zondag 20 september 2015

Nog even over de kat


Het viel me op dat de meeste reacties op mijn vorige blog iets zeiden in de trant van: ‘Lotje niet meer binnen laten en zelf een leuk jong katje nemen.’

Ja, ik moet natuurlijk volwassen zijn.
Novy, de kattensteelster. Foei.

Maar het wringt wel een beetje.

Iemand schreef iets als: ‘Katten zijn nou eenmaal eigenzinnige, autonome wezens. Ze kiezen zelf wat ze willen doen en waar ze willen zijn. Ze hebben geen baas, maar personeel. Dus laat Lotje niet meer binnen en neem zelf een leuk jong katje.’

Vond ik een gekke ‘dus.’


Als mijn echtgenoot liever bij de buurvrouw is, dan ga ik toch ook niet aan haar vragen of ze hem alsjeblieft niet meer binnen wil laten?

Of wel?
Ja, misschien doen mensen dat ook eigenlijk juist wel.
Het is de heersende moraal: hechten aan bezit. Vasthouden wat je hebt.

Wat ik ook altijd heel gek vind is dat als er wordt vreemdgegaan binnen een relatie, de woede vaak gericht is op ‘die ander’. ‘Hij/zij moet met zijn/haar gore poten van mijn vriend(in) afblijven,’ dat idee.
Ik snap dat echt niet.
Natuurlijk, het is misschien niet heel netjes van die persoon, en wanneer het een goede vriend(in) betreft – iemand die je óók vertrouwde – is het wellicht anders, maar het lijkt me toch in eerste instantie dat je boosheid en teleurstelling  juist naar je eigen partner zouden moeten gaan, die – tegen de beloftes in die je aan elkaar deed – ineens liever bij een ander is.



In 2000 vertelde Henk, toen we zeven jaar samen waren, dat hij verliefd was. En hoewel ik daarmee natuurlijk acuut een groot probleem had en heel erg gekwetst was en verdrietig en mijn hele toekomst zag ineenstorten, was er geen haar op mijn hoofd die boos was op háár.
Gewoon echt niet.
‘Dus je bent verliefd op mijn man,’ zei ik. ‘Ja, dat snap ik wel. Hij ís ook leuk.
En dat hij jou leuk vindt begrijp ik ook wel.’

Wat moest ik doen? Stampvoeten, schreeuwen: hij is van mij!
Hem smeken, om mij vooral niet in de steek te laten?
Dat had ik vast verloren.
(Want stampvoeten en smeken is namelijk helemaal niet sexy – en die ander op wie hij verliefd is, is dat nu juist wél. Je staat al met 1-0 achter.)

Het enige wat ik kon doen was loslaten.
En de tijd benutten om voor mezelf uit te maken of ik hém eigenlijk nog wel wilde (dat was zo) en of dat om de goede redenen was.
En maar kijken wat er gebeurt.


Wat niet bij jou wil zijn, is niet voor jou. Toch?


Het had overigens een happy end.
De ‘ander’ is nu, 15 jaar later, nog steeds mijn beste vriendin, ze heeft vier kinderen en een heel leuke man, onze gezinnen trekken veel met elkaar op.
En dat er tussen Henk en haar altijd een bijzonder ‘iets’ zal blijven, vind ik alleen maar mooi. Het gaat zoals het gaat.




Maar nog even over Lotje.

De vrouw zei, beschaamd wijzend op haar kroost bij haar benen: ‘Ik geloof dat Lotje niet zo heel erg gek is op kleine kinderen. En een tijdje geleden hebben de buren een kat gekregen, waar ze heel erg bang voor is. Ik denk dat het bij jullie voor haar rustiger is.’

Ja, en dus?

Dus wilde ze haar kat terug.
En mogen wij haar niet meer binnenlaten.


Dus tsja, dat proberen doen we nu maar. Want het is the right thing, toch?


Justice done, cat unhappy.


Het is maar net hoe je het leuk vindt.







vrijdag 18 september 2015

Op kattengebied


Terwijl we in Nederland collectief in de ban zijn van de dode kat van Geert Wilders, gebeurde er hier thuis ook iets op kattengebied.

Sinds een half jaar hebben wij een kat. Ik vertelde er al eens over.
We zijn allemaal stapelgek op haar. Ze slaapt in onze bedden en als we eten, zit ze bij ons aan tafel, op de zesde eetkamerstoel.
Dat het strikt genomen niet onze kat is, is langzamerhand als bezwaar om van haar te houden steeds verder naar de achtergrond verdwenen.


