dinsdag 25 augustus 2015

What's in a name, anyway


Ik had weer eens een leuk staaltje bureaucratie te pakken.

Ik wilde mijn naam laten veranderen.
In Lotus Dharma.
Haha.
Nee, grapje.
Mijn achternaam.
Oftewel: mijn ‘meisjesnaam’ - want door het dagelijks leven ga ik immers met de naam van Henk; een keuze die destijds al niet zomaar was. (In het kort: ik heb me nooit thuis gevoeld bij mijn eigen achternaam, wat nog eens versterkt werd toen mijn vader, die me de naam had gegeven, niet mijn biologische vader bleek te zijn.)

De naam bleef natuurlijk wel aan mij verbonden. En dat vond ik prima. Ik hoefde hem, op in een enkele formele situatie na, niet meer te gebruiken, het waren slechts letters in mijn paspoort.
Nooit heb ik overwogen er officieel afstand van te doen, ook niet na de dood van ’mijn vader’.
Of misschien zelfs juist niet na zijn dood, want ook al is er dan nooit sprake geweest van een emotionele band tussen ons, hij heeft wel zo goed als in zijn vermogen lag voor me gezorgd – en het is toch een beetje gek om iemand postuum zijn wettelijk nageslacht af te pakken? Bovendien, als ik straight zou zijn, zou ik dan ook afstand moeten doen van zijn erfenis – en die is natuurlijk al op.

Dus nee, ik vond het allemaal wel goed zo. What’s in a name, anyway.
Tot mijn moeder (tsjonge, mijn laatste stukjes gaan wel steeds over mijn moeder hè?) een paar maanden geleden ineens aangaf dat ze het eigenlijk wel heel fijn zou vinden als ik haar achternaam zou dragen.
Huh? dacht ik. Had dat even vierenveertig jaar eerder verzonnen!
Ik ben er namelijk van overtuigd dat mijn jeugd er dan heel anders had uitgezien.
Maar dit terzijde.
Het had overigens ook helemaal niet gekund, want tot 1996 kregen kinderen nou eenmaal automatisch de naam van de vader.
Of dat nou de vader is of niet.
Dat vind ik grappig.
Want het hele idee achter die achternamen is toch ook – naast dat het handig is om mensen mee te administreren – dat het een beetje klópt? Dat mensen die hetzelfde heten, ook werkelijk familie van elkaar zijn?
Het hele concept stamboom bestaat bij gratie van die aanname.

Stambomen! Haha!
Haha!
Haha!
Ach gossie, denk ik altijd, als iemand ijverig bezig is zijn familiestamboom uit te pluizen. Want wie probeer je daarmee nou eigenlijk voor de gek te houden? Waar ben je mee bezig? Met niks! Met een farce! Maar misschien bekijk ik het allemaal wel wat te eenzijdig negatief, als bastaard.


Enfin. Toen mijn moeder dat zo zei, werd ik toch ineens een beetje enthousiast.
Want ja, als ik haar er nou een plezier mee zou doen…. en het ís een mooie achternaam – for what it’s worth.
Bovendien zou ik er de genealogie een dienst mee bewijzen; ik zou dan tenminste hetzelfde heten als mensen die daadwerkelijk familie van mij zijn! (Naar ik aanneem dan, ghe.)


Dus ik ging mezelf maar eens wat informeren. Optinternet.
Ik vond een aanvraagformulier en een nogal ingewikkelde brochure.
Waarmee ik bedoel: mijn situatie stond er niet bij.

Voorwaarde B1 begon op zich goed: Meerderjarige (check) wil de naam van de andere ouder aannemen (check).
Maar vervolgens stond er dan iets over scheiden, en voor de achttiende leeftijd.
Dat snapte ik niet: gescheiden worden door de dood, is dat ook scheiden? En dat maakte in wezen trouwens niet uit, want het was hoe dan ook niet voor mijn achttiende.

Weet je, dacht ik, ik doe het gewoon. Ik kruis B1 aan en schrijf er dan een verhaaltje bij. Om het allemaal een beetje uit te leggen. En dan krijg ik vanzelf wel een reactie over het hoe en waarom (niet).

