donderdag 22 december 2011

Een kerstsp(r)ookje

Het lijkt wel een sprookje. Een kerstsprookje.
We vonden net in onze kast een kistje.
'Wat is dit?' vroeg Henk.
'Ik weet het niet' zei ik. 'Het lijkt wel een soort vioolkistje.'
We maakten het open.
En staarden naar een mini-cello.
Vol ongeloof.
Er lag hier zomaar een prachtig klein muziekinstrumentje in de kast!
Ik pakte het voorzichtig op, streek met de strijkstok langs de snaren en er klonk de mooiste, zuiverste toon die ik ooit hoorde.

Okee. Dat laatste is niet waar; er kwam helemaal geen geluid uit. Maar verder: sprookjesachtig hè.
Mysterieus ook.






Edit 25-12-2011. Het bleek de cello van de barbie van Vera, Bo's vriendinnetje.
Natuurlijk. Sommige barbies spelen cello.

maandag 19 december 2011

Te Koop



Kijk. Dit is ons huis. Dat staat vanaf vandaag te koop.
Ja, (nog) niet officieel bij een makelaar ofzo, maar toch: Te Koop.
Als u een goed bod doet mag u het zo hebben.

Op de foto’s ziet u het huis in de zomer en in de winter. Nou waren dat toevallig de enige twee foto's die ik kon vinden, maar het is best toepasselijk: kunt u meteen zien wat een ideaal huis het is in beide jaargetijden.
Een tuin zit er niet bij overigens, dat u dat even weet. Wel een 'achterom' met fietsenschuur, een waanzinnig (!)  dakterras en een eigen parkeerplaats.

Ik zal binnenkort een webpage maken met meer informatie en meer foto’s en plattegronden, maar vanaf vandaag kunt u in principe al contact opnemen om een afspraak te maken voor een bezichtiging.
Eerlijk gezegd zie ik daar wel een béétje tegenop. Tegen die bezichtigingen. Ik heb me namelijk laten vertellen dat huizenkijkers het erg op prijs stellen als een huis netjes is. Dat ze blij worden van een huis zónder stapels papier en rondslingerende was en mét verse bloemen op tafel en de geur van appeltaart. En dat ze dan zomaar bereid zijn om 10.000 euro meer te betalen! Nah.
Of dat zo is betwijfel ik eerlijk gezegd. En dat gaat hier hoe dan ook niet lukken. Ik zal heus wel een beetje opruimen en wat vaker stofzuigen, maar een showroom zal het hier nooit worden, daarvoor wordt er hier teveel eh..... geleefd.
Wij hadden eens buren die, toen hun huis te koop stond, alle overbodige dingen in hun auto stalden als er kijkers kwamen. De wasmanden, het speelgoed, de kinderfietsen. Nou, daar ga ik dus niet aan beginnen, mensen! Oh. *krijgt ineens een meesterlijk idee* Wat ik wél zou kunnen doen, is de kinderen in de auto laten wonen, zolang het huis te koop staat!
Ja.
Nee.
We hadden maar gewoon zo gedacht: Men kijkt er maar doorheen. Dat kan ik ook, dus waarom zou iemand anders dat niet kunnen? Als ik een huis leuk vind en ik zie de mogelijkheden, dan kijk ik overal doorheen. Dwars door de muren als het moet, en zeker door een rondslingerende sok.
Ik bedenk trouwens net dat rondslingerende sokken in ons geval zelfs een voordeel zouden kunnen zijn: ze nemen een beetje de aandacht weg van de vloer. Want dat moet ik misschien even eerlijk vertellen: de vloeren in ons huis, en dan met name de vloer in de woonkamer op de eerste verdieping, zijn niet helemaal da bomb. Al sinds we hier wonen droom ik van een mooie houten vloer in plaats van die malle witte kurkvloer met de roze vegen. Maar weet u? Als u ons huis koopt, dan krijgt u mijn droom er gewoon gratis bij!

