hierop hebben gewezen probeer ik er bewust rekening mee te houden. Door gewoon wat langer aandacht te veinzen.

Zo bestaat mijn dagelijkse leven uit nog heel wat meer kunstgrepen.
Twintig jaar geleden ontdekte ik de Canto Ostinato, van Simeon ten Holt. Voor wie het niet kent; het is een moderne, minimalistische pianocompositie voor twee (of vier) piano’s met een nogal koppig (obstinaat) repeterend ritme dat stug vijfenzeventig minuten doorgaat - althans, op mijn cd. (Sinds zaterdag weet ik dat het stuk een variabele lengte heeft van één uur tot enkele uren, afhankelijk van hoe lang de pianisten in bepaalde secties blijven hangen.)

De Canto Ostinato is mijn ultieme 'lifehack'.
Hij is in staat om mijn gedachtenstromen te temperen, als ik dat zelf niet voor elkaar krijg, bijvoorbeeld in periodes van emotionele stress. Het is alsof het stuk precies het ritme heeft van mijn hersengolven, maar dan tegengesteld, als een soort anti-trilling, waardoor rust ontstaat.
Okee, dat klinkt tamelijk bullshitty, maar het is een feit dat als ik die muziek aanzet, ik ineens kan focussen. En dat kan heel handig zijn, als er – ik noem maar wat – geld verdiend moet worden met schrijven.


Afgelopen zaterdag heb ik de Canto Ostinato voor het eerst live gehoord en gezien.
In een prachtige kerk in Diever, waar hij werd gespeeld door Philine Coops en Afke Wiersma.
Ik gebruik het woord 'magisch' niet graag voor dingen die niets met toverij te maken hebben, maar dit was magisch.

Twee prachtige glimmende vleugels, midden in de kerk, die de klanken verspreidden die ik zo goed ken en waar ik zo van hou.

Ik voelde me bijna een beetje schuldig; ik was eigenlijk vergeten hoe het was om er met volle aandacht naar te luisteren, nadat ik het de afgelopen honderd keer slechts had gebruikt als onrust-demper. Ik was vergeten wat een hypnotiserende trip het is, hoe het me door allerlei emoties trekt en me uiteindelijk als herboren, of hoe zeg je dat, gereinigd, achterlaat.

(Dit maakt me een ‘onderbuikse’ muziekgenieter, volgens Emanuel Overbeeke, die over de Canto zegt: ‘Dit is muziek voor overwegend twijfelende en sterk met de onderbuik voelende wezens, die eerder ontroering dan esthetiek zoeken, meer dan voor ‘bovenbuikse’ kunstgenieters.’ Nou, goed dan. (Haha: een twijfelend wezen.))

Visueel was het overigens ook fantastisch. Omdat de compositie veel vrijheid laat aan de musici (die zelf mogen bepalen waar ze accenten leggen, of ze bepaalde delen met één of twee handen spelen, maar ook hoe ze met herhalingen omgaan en waar de overgangen worden gemaakt) staat of valt de uitvoering met de communicatie tussen de pianisten. Die communicatie verloopt grotendeels via de muziek zelf, maar wordt aangevuld met minimaal oogcontact en hoofdbewegingen. Fascinerend. Sowieso al, om naar mensen te kijken die met een soort marathon bezig zijn, in opperste concentratie, bij wie je de spanning en ontspanning afwisselend over het gezicht ziet trekken – en soms zelfs verbazing; omdat er blijkbaar iets ontstond wat nog niet eerder gebeurde.


Ik was zo in vervoering, dat ik gewoon even naar adem moest happen toen na bijna twee uur het abrupte einde klonk.

En toen barstte een applaus los, van wel tien minuten. Een staande ovatie, door mensen die van pure verrukking opsprongen omdat ze gewoonweg niet kónden blijven zitten. (Om even het verschil aan te geven met de min of meer obligate staande ovatie die tegenwoordig de norm lijkt te zijn geworden in theaters.)