Maar vervolgens las ik dat een aanvraag indienen voor naamswijziging 835 (!) euro kost.
Een bedrag dat vooruit betaald moet worden en dat je ongeacht de uitkomst van het onderzoek niet terugkrijgt.
Dat is alsof je schoenen past in een schoenenwinkel en je vindt ze leuk maar ze zijn net iets te klein, dus je vraagt: ‘Heeft u deze misschien ook nog een maatje groter?’ En dat de verkoopster dan zegt: ‘Dat weet ik niet, dan moet ik in het magazijn gaan kijken. Dat zal ik doen, maar dan moet u eerst de schoenen afrekenen. En als blijkt dat ik ze niet heb in maat 39, dan heeft u pech; u krijgt uw geld niet terug.’

Nou, dat ga je dan toch maar niet doen. Zeker niet als je al aan je water voelt dat maatje 39 uitverkocht is.

Omdat ik me ook weer niet zo makkelijk uit het veld slaan als ik me eenmaal ergens in vastgebeten heb, schreef ik toch nog maar een lichtelijk onnozel mailtje aan het Ministerie van Justitie.
(‘Ik snap het niet. B1 is geloof ik niet op mijn situatie van toepassing hè? Dus wat moet ik nou doen? Etc.’)

Vandaag kreeg ik antwoord.
En, wat ik natuurlijk al wist: het kan niet.
(Met weinig uitleg overigens over waaróm precies niet, maar soit.)






Ik moest een beetje lachen om het laatste gedeelte.
Daar staat wel acht keer ‘psychische hinder’.
En sinds ik weet dat hynder het Friese woord is voor paard, moet ik bij hinder altijd aan paarden denken.

Ik geloof dat ik die 835 euro maar lekker in mijn zak hou.


zondag 23 augustus 2015

Een dierenasiel en The Breakfast Club



‘Ik denk dat ik een kat wil,’ zei ze opeens. 
Dat is ook mijn moeder; op wanhoop volgt steevast een plan.

‘Als ik dan toch veel op de bank moet zitten, dan zou dat toch veel gezelliger zijn met een kat op schoot? Kan ik ook ergens tegen praten.’
Ze is altijd een beestjes-mens geweest.
We hadden vroeger thuis een hond en katten.
Later had ze twee hondjes.
Toen de laatste van de twee dood ging, vijf jaar geleden, besloot ze geen nieuw hondje te nemen, in verband met haar leeftijd. Want hoe zou het moeten, als ze er op een dag niet meer mee zou kunnen wandelen? (Een vooruitziende blik kan haar ook niet ontzegd worden.)

Een kat was geen optie, gezien de allergie van haar schoonzoon (wiens bezoek ze dus kénnelijk op prijs stelt, haha). Maar sinds we Lotje hebben en het met die allergie ineens alleszins blijkt mee te vallen, liggen die kaarten plotseling anders.

En zo togen we vandaag dus met oma naar het dierenasiel.

Het is een heel goed plan (niet), om je kinderen mee te nemen naar een dierenasiel.
Met allemaal van die schattige (zielige, eenzame) diertjes (die zo graag een liefdevol thuis willen, mam!).


Oma maakte kennis met Derek, de 9 jaar oude gecastreerde kater die we van tevoren hadden uitgekozen op de website, op basis van zijn profielomschrijving.
Derek leek de perfecte match: niet al te jong meer, nou, dat is oma ook niet. Een beetje te dik - en dat is oma ook.
Kat in ’t bakkie, dachten we, zogezegd.
Maar er gebeurde niets.
Er sprong geen vonk over.
Daarom werken dingen als Tinder ook niet.
Derek was helemaal geen gezellige ouwe dikkerd, maar een slaperig, chagrijnig oud mannetje. 

Gelukkig liep daar ook Juultje; het liefste katje dat ik ooit van mijn leven zag.
Zwart, met witte voetjes en een wit, vierkant kinnetje. En een gerafeld oortje.
‘Kies mij!’ riep ze.
En dat kon niet anders.


Intussen stond Merlijn erop dat als oma Juultje mocht hebben, wij dan Jumbo mee naar huis zouden nemen, een speelse jonge kater met een evenwichtsprobleem, die steeds omviel en zijn kop niet recht kon houden.
Bo zat huilend op de grond met Lily, een stokoud, mager poesje met een huidziekte waarvoor ze dagelijks prednison toegediend moest krijgen.
‘We moeten haar meenemen, want niemand wil haar natuurlijk hebben en dan gaat ze hier straks dood!’
Dat was vermoedelijk niet ver naast de waarheid.
Maar uiteraard wist ik een en ander te verhinderen  door sluw op het sentiment te spelen met verstandige argumenten. (‘Misschien is Lotje niet aardig tegen die oude Lily en dat zou toch heel zielig zijn?’)

