zondag 24 januari 2016

Meet Anna Pushkin


In de kerstvakantie vond ik een doos. Met klein speelgoed. Poppetjes, beestjes, poppenhuismeubeltjes, autootjes, verdwaalde legoblokjes, AH- mini’s, etc.
Speelgoed waarmee nooit gespeeld wordt, en werd.
Ik bedacht ineens dat ik daar iets mee moest.
(Waar ik bij moet zeggen dat ik enigszins overwerkt was en overprikkeld van die hele decembermaand, en de intense behoefte had aan iets sufs.)

Dus ik kocht een letterbak op Marktplaats en begon aan mijn euh...project.
Zo noemde ik het maar.
De kinderen vonden het geloof ik wel een soort van grappig, maar zaten er vooral meewarig bij te kijken. Elke avond na het eten ging ik een tijdje zitten spelen. Ik kan niet vertellen hoe vredig ik werd van kleine plastic teddybeertjes op kleine plastic paardjes lijmen. Van poppetjes en dingetjes bij elkaar verzinnen die samen een verhaaltje vertellen.
(Mijn lievelings is Minnie Mouse die cello speelt op een fluitje in de vorm van een gitaar, in haar kamertje met bloemen.)

Het valt nog knap tegen hoeveel tijd er in is gaan zitten, trouwens.
Maar vandaag was het af.




Net op tijd, want er is een nieuw project: Project poes.

Toen we eenmaal weer reëel denkende mensen waren geworden, die niet meer verwachtten dat Lotje terug zou komen lopen, besloten we tot de aanschaf van een echte, eigen kat. (Lotje heeft ons doen inzien dat we een kat nodig hebben – laat dat haar taak zijn geweest.)
Dus togen we naar een asiel in Drachten. Voor een poesje dat we hadden gezien op de ‘ik zoek baas’ –app. Het bleek er niet meer te zijn en we werden doorverwezen naar een andere kattenopvang, die op dit moment geen plaatsbare katten had en ons ook weer doorverwees, tot we uiteindelijk bij een asiel/pensiontoestand diep in de krochten van Friesland besloten Anna mee naar huis te nemen.

Nu vind ik Anna eigenlijk een wat moeilijke naam voor een kat.
Meer iets voor een boot.
(Ik heb een kat. Ik heb een hele leuke splinternieuwe kat. Haar naam is Anna en ze zit hier op de mat.)

Dus we vroegen ons voorzichtig af of het done zou zijn om haar – ze is tenslotte pas anderhalf – te hernoemen.
Want dat is een van de leuke dingen van een dier nemen. En van een kind krijgen, for that matter. Dat je een naam mag verzinnen.
Ik heb ook altijd een heleboel namen op voorraad. (‘Als ik ooit nog een schaap krijg dan noem ik hem Woll-e’ – op die manier.)

Zo heb ik heb Oedi altijd een leuke naam gevonden voor een kat.
Oedi-poes. Vooral voor de wat complexere kat.
Of Nails. Geinig en tóch chic.

We besloten voorlopig maar tot een compromis: Anna Pushkin.
Roepnaam Pushkin. Afgekort: Poes. (Prima!)

Maar we moeten nog maar zien, hoor.
Ik merk nu al dat ik haar steeds Koetje noem.
Dus wie weet wordt het nog Bertha 3.
Of het blijft toch gewoon Anna.

Hoe dan ook, ze is heel erg lief. Heel.

Ik denk dat ik de mensen ga doodgooien met kattenfilmpjes de komende tijd.


 








Edit: Iemand met verstand van zaken attendeerde me erop dat achternamen in Rusland een vrouwelijke vorm kennen. Het zou dan in dit geval dus Anna Pushkina moeten zijn. 
Uit te spreken als: Anna Púshkina. (Zoals Anna Karénina.) 
Waarvan Akte.

Voorlopig is het voor mij trouwens Koetjepoes.  





zaterdag 9 januari 2016

Documentairetip: Making a Murderer

Ik las een paar dagen geleden ineens dit: Waarom de halve wereld kijkt naar Making a Murderer.