Het was een van de mooiste muzikale ervaringen van mijn leven.
Dus daarom, ook al denkt u waarschijnlijk mens, wat zit je nou toch lyrisch te wauwelen over een pianoconcert, moest ik het toch maar even vertellen.


woensdag 19 november 2014

Een kijkje achter de schermen van een handelsmerk


Achteraf zou je kunnen zeggen dat de dag dat mijn fiets gestolen werd, acht jaar geleden, mijn geluksdag was.

Uiteraard vond ik dat eerst niet. Integendeel: ik was woedend! En dat werd nog erger toen ik in een steegje verderop de kinderzitjes terugvond, netjes gedemonteerd en wel.
Een fiets van een moeder jatten, tsk! Stelletje eikels.
Ik ben hem nog gaan zoeken in de stad, tegen beter weten in. En toen ik me erbij had neergelegd dat ik hem niet meer zou terugvinden, bedacht ik een list.
Omdenken heet dat tegenwoordig.
De dief had me een prachtige kans gegeven: ik mocht nu op zoek naar een leukere fiets. (Wat niet zo moeilijk was, want ook al was het gestolen object dan zo'n fancy 'mamafiets', het was eigenlijk maar een lelijk ding.)

Ik had nog geen idee hoe mijn leukere fiets eruit zou moeten zien, maar de volgende dag vond ik hem.
Tegen de gevel van de fietsenwinkel stond een groot, rood gevaarte met een stalen mand voorop met daarin een enorme plant. Als een soort uithangbord. Winkelpui-versiering.
'Ja,' zei ik. 'Die.'
'Jij bent gek,' zei Henk.
Gelukkig zag de meneer van de fietsenwinkel dat het menens was en was hij bereid de plant eruit te tillen en zijn decorstuk aan mij te verkopen.
Een waarachtig mooie daad: het was namelijk het begin van een grote liefde.


Mijn fiets is mijn logo geworden. Mijn handelsmerk.
Zowel op internet als in het fysieke leven.
Nog steeds, bijna dagelijks, wijzen mensen ernaar op straat, maken leuke opmerkingen of staan uitgebreid foto's te maken als ik even een winkel in ben geweest. (Dat heb ik serieus al drie keer beleefd en het waren elke keer Duitsers. Ik weet niet of dat iets betekent.)
En ja, dat blijft leuk. Ook al vind ik mijn fiets dan, hoewel nog steeds fantastisch, inmiddels doodnormaal; ik heb hem al acht jaar, tenslotte.

Naast leuk, is hij met name reuze handig. Zo is de ijzeren mand bijvoorbeeld bijna even groot als een winkelwagentje, zodat je in de supermarkt altijd weet hoeveel je kunt hamsteren. Bovendien kan ik er een, twee, drie, vier kindjes op vervoeren. En dat komt goed uit, met al die vriendinnetjes van Loïs.
Mijn fiets is een onmisbaar element in mijn leven.
Ik begrijp echt niet hoe andere mensen – mensen zonder mijn fiets – de dingen gedaan krijgen.

En er zijn meer voordelen! Ik kan hem altijd vinden. Ik ben hem nooit kwijt, bij de bioscoop of het zwembad.
En hij wordt nooit gestolen. Dat is tenminste tot nu toe gebleken. Ik heb besloten dat dat komt doordat hij A) loodzwaar is, B) nogal opvalt en C)  er op het eerste gezicht niet uitziet als iets waar je op durft te fietsen.


Een ode aan mijn fiets, in foto's.
Oftewel: Mijn fiets, door de jaren heen.