Is dat volwassenheid? Dat je de factor ‘gedoe’ zwaarder laat wegen dan mededogen en barmhartigheid?
When you grow up, your heart dies,’ zegt Allison in The Breakfast Club.
Misschien is dat wel een beetje zo.
Ik zag de film vanavond, met Bo en Merlijn.
Zij voor het eerst en ik voor de zoveelste keer, hoewel voor het laatst zeker vijfentwintig jaar geleden.
Jeugdsentiment, mensen!
(En voor een 30 jaar oude film niet eens zo heel erg gedateerd in thematiek, te oordelen aan de reactie van mijn pubers.)


Anyway.
Ik dwaal af.

Oma heeft Juultje.
Juultje heeft oma.


Vanavond ging de telefoon.
‘Ze ligt op mijn schoot. En als ik over haar kopje aai, zet ze steeds zachtjes haar nageltjes in mijn been. Dan vindt ze het zeker fijn, hè?’
Ja mam, dan vindt ze het fijn.


maandag 17 augustus 2015

Oud

Ik ben een beetje bang voor oude mensen.
Dat is gek hè, om zo te zeggen.
En het valt natuurlijk ook wel mee, het is niet zo dat ik wegduik in een steegje als iemand met een rollator mijn pad kruist, maar ik stap niet voor mijn plezier een seniorenflat binnen.

Het zou best iets universeels kunnen zijn; oude mensen confronteren je immers met je eigen voorland (oud zijn is niet leuk en daarna ga je dood), maar dat verklaart dan weer niet waarom er toch best veel mensen in de ouderenzorg werkzaam zijn en dat ik zelfs wel eens hoor zeggen: 'Ik vind het heel mooi/leuk/bijzonder om met bejaarden te werken.’ (Hoewel, de laatste tijd hoor ik dat eigenlijk niet zo vaak meer, dat komt vast door de bezuinigingen en hoge werkdruk.)


Bang zijn voor oude mensen is natuurlijk belachelijk.
En kinderachtig ook. En stom.
Ik hoor u al verontwaardigd denken: Ja maar hee Novy, als het goed is ben je zelf op een dag ook oud, dus ehm….? 
Maar ja, dat is het juist.

Ik ben bang voor ouderdom.
Want oud zijn is niet leuk en daarna ga je dood.

Ik las laatst dit. Prachtig!
En tegelijk pijnlijk confronterend.
Want zou ik niet ook gewoon eens op de koffie moeten gaan bij mijn oude buurman van 95? Of eens een glas wijn met hem drinken, zoals hij gevraagd heeft toen we ons vorige jaar kwamen voorstellen als nieuwe buren?
Dat zou echt reuze leuk zijn hè, van mij.
Maar ik doe het niet.
Ik glimlach alleen maar extra overdreven vriendelijk als ik een pakketje kom ophalen dat op zijn adres is bezorgd.


Misschien heb ik wel een trauma.
Mijn opa (die achteraf mijn opa helemaal niet was– want zijn zoon niet mijn vader) woonde in een afschuwelijk naargeestig verzorgingstehuis in Amsterdam West.
Een kil, grijs, betonnen gebouw (ik kan het in mijn herinnering erger hebben gemaakt dan het in werkelijkheid was – hoewel, het is misschien niet voor niks afgebroken vorig jaar) met lange, lege gangen, vol schuifelende bejaarden en hier en daar een troosteloos aquarium.

Zo’n drie keer per jaar gingen we naar hem toe, naar ‘opa Amsterdam’.
Dat was niet zo vaak, maar toch al meer dan genoeg.
Amsterdam was in het pre-A6-tijdperk maar liefst drie uur rijden met de auto vanuit Drenthe, en aangezien ik als kind nogal veel last had van wagenziekte, was de reis alleen al geen pretje.

En dan waren we er.
Bij opa.
Een scheldende demente bejaarde in een rolstoel.
Die altijd net gegeten had als wij kwamen. Met nog jus en groene slierten op zijn kin.
(‘Geef opa maar een kusje.’ De hórror.)

‘Oh, heb je dat kind weer meegenomen?’ zei opa dan. En even later, als ik op het sier-muziekinstrumentje zat te pingelen – het enige ‘speelgoed’ dat er was: ‘Kan dat kind ophouden?’

Na tien minuten in het bedompte kamertje, waar het rook naar een mengeling van smyrnakleed en soep – en ik was nog steeds misselijk – hield ik het meestal voor gezien.
Dan zei ik dat ik even ging wandelen.

