zaterdag 25 augustus 2018

De egel


Het was een van de laatste nachten van de vakantie – we sliepen al een paar uur – toen plotseling mijn dochter van tien met grote haast uit haar slaapzak ontsnapte, de tent openritste en zichzelf naar buiten wierp. 
Nog voor ik goed en wel begreep wat er gebeurde – ik moest nog wakker worden – hoorde ik ze al, de braakgeluiden. En velen zullen dit beamen, dat zijn angstaanjagende geluiden voor de kamperende mens.
(O nee. Neeneenee. Geen. Buikgriep. Op de camping. P-please. )


Even later kwam ze weer naast me liggen.
‘Och liefje,’ zei ik. Schatje toch. Was je ineens misselijk? Goed zeg, dat je op tijd naar buiten ging! (DE DANKBAARHEID!) Gaat het nu weer een beetje?’

Het ging weer.
Ik omhelsde krampachtig de gedachte dat er gewoon iets niet goed gevallen was. Dat was eruit nu, dus hier zou het gewoon bij blijven. Toch? Ja.

Nee.
Natuurlijk niet.  
Wist ik heus wel.
Nog geen vijf minuten later vloog ze opnieuw als een haas de tent uit. Na de te verwachten geluiden – die al een stuk minder angstaanjagend klonken; ik leg mij als realist doorgaans snel bij de dingen neer – hoorde ik haar praten.

‘Nee, niet de tent ingaan. Niet de tent ingaan. Nee.’


‘Tegen wie héb je het,’ fluisterde ik vanaf mijn matje – ik zat inmiddels rechtop en had mijn zaklamp aangeklikt, voor de morele steun, what more can you do.

‘Tegen een egel,’ antwoordde ze droog, terwijl ze weer binnenkwam en keurig de rits achter zich dichtdeed. ‘Toen ik net weer moest kotsen zat ik met mijn hand op een egel.’

‘Echt joh?’ zei ik, toen ze weer in haar slaapzak was gekropen. ‘Een egel?’
‘Ja. Maar het deed geen pijn.’


‘Jij maakt nog eens wat mee.’



(En zo begon op ludieke wijze een lange nacht met een emmer (beter!) en doekjes en een stoer, maar steeds zieliger meisje.)








zondag 20 mei 2018

Schipbreuk



Het schip was gezonken, maar ik zat er nog in. Ik was meegenomen naar de bodem en daar leefde ik verder, in een luchtbel in het wrak. Met de kinderen.
Na de eerste paniek – natuurlijk – bleek het eigenlijk prima toeven in die luchtbel. We hadden zuurstof en genoeg te eten en drinken. En er was ook gewoon school en werk. En Netflix.

Ik wist heus wel dat we daar niet konden blijven. Ik wist heus wel dat ik dapper moest zijn, een grote hap lucht nemen, de luchtbel doorprikken en gáán. Zwemmen! Naar boven, naar het oppervlak. Ik zou het vast halen. Ik was sterk.


Maar voorlopig bleef ik nog even zitten. Eerst nog wat meer moed verzamelen. Zouden de kinderen het ook redden? Waren die sterk genoeg voor de stap in het diepe? We konden beter eerst een goed plan bedenken. Niet roekeloos paniekzwemmen, dat was dom. We hadden geen haast tenslotte; de lucht was nog lang niet op. En misschien gebeurde er wel snel een wonder! Iets dat alles opnieuw zou veranderen. Daar konden we maar beter even op wachten, zolang er toch nog geen goed plan was.


Alles went; ook het leven in een luchtbel. Langzaam begon ik te vergeten dat ik door miljoenen liters water gescheiden was van het echte leven. ‘Er moet iets gebeuren’ sluimerde nog slechts, als een licht oorsuizen dat je het meest van de tijd kan negeren. Soms laaide het even op, maar steeds sporadischer en minder fel.


Inmiddels zijn we twee jaar verder en ik zit nog steeds in de luchtbel. De zuurstof begint af te nemen, ik voel het; ik ben doodmoe. Het leven in de luchtbel is slopend.

Er is nog steeds geen plan.

Er is geen wonder gebeurd.

Er is geen hulp gekomen: er verschenen geen duikers met extra persluchtflessen en een drukcabine tegen de caissonziekte.


Ik had het fout.
Verraden en verlaten worden maakt je helemaal niet sterk, zoals ik dacht.
Het verzwakt en vernedert je en het slaat het fundament onder je voeten weg. 
Dat moet je blijkbaar eerst doorhebben. Pas daarna kun je gaan zwemmen.