Merlijn, 3 jaar oud, slapend.
Maxicosi
Boodschappen
Boodschappen + kind

bike wash


winterbanden
Picknicken
Bezoek van de dokter


 En eigenlijk zijn dit de leukste foto's: waarop mijn fiets stiekem aan het photobomben is.








maandag 10 november 2014

Over een camper, een stommiteit en een dochter met humor




Ik deed weer eens iets doms.
Twee maanden geleden al, maar ik had nog geen zin om erover te vertellen, omdat ik hardnekkig in de ontkenning zat.
Inmiddels is het zo goed als opgelost, dus nu dan toch maar. Geen leuker vermaak dan leedvermaak, tenslotte.


Ik had een camper geleend, om mee naar een festival in een bos in Drenthe te rijden.
De camper was niet voor mij, maar voor hem en haar en hun kleine baby'tje.

(Zelf sliep ik in een mini-tentje ernaast. En de laatste twee nachten in onze eigen Volvo, toen mijn gezin zich bij me had gevoegd. Wat eigenlijk ook een fantastische kampeerwagen is, zo'n Volvo. Waarin gewoon twee matjes in de volle lengte naast elkaar kunnen liggen, als je de achterbank plat legt. Maar dit terzijde.)

Ik verbleef dus niet in de camper, maar mocht er wel in rijden! En dat is leuk, joh!
Zo'n rijdend huisje, met een keukentje en een bed, staat garant voor een instant vakantiegevoel.

Er was me natuurlijk van alles uitgelegd. Over de elektra, de werking van het kraantje, hoe het dak omhoog moest, het bed uitgeklapt, enzovoort. En ik had heel goed opgelet; het was namelijk hartstikke lief dat ik die camper zomaar mocht lenen, ik wilde er heel voorzichtig mee zijn.
En het ging ook allemaal heel goed!

Tot op de terugweg.
Toen we stopten om te tanken.

Context-informatie: Ik was erg blij en gelukkig en nog behoorlijk onder de indruk en in de ban van een geweldig leuk en mooi festival. Ik zweefde, zogezegd.

Ik zweefde dus naar buiten, draaide de tankdop open, stak het dieselpistool naar binnen en kneep erin.
Gek.
Er gebeurde niets; de meter ging niet lopen.
Dus ik kneep nog maar eens.
Niets.

Toen viel mijn oog op nóg een tankdop.
Kut, dacht ik.
En kwam met een klap terug op aarde.
Snel herstelde ik mijn fout, schroefde de juiste dop open en terwijl bij het tanken nu wél de meter ging lopen, dacht ik koortsachtig na.
Dan was die andere vast van het water.
Ja, ik wist het weer. De grijze dop, die was van de watertank.

Paniek en ontkenning vochten om voorrang.
Het is vast niet zo erg, hield ik mezelf rustig. Er is vast niets in het water terechtgekomen. Of in elk geval niet meer dan een klein beetje; het tanken lukte immers niet.
Maar tegelijkertijd snapte ik natuurlijk heus wel dat, ook al ging het maar om één druppel, het hartstikke mis was. Want diesel, dat is vreselijk vies vettig rotspul.
Ruikt ook nogal sterk.
Wil je niet in je drinkwater.

(Zeg nou zelf, het ís toch ook ingewikkeld!)

De ontkenning won. Nipt, maar desalniettemin. Ik weigerde gewoon om het mooie festival te laten bezoedelen!
Ik zou dat varkentje gewoon even wassen. Gewoon even door de zure appel heen bijten; bij het retourneren van de camper eerlijk opbiechten wat er is gebeurd, beloven dat het goed komt en het dan gewoon even oplossen.

Oplossen begint tegenwoordig bij Google.
(En je vindt er nog gratis troost ook! Want als je ziet dat er discussieplatforms bestaan met titels als: 'Diesel in de watertank van de camper. Wat nu?' dan weet je dat je niet de enige sukkel bent.)
Ik leerde dat er meerdere remedies waren, te weten:
- Iets heel duurs, dat volgens de gebruikersrecensies heel goed werkte;
- Iets veel goedkopers, dat volgens de gebruikersrecensies ook heel goed werkte;
- Steradent.

