zondag 27 april 2014

Bij ons in de PC: Het rioolding

Bron: riool.nl
Na de aanvankelijke euforie over ons nieuwe huis kreeg ik even een terugslagje.
Een post-verhuizing dipje.
Niet dat ik niet meer blij was met het huis, integendeel, maar er kwam ineens wat teveel op me af. Werk, voornamelijk. Ik had een maand lang mijn klussen naar voren geschoven en nu keek ik ineens tegen een enorme berg aan. Ik moest er nodig mee aan de slag – en dat ging ik dan ook – maar ik wílde het niet!
Ik wilde nog schilderijtjes ophangen en kastjes inrichten en spulletjes ordenen en onkruid wieden in de tuin en gewoon een beetje wónen. En bijkomen.
Intussen waren er ook nog allemaal ingewikkelde kinderdingen; schoolkampen en sportdagen en juffenfeestjes en klasseavonden en eindvoorstellingen en nouja, ik verzoop bijna.

En net toen ik het allemaal weer wat onder controle kreeg, was daar:
Het rioolding.

Ik moet dat even inleiden.
Er lopen in ons huis lopen twee rioolbuizen van boven naar beneden, een voor in het huis en een achter.
De achterste is prima. Gelukkig maar, want daar zitten onze drie(!) wc’s en de badkamer op aangesloten.
Maar die voorste, daar was dus wat mee. Dat hebben de vorige bewoners waarschijnlijk nooit gemerkt – want hij voerde alleen het water van een klein keukenblokje en een wastafel af – en wij zouden het misschien ook (nog lang) niet gemerkt hebben……. als we er niet de wasmachine op hadden aangesloten.
Ja en dát kon die dus niet aan, die oude gietijzeren buis, die – zo bleek later - voor 90% was dichtgeslibd.

Ik merkte dat er steeds een beetje water lekte als de wasmachine aanstond. Telkens een beetje meer. En bij de tiende wasbeurt stond ineens de hele vloer blank.
Niet goed.

Dus ik belde zo’n rioolbedrijf.
Een paar uur later kropen er twee mannen onder de grond die vervolgens weer boven kwamen met de mededeling: ‘Mevrouw, die buis, die moet worden vervangen. Die krijgen we nooit meer open.’ En ze wilden weer weggaan.
Ik keek naar mijn net zo prachtig gestucte muren waar dan weer in gebroken en gefreesd zou moeten worden en dacht: Nee. Gaan we niet doen.

Dus ik gooide al mijn charmes in de strijd.
Het kwam echt uit mijn tenen. Ik haalde alles uit de kast.
‘Maar jullie hebben daar toch van die vet coole dingen voor, van die hogedrukdingen met zo’n slijpkop enzo? Dat moet toch hartstikke leuk zijn om te doen? Jullie kunnen het toch wel probéren? Voor mij?’
Nou, goed dan, ze gingen het proberen. Als ik dat dan perse wilde.
Helaas, zonder resultaat.
‘Wat we al zeiden, mevrouw, gaat niet lukken. Er zit niets anders op, de buis moet worden vervangen.’

En ja, vraag me niet hoe, toen heb ik ze weten over te halen om het nóg eens te proberen, maar dan niet van boven, maar vanaf beneden.
En wonder boven wonder: toen lukte het.
De leiding was weer open!
Fokking hoera!

De rioolmannen, wier innerlijke Bruce Willis was wakker gemaakt, sloegen zich zo wat op de borst – ze hadden het onmogelijke mogelijk gemaakt voor een 'damsel in distress' –  en ik, ik was zo blij! Mijn muren waren gered, ik kon weer wassen, en dat had ik toch maar mooi aan mijn drammerigheid te danken!
Ha!

Maar hoogmoed komt voor de val, dat blijkt wel weer.
Want de volgende dag merkten we dat het heel erg stonk in de kelder.
En even later ook in de gang. En in de keuken. En toen in het hele huis.
Een heel, heel erge stank. Zo scherp en zuur, echt angstaanjagend!
Ik raakte er werkelijk van in paniek. Zo'n basale, oerpaniek. Alsof ik instinctmatig wist dat dit echt niet goed was, voor de gezondheid.
En toen het rioolbedrijf die dag ook nog eens geen tijd had om te komen, flipte ik.