Omschrijving:
Moderne stadsvilla, net buiten het centrum van Groningen. Prachtig gelegen op het binnenterrein van het monumentale gebouw van de voormalige Rijks-HBS. De hoekwoning beschikt over een eigen parkeerplaats pal voor de deur. De ligging is ideaal; vlak bij het Noorderplantsoen en precies 1 kilometer van de Grote Markt.

Indeling:
Begane grond: Entree met garderobekast. Royale woonkeuken met Bulthaup-elementen. Toilet. Zeer ruime berging/hobbyruimte met wasmachineaansluiting. Achterdeur naar fietsenschuur.

1e verdieping: Woonkamer ca. 50m2. met Frans balkon op het zuiden.

2e verdieping: Overloop, 3 slaapkamers 8m2, 13m2, 20m2. In de grootste slaapkamer zit een luxe kastenwand van The Doors. Badkamer voorzien van ligbad, douchecabine, dubbele wastafel. Separaat 2e toilet.

3e verdieping: 2 slaapkamers van 10m2, een tweede badkamer met wastafel en douche. Een bergkast met combiketel en maar liefst twee dakterrassen: de grootste, op het noordwesten, heeft een magnifiek uitzicht over het Noorderplantsoen.

Algemeen:
Adres: Kamerlingheplein 19 - 9712 TR - Groningen
Bouwjaar: 2001
Woonoppervlakte: 215m2
Inhoud: 700m3


Dat is dus echt een kast van een huis hè.
Voor maar €449.500,--- k.k.

dinsdag 13 december 2011

Dexter. Ivo. Dexter.

Gisteren keken we de laatste twee afleveringen van Dexter. Van het eerste seizoen, voor de duidelijkheid: we zijn nog maar groentjes op Dextergebied.
Toen de serie begon op televisie en iedereen er helemaal hysterisch over liep te doen, dacht ik: Mwa. Een serie over een moordenaar die je dan sympathiek schijnt te gaan vinden.....ik kon me er niet zoveel bij voorstellen.
Maar toen kregen we de dvd-box te leen met de nadrukkelijke boodschap: 'Je moet echt gaan kijken.'
Dus dat deden we dan maar braaf.
De afgelopen week zagen we alle twaalf afleveringen en ik heb me prima vermaakt. Het klopt ook helemaal: Dexter is een seriemoordenaar en je gaat met hem meeleven.
Seizoen twee en drie liggen hier ook, daar gaan we mee verder, er is alleen één dingetje dat het een beetje lastig maakt: Dexter doet me enorm aan Ivo Niehe denken.
Ja, dat zal wel aan mij liggen - hier thuis leverde het me althans alleen meewarige blikken op – maar ik vind dat dus echt. Kijk ik zie heus het verschil wel: Dexter is leuk, jong en stoer en een soort van aantrekkelijk, heeft geen raar haar en er komt geen woord Frans woord over zijn lippen. Maar het is de manier waarop ze allebei hun wenkbrauw optrekken en hun mond bewegen. Het zijn de 'honderige' lijnen in hun gezicht.

Ik heb zoiets eerder gehad. Ik was een jaar of tien en had een boekje over sierduiven gekregen, van mijn opa. (Mijn opa wist nooit zo goed wat ik leuk vond, maar dat vergaf ik hem.) En een van die duiven in dat boekje, een witte met een wat zwoele oogopslag, die leek dus sprekend op Pamela van Dallas! U weet wel, Pamela Ewing. Van Bobby.
Victoria Principal.
Sprékend, écht!
Mijn vriendinnen begrepen niet wat ik bedoelde. Zagen gewoon een duif. En dachten dat ik Pamela probeerde te beledigen of zoiets. Nou, geenszins hoor. Ik zag dat gewoon!
Het had te maken met de manier waarop het beest het kopje scheef hield, of met de afstand tussen de snavel en de oogjes, of gewoon met die zwoele oogopslag.
Ik heb het boekje helaas niet meer, anders had ik het laten zien.
Nu moet u het doen met Dexter en Ivo.
Ziet u het ook?
Zo niet, beschouw dit dan maar als gewoon een verontrustend kijkje in mijn hoofd.