En ik dacht: oké, de halve wereld doet iets en ik hoor er weer eens niet bij.
Dat gebeurt vaker. En meestal schep ik er met mijn tegendraadse natuur ook wel een zeker genoegen in, om bij de andere helft te horen.
Maar nu was er toch iets dat me triggerde.
Dus ik ging éventjes kijken. Op Netflix.
Na het eerste halfuur dacht ik nog: Neh. Ik geloof niet dat ik hier zin in heb.
En daar had ik misschien beter naar kunnen luisteren.
Want ik bleef dus kijken, en nu zit ik gevangen.

Het gaat over Steven Avery, die opgroeit op een autosloperij in een enigszins asociale setting (‘trailer trash’) en op zijn drieëntwintigste naar de gevangenis moet wegens verkrachting. 
Onschuldig, zo blijkt na achttien jaar, wanneer de echte dader gevonden wordt.
Hij komt vrij en pakt zijn leven weer op. Hij besluit een aanklacht in te dienen tegen de sheriff en de officier van justitie, die aantoonbaar grote fouten hebben gemaakt in zijn zaak.
En dan…. wordt hij beschuldigd van moord.

Meer zeg ik niet. Dit was misschien al wat veel.


Maar het is dus. Echt. Verschrikkelijk.
Ik heb in mijn hele leven nog nooit iets gezien op de televisie dat zo FRUSTREREND!! is als dit. (Just what I need in life. Hm.)


We zijn pas in aflevering 4 (van de tien) en ik kán al niet meer.
Ik trek letterlijk de haren uit mijn kop.
‘Hoe dan, hoe dan toch?!’ schreeuw ik naar het scherm.
En vervolgens doe ik weer heel hard van 'LALALALA', met mijn vingers in mijn oren.
Ik wil echt dingen naar de tv gooien.
Zo erg is het.
Ik weet gewoon niet wie ik het ergst haat: Kocourek, Vogel, Colborn, Lenk of die verschrikkelijke roodharige engerd waarvan ik even zijn naam kwijt ben, oja Kachinski! Zijn grijns wil ik wel van de beeldbuis afspúgen!

Tussendoor moeten we steeds de tv op pauze zetten, omdat Bo en Merlijn ook totaal gegrepen zijn (of het eigenlijk pedagogisch verantwoord is dat ze meekijken weet ik even niet) - maar het af en toe niet meer kunnen volgen. En logisch ook. Want ik snap er ook geen flikker van!
(En tegelijkertijd ook weer wel, dat maakt het zo griezelig.)

De boekjes van Piet Polies kunnen met terugwerkende kracht het haardvuur in.
‘Maar die meneer is toch een rechter? Die moet toch eerlijk zijn?
‘Waarom doet die politiemeneer zo gemeen?’
Het is enger dan The walking dead.
Het is de totale omkering van goed en kwaad.

En echt gebeurd dus.
Soort van. (Want het blijft natuurlijk een geregisseerde documentaire.)


Wat ook niet helpt is dat de familie waar het om draait een gemiddeld IQ heeft van 70. 
Ze begrijpen nauwelijks wat hen allemaal overkomt. Ook letterlijk niet. Het is…. zo ongemakkelijk, allemaal.
(Zoon, 16 jaar, aan de telefoon vanuit de gevangenis: ‘Er staat in de brief dat er inconsistenties zitten in mijn verklaring. Maar ik weet niet wat inconsistenties zijn.’ Moeder: ‘Nee, dat weet ik ook niet. Ik hou van je, jongen, hou je taai hè.’)


Aan het eind van aflevering 3 dacht ik werkelijk dat ik gek werd.
Echt, het had geen kwaad gekund als ik even in een zakje was gaan blazen.
Ik kon niet op de bank blijven zitten. Ik stond op het kleed te springen en tegen de tv te schreeuwen. (En of dát pedagogisch verantwoord is weet ik ook even niet.)


Maar om u dus de kans op zo’n opwinding niet te onthouden – en stiekem onder het mom van ‘gedeelde frustratie is halve frustratie’ – is hier dus mijn tip:

Making a Murderer (klik = trailer)

Gaat dat zien.


(Oh. Ik zie nu dat Arjen Lubach het er ook over had in DWDD, vanavondNouja, we zijn het geloof ik wel aardig eens.)