Omdat ik weet dat Henk daar niet zo goed tegen kan, probeerde ik hem tegelijkertijd gerust te stellen. Wat ongeveer als volgt ging:
(Hoge paniekstem:) ‘Het komt vast nooit meer goehoed! Ik las op internet dat sommige mensen al vijf jaar in de stank wonen en dat het probleem maar niet opgelost kan worden! Straks kunnen ze het hier ook niet oplossen! Ik wíst wel dat er een addertje onder het gras zat, het was ook allemaal te mooi om waar te zijn, dit huis, dit mooie huis DAT NU STINKT NAAR RIOOL!’
(Rustige stem, een paar octaven lager:) ‘Ja, ik ben een beetje in paniek, maar ík ben er ook nog hoor, mijn kalme eigen zelf. Dus je hoeft niet bang te zijn. Het gaat zo weer over. Het is alleen, weet je, ik vind die stank zo erg, ik hoop gewoon zó dat ze het morgen kunnen oplossen.’
(Hoge paniekstem:) ‘Als ze het niet kunnen oplossen dan wil ik hier weg hoor, echt, ik wil verhuizen! Ik was zo blij in mijn nieuwe huis, maar als deze stank niet weggaat wil ik hier geen dag langer blijven hoor je, geen dag langer!’)
(Rustige stem, een paar octaven lager:) ‘Dat meen ik natuurlijk niet echt hoor. Dat roep ik gewoon omdat ik in paniek ben.’


Ja. Nou, dat hielp niet, kan ik zeggen.
(En logisch ook; dat moet er pas echt scary hebben uitgezien. Zo’n griezelige split-personality tegenover je.)

Enfin, lang verhaal kort, de mannen van het rioolbedrijf kwamen de volgende dag. Met een rookmachine, heel fancy. (Joh, ik heb weer zoveel bijgeleerd!) En ze kwamen erachter dat er iets met een koppeling niet meer goed zat. Nadat ze zo fors aan de slag waren geweest.
Ze konden het oplossen.
Gelukkig.

Ofzo.
Want de stank is zesendertig uur later nog steeds niet weg.
Wel minder, geloof ik, maar niet weg.
Misschien duurt het gewoon een tijdje, hè, voor het is verdwenen.
Ik hoop het maar.


(Maandag gaan we naar Berlijn, dat scheelt :).)

dinsdag 15 april 2014

De Oosterhoutjes


Kijk, dit is het kozijn van onze voordeur.





We hebben twee bellen. Een klingelbel, waar je je totaal van naar de kloten schrikt als je toevallig in het halletje staat (weet ik inmiddels uit ervaring), en een drukbel, die een vreemd geluid maakt, dat ik nog steeds in eerste instantie niet kan thuisbrengen.
Het is even wennen; in ons vorige huis hadden we een bel die zo zacht was dat we hem nauwelijks hoorden – in de woonkamer al helemaal niet. (Wat best lekker rustig was, realiseren we ons nu.)
En dat ik nu ineens twéé nieuwe geluiden tegelijk moet adapteren helpt ook niet echt.
Jaja, het is vreselijk allemaal.
Haha.
Nee.

Waar ik het eigenlijk over wilde hebben, is het naambordje, dat tussen de twee bellen in hangt. 
Oosterhout.
Zo heten wij niet, het is de naam van de vorige bewoner.
De eerste dag dat we hier woonden heb ik geprobeerd het bordje los te schroeven, zonder resultaat. De schroefjes zitten volledig vastgeroest. Misschien dat het zal lukken met een of ander roest-oplosmiddel, maar pff wat een gedoe. Of ik zou met grof geweld kunnen proberen het bordje eraf te roppen, met behulp van een plamuurmes ofzo, maar dat is ook zo wat.
En bovendien: wat dan?
Moet er dan een nieuw bordje op?
Ze zijn allemaal even vreselijk, zag ik, toen ik stiekem even ging kijken op www.naambordjes.nl. Of je nou kiest voor landelijk, klassiek, industrieel of modern, voor metaal, hout of plexiglas.
En moeten we dan heel hip Henk, Yvon, Bo, Merlijn en Loïs doen? Of alleen onze achternaam? Met familie ervoor? Haha.
We kunnen ook iets joligs doen als Hier wonen wij. Of Wacht u voor de hond.
U begrijpt het al, daar komen we voorlopig niet uit.