Ik voelde onmiddellijk voor de Steradent (zoals een wijs mens ooit zei: 'De beste oplossingen voor een probleem binnen een bepaald vakgebied zijn vaak te vinden in een ander vakgebied,') maar besloot in overleg met de eigenaar van de camper eerst de officiële (niet zo dure) watertankreiniger te proberen.
Ik bestelde een flesje, dat na een paar dagen werd bezorgd, en in het eerstvolgende weekend haalde ik de camper op en gingen we voortvarend aan de slag. (We, ja. Want Henk ging me vanzelfsprekend helpen. In voor- en tegenspoed, hè. In gemeenschap van goederen én stommiteiten.)

Het procedé was simpel. Gewoon het flesje leeggieten in een driekwart gevulde watertank en dan een eindje gaan rijden. Beetje veel remmen en optrekken en scherpe bochten maken en voilà: alles brandschoon. Like magic.

Ik had zo mijn twijfels.
Want terwijl we de tank hadden laten leeglopen op de stoep voor ons huis, waren we erachter gekomen dat er misschien toch een beetje méér diesel in het water zat dan die ene druppel waarop ik had gehoopt.
Maar, wie weet.

We gingen dus een eindje rijden, Bo en ik.
Eerst vijf rondjes rond de rotonde (ik kon de neiging onderdrukken om daarna nog vijf rondjes in de andere richting te rijden) en toen de stad uit.
En ook al had ik een hard hoofd in de effectiviteit van de expeditie, het was opnieuw leuk om met de camper op pad te zijn. We waren weer even op vakantie, ditmaal in het Groninger Ommeland. Met een heel nostalgisch cassettebandje van Van Dik Hout in de autoradio.


Hierna werd het trouwens allengs minder.
Na een paar uur kwamen we terug en lieten – immer nog hopend op een wonder – de tank leeglopen.
Helaas: we tapten nog steeds dieselwater.
Optimistisch besloten we nog dat alles heus goed zou komen als we gewoon nog een paar keer de tank zouden doorspoelen en toen …… deed ineens het kraantje het niet meer.
De pomp had het begeven.
Natuurlijk.
Zo gaan die dingen.
De moed zonk me in de schoenen.

Ik keek naar die camper, die al de hele dag op de stoep stond, naar de tuinslang door het huis naar de kraan in de keuken… alles was nat en stonk naar diesel…. en na een hele dag klooien was alles alleen maar erger geworden. (En ik had eerlijk gezegd ook nog een beetje een kater, want het was de dag na het verjaardagsfeest van Henk.)

Net toen ik overwoog om een zenuwinzinking te krijgen, redde Bo het moment met de opmerking: 'Misschien moeten we Petrus Campersingel veranderen in Petrus Campersingel.'

Haha.

Als je een dochter hebt met humor, dan hoef je nooit ergens bang voor te zijn.
Dus ik herpakte mezelf en we gaven niet op.
We (we = Henk) demonteerden de watertank om het project rustig voort te zetten in de badkamer. Waar we uiteindelijk de diesellucht bedwongen met… Steradent.


(Het is best grappig, trouwens, 30 buisjes Steradent kopen bij de supermarkt. En dat de kassière dan gewoon, met een stalen gezicht, 30 keer bliep doet. Zonder iets te vragen.)






Eergisteren haalde ik de camper weer op en plaatsten we de tank terug.
Nu alleen nog even een nieuw pompje bestellen en klaar.
Hèhè.
Pff.


(Misschien hadden we Loïs meteen vanaf het begin de leiding moeten geven.)

Je zou denken dat ik inmiddels geen camper meer kan zien.
Maar integendeel, ik wil nu eigenlijk zelf een camper.
Ik woon niet voor niets aan de Petrus Campersingel.
En ik weet ook al in welk gat de diesel moet.