Dat ‘wandelen’ deed ik in de reserve-rolstoel van opa, die op de gang stond, naast zijn voordeur.
Dat was natuurlijk ten strengste verboden, maar hij zou het heus niet merken. (Ik weet eigenlijk niet eens of mijn ouders het ooit geweten hebben.)

In die rolstoel rijden vond ik fantastisch (ik was er ook heel goed in vond ik), door het bejaardentehuis ronddolen doodeng.
Maar ik deed ik het toch.
Uit verveling.
En uit een soort van morbide nieuwsgierigheid. (‘Daar ligt een dode kat op de vluchtstrook, niet kijken!’ en dan toch kijken. Dat.)

Daar ging ik. De gangen door, de liften in en uit. Links, rechts, de bocht om.
Overal oude mensen.
Schuifelende, dolende, kwijlende, naar het aquarium starende, in zichzelf mummelende oude mensen. Oude mensen die tegen me gingen praten.
De angst, die mijn keel dichtkneep.
De geluiden, de grijsheid, de leegte.
Een sterfhuis.
Een voorportaal.
Het vagevuur.
Een nachtmerrie.
(En een overspannen fantasie, wellicht.)

Meermalen ben ik verdwaald, ergens in de krochten van een verre vleugel van het gebouw en moest ik worden teruggebracht, door iemand met een witte jas, naar de afdeling van mijn opa.

Toen ik tien was ging hij dood.
En hoefden we nooit meer.

Tsja.


Er zijn trouwens uitzonderingen, hoor!
Mijn andere opa, bijvoorbeeld, vond ik helemaal niet eng.
Het is zelfs zo: als ik weer eens in paniek ben over mijn toekomstige ouderdom en ik denk aan hem, dan kan ik weer ademen.
Hij maakte er tenminste nog een beetje een feestje van.
Het hielp natuurlijk mee dat hij niet dement was en niet ziek en van nature een vrolijk mens.
En dat hij weliswaar óók in een bejaardenhuis woonde, maar een veel léuker bejaardenhuis. Waar hij zijn parkieten mocht houden. En kon biljarten en zingen in een zangkoor en waar kleurige vloerbedekking lag en oudjes een soort van gezellig zaten te kaarten in de gemeenschappelijke ruimte.

Dat is een beeld van ouderdom waarmee ik kan leven.
En daar zou ik het graag bij laten.



Maar mijn moeder wordt ook oud.
Is oud.
Ineens.
Ze loopt met een stok.
Haar knieën willen niet meer.
En vorige week legde ze bijna het loodje, door een medicijnverandering.
Haar lijf lijkt plotseling op.
Haar hoofd nog lang niet.

Ik denk dan ook nog steeds dat ze 101 wordt hoor, maar ik zie wel dat het NIET leuk is.
‘Als ik niet meer kan lopen weet ik niet meer zo goed hoe het verder moet,’ zucht ze af en toe mistroostig.

De ouderdom komt met gebreken. 
Je zegt het zo makkelijk, maar denk er eens over na. Gebreken!
Die wil je gewoon niet.
Zelfs niet als je oud bent.


Mijn moeder wordt oud en ik probeer niet bang te zijn.


zaterdag 1 augustus 2015

Reizen en thuiskomen

Okee, even snel dan; een toen-en-toen-en-toen-verslagje.

Eerst logeerden we bij Iben, in Roermond. (Ik ken Iben van het Internet, als collega-blogger.)
We werden onthaald met een feestmaal. En Susy kwam ook nog langs. En er was een dakterras en er was wijn en het werd allemaal reuze-gezellig en Bo, Merlijn en Loïs sliepen op de bank, met Ziggy, de hond.



De volgende dag vlogen we naar Málaga, vanaf Eindhoven. Daar namen we de trein naar Benalmádena. Dat is een halte verder dan Torremolinos; waar alle Nederlanders uitstapten. 
We liepen drie kilometer (met volle bepakking bij 38 graden) naar ons eerste airbnb adres.
Dat nogal…tsja…was. Maar met genoeg bedden en een douche en een wc en een koelkast en wat heb je tenslotte meer nodig en we bleven toch maar één nacht.
We huurden een auto. Een Volkswagen Polo.
Het had beter een Volkswagen Golf kunnen zijn, gezien ons tweede appartement, dat gesitueerd bleek in een enorme ‘gated community’ rond een aantal golfbanen.
Ik had even iets gemist, denk ik, in de omschrijving.
Maar oh, wat grappig. Zaten we ineens in een volledig marmeren appartement, met twee badkamers en een vaatwasser en een zwembad in de gemeenschappelijke tuin.
Op een godbetert golfresort! Haha!
Gelukkig was er een dubbele bodem; via de kast konden we naar Narnia. Er was een paadje, vanaf het huis, langs een meertje met duizend kikkers, door een houten tunnel onder de golfbaan door, dat leidde naar het strand. Waar niemand was. (Want iedereen was aan het golfen, natuurlijk.)
Een prachtig, leeg, stuk strand, met een waanzinnig uitzicht op Gibraltar.