Maar vanavond stonden ineens haar rechtmatige baasjes voor de deur.
En ja, ik moest ze natuurlijk wel binnenlaten; de vrouw, met een jongetje van een jaar of vier en zijn werkelijk schattige kleine zusje.

Het was ..... ongemakkelijk.



Ik deed zojuist Bo – die bij een vriendin logeert en het bezoek gemist had – verslag:







(Ik weet soms niet of ik wel zo'n heel goede moeder ben...)


dinsdag 15 september 2015

Mag ik dan bij jou?

Disclaimer: ik vind Claudia de Breij heel leuk. En grappig. Vooral voorheen, op de radio. En ik heb ook wel eens heel hard moeten lachen bij een voorstelling van haar op tv, terwijl ik niet eens van cabaret hou.



Ik liep vanmiddag in de supermarkt en hoorde het liedje van Claudia de Breij:


Dat schijnt – zo heb ik de laatste jaren gemerkt – een heel populair lied te zijn.
Veel mensen vinden het prachtig.

Ik was laatst mee op circuskamp met mijn oudste dochter en hoorde op een ochtend het lied in kwestie uit een van de tenten schallen.
‘Zo,’ zei ik tegen de jongen in de tent, ‘lig jij lekker naar Claudia de Breij te luisteren?’
En gelúkkig maar dat de ironie hem ontging, want hij begon onmiddellijk te vertellen dat het nummer gedraaid was op de uitvaart van zijn oom (geloof ik?) en dat hij er sindsdien iedere ochtend naar luistert.
Zie je. Het doet mensen wat. Zelfs jongens van zestien.
En het wordt waarschijnlijk veel gedraaid op begrafenissen.

Ik zal er dus wel veel mensen mee tegen hun schenen schoppen, maar ik vind het een ongelofelijk zeiknummer. 
En vanmiddag, in de supermarkt, realiseerde ik me ineens dat ik ook nog eens geen zak snap van de tekst!
Het is lang geen Koningslied, maar wel hartstikke verwarrend!



Het is me namelijk volstrekt onduidelijk tegen wie ze het heeft.


Je zou kunnen zeggen: dat maakt niet uit.
Gewoon, tegen iemand. Bij wie ze zich veilig voelt.
Mooi, toch?
Ja.

In het eerste couplet gaat het ook nog best goed.
(Er zijn wel wat kleine vraagtekens: want wat voor een clúbje zou dat toch kunnen zijn? Maar ik wil niet op alle slakken zout leggen.)

Als de oorlog komt, 
En als ik dan moet schuilen,
Mag ik dan bij jou?
Als er een clubje komt, 
Waar ik niet bij wil horen,
Mag ik dan bij jou?
Als er een regel komt
Waar ik niet aan voldoen kan
Mag ik dan bij jou?
En als ik iets moet zijn,
Wat ik nooit geweest ben,
Mag ik dan bij jou?

Okee.
Ik denk: je bent een vriend, of een vriendin. Of mijn broer of mijn zus. In elk geval iemand die me zeer dierbaar is.

Maar dan.
Het refrein:

Mag ik dan bij jou schuilen,
Als het nergens anders kan? 

(Huh? Als het nergens anders kan?? Dus eigenlijk: Nadat ik overal tevergeefs heb aangeklopt, en jij de áller-állerlaatste keus bent, mag ik dan bij jou?)

En als ik moet huilen (schuilen – huilen, nja, vooruit.)
Droog jij m’n tranen dan?
Want als ik bij jou mag,
Mag jij altijd bij mij. 

(Maar alleen dán, hè. Alleen als ik ook bij jou mag. Anders niet hoor, ik ben me daar niet gek.)

Kom wanneer je wilt,
Ik hou een kamer voor je vrij.
(Man: ‘Hee zeg, dat lege kamertje hè, misschien is het een leuk idee als ik daar een fitnessruimte van maak.’ Vrouw: ‘Nee, sorry schat, die moet vrij blijven. Voor als dinges bij mij wil.’)

Als het onweer komt, 
En als ik dan bang ben,
Mag ik dan bij jou?
Als de avond valt, 
En ’t is mij te donker, 
Mag ik dan bij jou?
Als de lente komt, 
En als ik dan verliefd ben
Mag ik dan bij jou?

Ho. Wacht. Stop. Verliefd? Op wie? Op jou? Hield ik daarom die kamer vrij?
Of op iemand anders? Maar dat zou raar zijn. Want als ik verliefd ben wil ik juist bij hém. En niet bij jou. Toch? 