Momenteel gaan we dus door het leven als 'de Oosterhoutjes'.
(Er zijn al zeker zeventien mensen binnengekomen die geestig riepen: ‘Woont hier de familie Oosterhout?’ Dat krijg je. En wij elke keer weer beleefd lachen.)

Ik denk dat we het voorlopig maar zo laten.
Ik wou tenslotte altijd al een alias.


En als u me nu wilt excuseren, ik duik nog even in de reissectie van het internet.
Eens kijken of we kunnen besluiten waar de Oosterhoutjes naar toe gaan in de zomervakantie.

vrijdag 4 april 2014

Het einde van iets



Voor u dit leest MOET u eerst dit lezen.

Nouja, u moet natuurlijk helemaal niets, maar als u het niet doet mist u mogelijk de impact van het komende verhaal.
Nja.
Zie maar.
Het gaat over een lampje. Over het mooiste lelijke lampje van de wereld, dat op een bijzondere wijze in ons bezit is gekomen en al 21 jaar op onze slaapkamer staat.

Zo'n tien dagen geleden pakte ik het lampje van de kast om het in een verhuisdoos te stoppen en ik kreeg de schrik van mijn leven.
(Bij wijze van spreken dan, want ik schrik natuurlijk niet zo gauw. Maar toch.)

Húh?!?

De prachtige witte lelie was ineens een soort van…. zwart.

Nog even dacht ik dat ik het niet goed zag. Dat het met de lichtinval te maken had. Of dat ik me het lampje gewoon niet goed herinnerde; ik kijk immers niet dagelijks naar alle dingen in huis.

'Henk,' checkte ik, 'vind jij ook niet dat ons lampje eh… er anders uit ziet?'
'Euh,' zei Henk, 'dat is gek.'
Hij opende de glazen bol open en een enorme putlucht kwam ons tegemoet. Echt, hè: wat een stank. De bloem in het water was volkomen bedorven. Verrot.
Ik wist niet dat plastic bloemen konden bederven, maar dat kan dus, na 21 jaar.
(Of langer; wie weet hoe lang het lampje al bestond voordat wij het uit het hotel meenamen.)


Krampachtig probeerde ik er geen betekenis aan te hechten.
Maar dat was natuurlijk onmogelijk.
Want het lampje hád al betekenis.
En als dit lampje symbool stond voor onze liefde, WHAT THE FUCK BETEKENDE DIT DAN?
En waarom net nú?
We hebben verdorie net een nieuw huis gekocht!
Nu uit elkaar gaan zou echt een enorme financiële ramp zijn!

'Wat betékent dit, wat betékent dit,' piepte ik paniekerig.
'Joh,' zei Henk. 'Je moet het maar zo zien, het is het einde van iets, maar het begin van iets nieuws. We gaan een nieuwe fase in.'
Hm, bromde ik.
Hm. Een nieuwe fase.

Veel tijd om er bij stil te staan had ik niet, er moest tenslotte verhuisd worden.
En ik vergat het maar zo'n beetje.

Tot ik een paar dagen geleden de betreffende doos uitpakte en het lampje –  een lege glazen bol en een voet met fitting – tevoorschijn haalde.
'Een nieuwe fase, dus,' sprak ik dapper. En dacht aan de drie grote rode plastic rozen die ik zojuist uit een andere doos had getoverd.
Ik frunnikte een van de rozen in de lamp en was aanvankelijk best tevreden.
Minstens zo kitscherig als de lelie, maar dan ánders; heel goed, voor bij de nieuwe fase.
Tot ik 's avonds het lichtje aanknipte.
Oeh!




Nee, dit was het toch niet helemaal, zacht gezegd.
Ik weet niet hoe de nieuwe fase eruit ziet, maar in elk geval niet zo.

Maar wat dan, hè?
Wat nu?
Proberen bij de Xenos toch maar een nieuwe lelie te vinden?
Dat voelt ook zo als iets geforceerd in stand houden.
Loslaten, moeten we.  (Een nieuwe fase.)

Misschien moet het wel helemaal anders. Misschien moeten er badeendjes in. Of een schatkist. Of een kasteel van lego.
Ik weet het niet.
Heeft u een idee?

Want zo is het niks.