Bron: AP denk ik?
Bron: Klik

zaterdag 10 december 2011

Lievelingsdieren

Soms vraagt iemand aan mij: Wat is jouw lievelingsdier?
En dan antwoord ik: de kat. En paarden vind ik ook leuk. En honden soms.
Maar eigenlijk zijn mijn echte lievelingsdieren ráre dieren.
Ik ben dol op rare dieren.
De kangoeroe, het zeepaardje, de bombardeerkever, ja, eigenlijk alle dieren uit Bibi’s bijzondere beestenboek.

Kent u dat? Een hilarisch (kinder)boek. En dan maar proberen om niet voortdurend in de lach te schieten tijdens het voorlezen.
Het vogelbekdier staat er natuurlijk ook in. Vroeger vond ik het vogelbekdier echt heel leuk. Tegenwoordig denk ik: tsja. Te gezocht. Alsof God dacht: ik ben nu in zo’n lekker gekke bui, ik maak eens een harig zoogdier met een snavel. Lachen man.
Nee, dan de Albatros. Die is tenminste authentiek. En al sinds De Reddertjes een van mijn lievelingsdieren. We keken pas naar een aflevering van een natuurserie – dat heb je soms, daar zap je dan langs en je blijft kijken. Een prachtige serie, trouwens: Frozen Planet – en daar ging het ook over albatrossen. Mooi man. Zo’n jonge albatros kruipt uit het ei en je ziet hem denken: Wat ben ik? Een zeilboot? En dan gaat ie proberen te vliegen. Briljant. Alsof je een vlieger op moet laten bij windkracht 13. Ik zat op het puntje van mijn stoel, deed intussen een monoloog-interieurachtige voice-over met de stem van de albatros en hield het bijna niet van de spanning. Dát is televisie, mensen. Het schijnt dat zo’n vogel een week moet oefenen voordat het een keer lukt met die vleugels. En als ie dan eindelijk in de lucht zweeft, dan blijft ie dat ook maar doen, voorlopig.

We zagen ook nog een diepzeekwal, met allemaal gekleurde knipperende discolichtjes.
‘Dat is nog te kitsch voor de Xenos!’ riep Henk.
Jaja, es gibt vreemde schepsels op deez’ aard.
Neem ook de Narwal. Een Narwal is zo’n dier waarvan ik altijd denk dat ie niet bestaat. Net als de eenhoorn. Tot ie dan voorbij komt in zo’n natuurdocumentaire en ik me realiseer: joh! Ze zijn echt! Maar dat zakt straks weer weg, let maar op.
Die hoorn van de Narwal is overigens geen hoorn, maar een tand. En die zit er niet om mee te vechten, of te imponeren, het blijkt een sensor te zijn. Een hooggevoelig zintuig.
Nou is het natuurlijk best fijn om alles lekker heel goed te voelen, maar moet dat nou met zo’n onhandig ding? Stel je voor, dat je een tand hebt van drie meter lang. Hoe verschríkkelijk onpraktisch! Daar bots je toch overal mee tegenaan! En met zo’n sensitief geval moet dat nog geen pretje zijn ook. Nou zijn er natuurlijk in de zee minder dingen om tegenaan te botsen, maar dan nog: er zit voortdurend zo’n irritant ding voor je snuit.
Ga weg, ding!
Maar ze zijn natuurlijk niet anders gewend, die Narwals.