Als de liefde komt, 
En ik weet het zeker, 
Mag ik dan bij jou?

Ja, nou weet ik het geloof ik zeker. Ik ben verliefd op jou. Dus ik mag bij jou. Voor altijd-en-altijd! Wat fijn!


Maar dan komt weer dat gekke refrein:

Mag ik dan bij jou schuilen,
Als het nergens anders kan? (Iedereen gevraagd. Zeiden allemaal nee.)
En als ik moet huilen, 
Droog jij m’n tranen dan?
Want als ik bij jou mag,
Mag jij altijd bij mij.
Kom wanneer je wilt,
Ik hou een kamer voor je vrij 

(Maar waar ben je nú dan eigenlijk? In je eigen huis? Ben je getrouwd ofzo? Heb je een relatie met iemand anders? Of ben je toch mijn broer, heb ik verkeerd begrepen dat we nu verliefd zijn? Ik wéét het niet meer!!)

Als het einde komt, 
En als ik dan bang ben,
Mag ik dan bij jou?

Als het einde komt, 
En als ik dan alleen ben 
(Zie je? Ik ben ineens weer alleen!)
Mag ik dan bij jou?


Echt heel verwarrend.

Of ligt dat nou aan mij?






donderdag 10 september 2015

De put

Het is heel goed mogelijk dat ik hier spijt van ga krijgen.
Omdat het persoonlijker is dan me lief is. En omdat ik een (irreëel?) grote angst heb om van vals sentiment beticht te worden.
En omdat het een gedeelte uit een brief is die ik vorig jaar schreef aan iemand die in het donker was beland, in een poging hem een hart onder de riem te steken (geen idee of dat gelukt is – waarschijnlijk niet) en het misschien op z’n minst een beetje ráár is, als hij de woorden die ik aan hem schreef, ineens hier, openbaar gepubliceerd, zou lezen. Maar ik heb besloten dat het kan en mag; het zijn de passages die alleen over mij gaan – en ik geloof niet dat ik het ooit beter kan opschrijven. 

Dus ik doe het.
Omdat ik dit vandaag nog op Facebook heb gedeeld:




En het misschien inderdaad goed zou zijn als er meer over depressie gepraat werd.





Op een dag besloot ik dat ik niet meer wilde leven.

Het was 1997, ik was 26 en ik was al zo’n vier jaar ziek, waarvan twee jaar heel depressief. Ik woog inmiddels nog 40 kilo omdat ik zo’n beetje was gestopt met eten. (Niet omdat ik anorectisch was of zoiets, maar gewoon omdat ik het niet meer kon opbrengen.)

Ik wilde dood.
Ik ging mezelf dood maken.

Ik wist ook al hoe.
Ik had een touw gezocht en een balk zichtbaar gemaakt in het plafond van de serre, door een plaat weg te schuiven.

Op de dag dat ik het zou gaan doen bleek dat ik niet durfde.
‘Okee,’ zei ik. ‘Vandaag durf ik niet. Ik doe het morgen.’

De volgende dag durfde ik weer niet.
‘Morgen,’ nam ik me voor. ‘Morgen doe ik het.’

De dag erna durfde ik opnieuw niet.
‘Morgen,’ zei ik.


Zo ging een jaar voorbij.

Iedere avond, als Henk thuis kwam van zijn werk in het theater, hield hij er rekening mee dat hij mij bungelend kon aantreffen.
Elke keer bleek ik gewoon in bed te liggen.

Het was slopend. Voor ons allebei.



Na me een jaar lang elke dag te hebben voorgenomen de volgende dag een eind aan mijn leven te maken (zonder overigens ook maar één keer iets van een poging te hebben ondernomen – pogingen waren voor mietjes) belandde ik op een nieuw dieptepunt.
De spreekwoordelijke put bleek een spreekwoordelijke dubbele bodem te hebben. Nu pas had ik echt een probleem: de nooduitgang was geblokkeerd, door mijn eigen doodsangst.


Het blijft een goede metafoor: de put. Als je erin dreigt te vallen, klamp je dan vast aan de rand. Laat niet los. Het kan aanlokkelijk zijn om je te laten vallen, maar weet: als je eenmaal valt, kun je niet stoppen. Dan moet je helemaal naar de bodem.
En op de bodem is niets.
Behalve duisternis en kou.
En een deurtje. Met een bordje: Nooduitgang.
Pas wanneer je op de bodem bent geland zijn er weer opties: je kunt naar boven klimmen, met of zonder hulp, je kunt op de bodem blijven zitten, of het deurtje proberen. Maar het is een verneukeratief deurtje; het vereist een heleboel lef om erdoor te gaan.



