dinsdag 30 september 2014

Een nieuwe mantra


Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. 

Ik heb een nieuwe mantra.

Hij werkt goed, moet ik zeggen.
Gelukkig maar, want ik heb ook een puber.
We hebben een puber.
In huis. Ineens.
Komt het door de middelbare school?
Of slaan de hormonen gewoon plotseling toe?
Ja, dat laatste natuurlijk.
Dat gebeurt nou eenmaal dan. Als je twaalf, richting dertien bent.

Ik weet nog hoe het was, toen ik zelf in de brugklas zat.

Helaas helpt dat niet.

Toen ik baby’s kreeg wist ik zelf niet meer hoe het was om zelf een baby te zijn; aan je eigen babytijd bewaar je nou eenmaal geen herinneringen. Ik heb niet onthouden hoe het voelt om een luier om te krijgen.
Toen mijn kinderen naar de basisschool gingen tastte ik wat eigen ervaring betreft ook nog redelijk in het duister; hoe het voelde om vier te zijn wist ik ook niet meer, op enkele flarden na.
Nu mijn dochter twaalf is weet ik nog heel goed hoe het was om zelf twaalf te zijn.

Naarmate de tijd verstrijkt kom je dus in je beleving steeds dichter bij je kind.
Maar tegelijkertijd begrijp je er steeds minder van! 

Dat noem ik: de paradox van het grootbrengen.


Afgelopen zondag heb ik ‘een eerste keer’ meegemaakt.
Ik was naar de supermarkt geweest, vlakbij de circusvereniging waar Bo op dat moment aan het trainen was voor haar voorstelling (die op 2 november in première gaat in de Oosterpoort, voor de liefhebber).
Ik dacht: ik ga even kijken. (Wat, buiten dat het me gewoon leuk leek om een stukje van de repetitie te zien, ook heus verantwoord was, aangezien ik in het bestuur zit en er dus best iets te zoeken heb.)

Ik glipte de zaal in, nam plaats op een bankje naast de trainster en keek mee naar hoe de regisseur met de groep bezig was.
Na een minuut of tien, tijdens een scènewisseling, kwam mijn dochter naar me toe en siste tegen me: 'What the fuck doe jij hier!'

What the fuck doe jij hier.
Dat zei ze.
Ik was, serieus, totaal verbluft.
Met name ook omdat het het eerste was dat ze tegen me zei, nadat ik haar twee dagen niet had gezien omdat ze bij een vriendinnetje had gelogeerd.

'Ehm,' mummelde ik.

'Dit is toch gewoon hartstikke gênánt!' siste ze verder.
'"Kijk Bo, daar is je moeder," zeiden ze allemaal. Ik schaam me dóód.'

Joh.
Ja, ik schaamde me ook voor mijn ouders vroeger. Natuurlijk.
Maar dat was…. ánders…. toch?


Gisteren kwam ze thuis met twee mini-behaatjes. Had ze van een vriendin gekregen.
'Dus,’ zei ik, quasi beledigd, 'nu heb je me dat bijzondere moment, samen met mijn dochter naar de stad om haar eerste behaatje te kopen, door de neus geboord?'
De ironie ontging haar, uiteraard.
'Doe niet zo kínderachtig, mam!'

Pff. Het is begonnen.

En iets zegt me dat dit voorlopig wel eens het laatste logje over mijn oudste dochter kon zijn geweest. 

zaterdag 27 september 2014

Novy Zonder Naam


Ik heet Yvon, hoewel sommige mensen me Novy noemen. Dat is mijn eigen schuld, want toen ik op een bepaald moment in een opwelling een blog begon en even snel een alias moest verzinnen, draaide ik uit gemakzucht mijn naam om. Me niet realiserend dat zo’n pseudoniem vervolgens een heel eigen leven zou gaan leiden en mijn identiteit mede zou gaan bepalen.
Maar ik vind het prima, hoor.
Novy of Yvon, het maakt me niets uit, ik luister naar allebei.
En geschreven zie ik nauwelijks het verschil.
Dus.


Maar dan. De achternaam.
Ik héb geen achternaam.
Okee, ik ga momenteel door het leven als Mekkring.
Maar dat is de naam van Henk.
En die van de kinderen.
Dat we allemaal hetzelfde heten is reuze handig, zeg ik altijd. (Maar ik weet eigenlijk niet precies waarvoor.)

Ooit had ik natuurlijk wel een eigen achternaam.
Om eerlijk te zijn; die staat nog steeds op mijn paspoort, maar dat laat ik uiteraard nooit aan iemand zien, behalve op Schiphol.

Het is namelijk een vreselijke naam.
Echt. Ik ben zoveel gepest om mijn achternaam!
En volkomen terecht ook.

Wat niet meehielp: we verhuisden nogal vaak in mijn kinderjaren, waardoor ik me telkens opnieuw moest voorstellen op nieuwe scholen en bij nieuwe sportclubjes.
Náchtmerries had ik ervan.
De lachsalvo’s die steevast volgden op het noemen van mijn naam.

Soms probeerde ik het moment te vermijden door een en ander wat binnensmonds te mompelen, maar daar werd het alleen maar erger van, want dan riep er altijd wel iemand: ‘Yvon wát?’ en dan moest ik het nog een keer zeggen, maar nu heel luid en met ieders volle aandacht.
Haha.
Hoe zal ik het zeggen, met zo'n introductie heb je geen afwijkende uiterlijke kenmerken meer nodig. 