We gingen een dagje naar Gilbraltar.
Ik ontdekte dat ik Gibraltar leuker vond vanaf ons strand.
(Het hoogtepunt was eigenlijk dat Bo nu eindelijk die foto kon laten maken in een Engelse telefooncel. Oja en ik had natuurlijk een aap op mijn schouder. Wat heel anders was dan ik dacht. Niet zwaar en ruw en stinkend, zo’n aap, maar lief en licht en met heel zachte handjes.)




We gingen zwemmen in een riviertje.
En ik sprong van een rots.




Na vijf dagen leverden we de auto in en namen de bus naar Tarifa.
Oh Tarifa!
Where the hippies meet the hipsters.
Ik wil er helemaal hippe dingen van gaan zeggen, als ‘wat een goeie vibe’ enzo, maar echt: wat een goeie vibe!
Houten beachbarretjes met surfplanken tegen de muur, bevolkt door kitesurfers uit alle windstreken, maar ook busjes met peacetekens en schelpen op het dashboard. Wonderlijk bijna, dat er aan de Spaanse kust zo’n leuke badplaats bestaat, zonder hoogbouw en betaalde strandbedjes en waterfietsen en bananen achter speedboten, maar met gewoon, een strand zoals op Vlieland. Maar dan zonder storm.

We woonden elf dagen pal aan zee.





We gingen walvissen en dolfijnen en orka’s spotten, met een boot. Lois werd zeeziek. We zagen alleen dolfijnen. En grienden, die in het Engels Pilot Whales heten (en wier soortgenoten een week later bruut werden afgeslacht op de Faroereilanden vanuit een jaarlijkse traditie die ik als buitenstaander niet begrijp en (dus?) slechts afschuwelijk vind – helemaal nu, want ik heb ze gezien en nu zijn het mijn vrienden).




Aan de overkant van het water was Afrika.
’s Avonds zagen we de lichtjes van Tanger.
We gingen een dagje naar Tanger.
Ik ontdekte dat ik Tanger leuker vond vanaf ons balkonnetje.




Na elf dagen namen we de bus naar Algeciras en daarna nog een bus, terug naar Benalmádena. Waar appartementje nummer 1 in al zijn schamelheid op ons wachtte en het even voelde alsof we nooit waren weggeweest.
En na ons nog even twee dagen te hebben volgestopt met tapas – wat anders kun je doen aan zo’n boulevard – was het voorbij.
En misten we bijna ons vliegtuig.









Maar! 
Terwijl wij weg waren – en dit is eigenlijk een veel leuker verhaal – vierden ándere mensen vakantie in ons huis, in Groningen. 
Mensen uit Nieuw-Zeeland. 
Een vriend van vroeger – ik zag hem voor het laatst vijfentwintig jaar geleden, maar vond hem terug op Facebook – wilde met zijn vriendin en dochtertje naar Nederland komen om familie te bezoeken en zocht onderdak, liefst in de stad. Misschien wist ik iets, of kende ik mensen die iemand zochten om op hun huis te passen? 
Nou, heus wel. 

Het was heel grappig om in Spanje af en toe onze tuin en mijn fiets voorbij te zien komen op Facebook. 


En toen kwamen we thuis. 
Ik ben serieus nog nooit zó leuk thuisgekomen van vakantie!

Ten eerste was daar natuurlijk de nieuwe koelkast – die ik vanuit Tarifa met mijn iPhone bij de Wehkamp had besteld na het bericht dat ons 30 jaar oude bakbeest het had begeven – maar tot onze verbazing was die helemaal gevuld! Met wijn en bier en fruit en kaas en allemaal lekkers. 
Er stonden bloemen op tafel. En potten lavendel op ons terras. 
De badkamer vol met nieuwe badproducten. 
Overal in het (bizar schone) huis stuitten we op verrassingen en cadeautjes. 

(Of ze zijn gewoon heel erg veel vergeten, dat kan ook.)