Misschien was het achteraf niet de doodsangst die me tegenhield, maar een heel klein sprankje hoop, zo klein dat het niet als zodanig te herkennen was, maar desondanks sterk genoeg om mijn plannen te dwarsbomen.



Hoe dan ook, het was tijd voor een nieuwe aanpak.
En aangezien er slechts drie opties zijn – leven, vegeteren of doodgaan – en ik twee daarvan de voorgaande jaren al vruchteloos had geëxploreerd, zat er niets anders op dan ‘leven’ weer een kans te geven.
Dat kon ik óók niet – anders was ik immers nooit in deze hel terechtgekomen – maar het was de optie die ik al het langst niet had geprobeerd.

Nog maar één mogelijkheid over hebben voelde gek genoeg als een bevrijding.
Ik had niets meer te verliezen.


Om de nieuwe aanpak kracht bij te zetten besloot ik hulp te zoeken.
Dat was nogal een dingetje: ik geloof namelijk niet zo in therapeuten. Ik heb zowel een autoriteitsprobleem als een superioriteitscomplex (ik vind mezelf over het algemeen slimmer dan degene die ik tegenover me heb – het zal mijn joodse bloed zijn, haha inside joke – en bovendien, wie heeft er nou meer verstand van mij dan ik?) maar omdat ik toch niets meer te verliezen had gaf ik het een kans.

Ik sloeg de gouden gids open (pre-internet tijdperk), en zocht de P van Psychiater.
Ik belde naar het eerste nummer dat me in het oog sprong, piepte ‘help’ in de hoorn en maakte een afspraak.



Een kleine, gedrongen man van een jaar of 60, met een rond brilletje met een gouden montuur, deed de deur open. Hij was: precies goed.
Als iemand me vooraf had gevraagd een psychiater te tekenen had ik hem zo getekend.
Ook de kamer was precies goed.
Met overal boeken en stapels papieren, een groot antiek bureau en een Chesterfield bank. Waar ik goddank niet op hoefde te liggen maar gewoon op mocht zitten.

Twee jaar lang heb ik iedere donderdagmiddag drie uur lang op die Chesterfield gezeten.
Het waren enorm intensieve sessies.
Waarbij we soms wel een uur allebei zwegen.
Alsof het een wedstrijd was; wie het eerst de stilte verbrak verloor.
Al snel begon ik er de lol van in te zien.
We speelden een soort spel.
Een krachtmeting in eloquentie.
Mijn uitdaging was de psychiater zoveel mogelijk proberen te choqueren met mijn diepste zielenroerselen, zwartste gedachten en bizarre fantasieën. (Waarbij ik me overigens strikt hield aan mijn eigen spelregels: niet overdrijven, geen versieringen of verfraaiingen, geen vals sentiment.)

Omdat deze psychiater  – die zichzelf overigens ‘zenuwarts’ noemde (een ouderwetse benaming voor iemand die zowel neuroloog als psychiater is) – de grootste gekken van de stad in zijn patiëntenbestand had (ik kwam ze wel eens tegen bij het binnenkomen en verlaten van zijn huis) was dit waarachtig een uitdaging: hij zal ongetwijfeld raardere dingen hebben gehoord. Maar desondanks.


Het heeft me goed gedaan.
Het was fijn om mijn levensverhaal uitgebreid aan iemand te mogen vertellen. Om daar heel veel tijd voor te krijgen.
En vooral: het gaf regelmaat aan mijn leven. Ik had voor het eerst weer iets om naar uit te kijken: de donderdagmiddag. Het verhaal moest af.


Maar heeft het werkelijk geholpen?
Neu.
Ik geloof nog steeds niet zo in therapie.
An sich.


Wat wel hielp?
Ik werd zwanger. (Niet gepland uiteraard. Duh: ik haalde het niet in mijn hoofd om me voort te planten.)
En er gebeurde iets wonderlijks: het leven in mijn buik bleek het ultieme tegengif tegen mijn doodswens. (Poëtisch voor: de zwangerschapshormonen hadden een zeer gunstige invloed op mijn chemische balans en daarmee op mijn psyche?)