Wat haatte ik mijn naam!
Zoals andere kinderen misschien droomden dat ze kleinere voeten hadden of dunner waren, of net zulke mooie zwarte krullen hadden als Anita, of beter konden rekenen of van de hoge duikplank durfden, wenste ik ’s avonds in bed vurig dat ik gewoon Van Dijk heette.


Ik heb me er wel mee gered hoor, ik had ook weinig keus, maar toen op mijn vijfentwintigste duidelijk werd dat mijn vader mijn vader niet was – iets wat ik zelf altijd al had vermoed – heb ik stante pede afstand gedaan van de naam.
Weg ermee.
Het kwam heel goed uit dat ik toevallig de volgende dag ging trouwen; ik nam gewoon de naam van mijn echtgenoot.

Mekkring.
Heel eerlijk: dat vind ik ook niks.
Voor mij.
Het pást niet bij me.
Maar ja.
Het is allicht anoniemer.


Mijn echte, ‘biologische’, vader heette Hazeleger. Zo had ik dus kunnen heten.
Dat had ik best leuk gevonden.
Hazeleger is óók een rare naam, maar wel leuk raar.
Rabbit-army, zei mijn halfzusje vroeger altijd, toen we kinderen waren en ik nog niet wist dat ze mijn zusje was.


Mijn moeder heet Van Apeldoorn. Dat is eigenlijk de beste naam van allemaal.
Maar Yvon van Apeldoorn? Ik weet het niet. Dat vind ik ook weer gek. Te chic.


Ik ging maar het liefst achternaamloos door het leven.
Met Mekkring voor de situaties waarin men nou eenmaal een achternaam moet hebben.





Als je een encyclopedie hebt geschreven, bijvoorbeeld.
Sorry, slightly off topic, maar het blijft leuk: wereldwijd word ik in online bookstores vermeld als de auteur van de Larousse Wijn Encyclopedie. Wat natuurlijk kolder is, maar gezien de hoeveel bloed, zweet en tranen die de inhoudelijke redactie me heeft gekost, ook weer niet helemáál onterecht... (ik ben nog steeds benieuwd of iemand mijn naam nou eigenlijk per ongeluk of expres naar voren heeft geschoven.)

Het is trouwens best een mooi boek.
Heel dik ook.
En zwaar.
Met heel veel informatie.
Misschien een leuk idee voor Sinterklaas onder de kerstboom, straks?
Ik geef maar een tip.
En geheel belangeloos hè: ik krijg geen royalties.


Edit 29-9: Bizar. Ik wist het niet, maar op de dag dat ik dit schreef overleed mijn naamgenoot, de 'oom die mijn oom niet bleek te zijn', Ik heb hem nog eens geïnterviewd, in 1992. KLIK

woensdag 3 september 2014

Het is best een riskante onderneming om je kind een naam te geven


Er stond heel groot ISIS op de muur van de school geschreven. Met stoepkrijt.
Ik schrok.
En meteen daarna realiseerde ik me: Oja, er zit een Isis in groep 6.
En toen zag ik ook het hartje naast haar naam.
Er zitten hier heus geen ISIS sympathisanten op school, gekkie. 

Bovendien heet ISIS tegenwoordig IS.
Het blijft even gruwelijk wat ze doen, maar toch: fijn voor de Isissen op deze wereld.
Want ik moet bekennen dat ik de laatste tijd een kleine steek van medelijden voelde als ik de moeder van Isis zag, op het plein.
Zo heb ik het ook een tijd een beetje zielig gevonden voor mensen die Joran heetten.
En als iemand zich voorstelt als Martijn, moet ik altijd eerst even door die pedoclub heen.
(Zoals er, maar dat is van een wat andere orde, nog steeds als ik hoor dat iemand Tina heet, onwillekeurig door mijn hoofd schiet: ‘Was kosten die Kondome?’)

Het is, als je erover nadenkt, best een riskante onderneming om je kind een naam te geven.

Uiteraard: geen weldenkend mens noemt zijn kind Adolf.
Dat mag geloof ik zelfs niet, in Nederland.
Maar je kunt geen rekening houden met wat er gebeurt, nádat je de geboorte van je kind bij de burgerlijke stand hebt gemeld!
Je noemt je schattige baby’tje Tristan, en een paar jaar later schiet ene Tristan van der V het publiek van een winkelcentrum aan flarden.
Wel, gódver!

Je zwarte Suzuki kun je nog verkopen, of overspuiten, maar je kind een andere naam geven omdat er van de ene op de andere dag een (breed maatschappelijk gedragen) nare associatie aan kleeft, dat doe je niet snel.

Dus wat doe je dan wel, als ouder, in zo’n geval?
Of wat doe je zelf, als je eigen naam in meer of mindere mate bezoedeld wordt?
Dan sta je daar bóven.

Natuurlijk.
Want duh.

Daarom hoef ik ook geen medelijden met de moeder van Isis te hebben.
Dat is zelfs redelijk aanmatigend, goed bekeken.


En daar dacht ik zo eens wat over na.