De ommekeer was onbeschrijflijk.
Ik begreep werkelijk niet meer hoe en waarom ik ooit ongelukkig had kunnen zijn.
Hoezo? Dacht ik. Het leven is helemaal niet ingewikkeld!
Het is juist ultiem simpel!
Als je buiten loopt dan voel je de warmte van de zon.
Je ziet de bloemen en planten.
Je ziet mensen: er zijn heel veel mooie mensen, lieve mensen, bijzondere mensen.
Er zijn boeken. Er zijn films. Er is kunst. Er zijn allemaal mooie dingen op de wereld.
De wereld is prachtig.
En dat zou ik aan mijn kinderen laten zien.
Als een ontrouwe vriend keek ik niet meer achterom naar mijn depressie.



De lichtheid heeft best lang stand gehouden, maar beklijfde uiteindelijk niet. Niet écht.
Ik zag steeds vaker weer iets donkers vanuit mijn ooghoek (is it a bird? Is it a plane? Is it Satan himself?).
Langzamerhand merkte ik dat mijn pessimisme, de neiging om vooral de lelijkheid en de zinloosheid van alles te zien, weer de kop op wilde steken.
Waar ik me met hand en tand tegen verzet: het kan immers niet: ik heb drie prachtige kinderen aan wie ik moet laten zien dat de wereld mooi is.

(….)

Is depressie een ziekte? Een disbalans van stofjes, die niet hoort?
Of is depressie een volkomen normale reactie op een verziekte wereld?
Of: een logisch gevolg van intelligentie; zijn we te ver doorgeëvolueerd om het mysterie van het leven nog gewoon te accepteren en voor lief te nemen?
Is depressie niets anders dan het onvermogen te kunnen dealen met het sadisme dat schuilt in de wetenschap dat je - ook al stel je de juiste vragen – nooit de antwoorden zult krijgen?

(…..)


Het gaat goed.
Ik sla me met een gezonde dosis cynisme, humor en zelfspot door mijn (leuke en liefdevolle!) leven.
Maar ik weet ook ik altijd zal moeten blijven opletten. Zoals de roker, die gestopt is, maar altijd op zijn hoede moet blijven.


Okee, tot hier.



Rust zacht, Joost Zwagerman.

dinsdag 1 september 2015

Napraten

Zeventien jaar geleden heb ik een vriendin zien sterven.
Dat was een ingrijpende ervaring.

Ze had kanker, al een paar jaar, maar ineens ging ze heel snel achteruit.
Ze lag in een ziekenhuisbed en kon niet meer praten, al probeerde ze dat nog wel.
Ze ging steeds zwaarder ademhalen en ik weet nog dat ik alleen maar paniekerig dacht: Doe iets! Doe dan iets! Iemand moet iets doen! 
(Ik kan al niet tegen een lijdend insect. En vorig jaar heb ik nog een stoeptegel op een stervende vogel gegooid – geen idee overigens of ik die vogel daar een plezier mee deed, maar ja, ik kon het niet aanzien, hè.)

Maar ik zei natuurlijk niets. Ik stond gewoon als aan de grond genageld bij het bed, want ik wist het wel: er was niets meer aan te doen.
This was it.
En er wérd al wel iets gedaan; ze kreeg palliatieve sedatie en morfine, tegen de benauwdheid en de pijn, om het haar zo comfortabel mogelijk te maken.

Comfortabel: zo zag het er niet uit.

Ik vond het echt afschuwelijk.

Niet alleen omdat ze veel te jong was.
En het er totaal niet mee eens, dat ze moest sterven. En haar laatste verstaanbare woorden waren: ‘Godverdomme, nou heb ik toch verloren.’
Maar vooral ook omdat ik me ter plekke realiseerde dat we er naderhand niet over ná zouden kunnen praten, samen.
Zo van ‘Nou nou, poeh poeh, dat was wat hè.’
‘Ja heftig man, ik ging gewoon dóód!’
‘Ik weet het! Ik was erbij! Het was zo vreselijk om te zien!’
‘Nou, dat kan ik me voorstellen. Voor mij was het trouwens ook geen pretje. Zeg, jij nog een wijntje?’

Dat was een werkelijk angstaanjagende gedachte; dat we het er straks niet over konden hébben.


Maar misschien hou ik wel meer dan de gemiddelde mens van napraten. Ik ben een na-mens. Een nagenieter, ook. (Je hebt voor- en nagenieters. En je hebt nu-genieters. Die zijn het gelukkigst, schijnt. Want die leven in het moment. Ik ben daar niet zo goed in. Het is bij mij altijd meer achteraf, dat ik denk: Jeetje, dát was leuk.)


Eigenlijk is het heel logisch.
Samen ergens over kunnen napraten, impliceert een goede afloop.


En die heb je nou eenmaal niet, in veel gevallen, bij doodgaan.