We lazen pas een prachtig boek, dat Bo had gekocht op een rommelmarkt. Waarom kwamen de walvissen? Het gaat over Narwals (raar woord wordt het op den duur hè: narwalnarwalnarwal) en over een jongen en een meisje op een eiland tijdens een oorlog.
Toen het uit was opperde Henk het plan om het boek te gaan verfilmen.
Dat leek mij ook wel wat. Op Schiermonnikoog, bijvoorbeeld.
Alleen die Narwals leken me dan even een dingetje.
Want hoe kom je nou aan Narwals hè.
Die bestaan immers niet.

donderdag 8 december 2011

Dat verdomde lot ook altijd

Het is koud, het is nat, het is ’s avonds al vroeg donker en ’s morgens pas laat licht. Misschien is het u ook opgevallen.
Herfst heet dat. Herfst, bijna winter.
En ik zal het maar eerlijk zeggen: ik doe het daar niet zo lekker op.
Ik ben een koukleum, ik mis de zon, ja het zou zelfs zo kunnen zijn dat ik een ietsiepietsie last heb van een winterdepressie. Maar vertelt u dat maar niet verder, want ik vind het zelf eigenlijk een beetje beschamend. U hoeft zich overigens geen zorgen te maken, want het is heus niet zo dat ik hele dagen in bed lig met de dekens over mijn hoofd. Alleen maar soms even tien minuutjes. Dat kán natuurlijk ook helemaal niet, want er zijn kinderen om voor te zorgen, er zijn deadlines te halen en tegenwoordig is er ook nog een winkel waarop gepast moet worden.
Bovendien ben ik nog steeds de held van mijn eigen leven. En helden liggen nou eenmaal niet in bed, met hun hoofd onder de dekens.

Maar elk jaar, in het gewraakte semester, dringt zich onvermijdelijk dezelfde gedachte op (elk jaar een beetje eerder dan het jaar daarvoor – en dat op zich is wel zorgelijk): Waarom woon ik niet in een warm land?
Onmiddellijk gevolgd door een tweede, tamelijk wrange, gedachte.
Ik wóónde. Namelijk. In een warm land.
Totdat mijn moeder besloot ‘dat het beter was om het kind in Nederland te laten opgroeien.’
Aaargh!
Why???
Wát nou beter!? Ik had voor altijd in de zon kunnen zitten!
Ik had het altijd lekker warm kunnen hebben!
Een beetje aan het strand hangen....een beetje surfen....
Met altijd een gebruinde huid. En zee-haar.
Mén.
Bovendien had ik dan nu vloeiend twee talen gesproken.
En deed ik waarschijnlijk iets met toerisme, liet ik Nederlandse toeristen het eiland zien. Of wat dan ook.

‘Nee hoor’, zei Henk. ‘Waarschijnlijk was je op je 18e helemaal zat van de zon en de zee en het strand, en besloot je heel gek en avontuurlijk in Groningen te gaan studeren. Dat moet ook wel, anders had je mij natuurlijk nooit leren kennen.’

Fok. Dat verdomde lot ook altijd!

‘Nee hoor, neenee,’ probeerde ik nog, ‘ik ontmoette jou gewoon toen je op vakantie naar Tenerife kwam.’
Maar dat deed Henk af als zeer onwaarschijnlijk. Want wat had hij in ‘s hemelsnaam op Tenerife moeten zoeken, als hij niet wist dat ik daar was?

Hm.
Nou.

Dan schik ik me maar.
In mijn lot.


zondag 4 december 2011

Handlezen

Weet u eigenlijk dat ik ‘s Nederlands beroemdste handlezeres tot mijn dierbare kennissen mag rekenen?
Ze heet Ellen Duim, heeft een succesvolle praktijk in Amsterdam en is een fantastisch leuk mens. We leerden haar en haar gezin kennen op een camping in Frankrijk. Ze heeft mijn handen gelezen (een eer, want ze werkt natuurlijk niet op vakantie) en daar sloeg ik stijl van achterover. We zaten aan een picknicktafel op een stil plekje van de camping en ik heb, werkelijk waar, tranen met tuiten gehuild. En dat is nogal wat voor een Novy; als u me een beetje kent weet u dat ik al de slappe lach krijg van het woord yoga.

Ellen staat in het laatst verschenen nummer van het ‘Hoe overleef ik’ tijdschrift, dat Bo tussen haar pakjes vond vanavond. Daarin leest ze Francine Oomens handen. Heel leuk.

Meteen bekeek ik natuurlijk maar weer eens mijn eigen handen.




Nou kan ik niet handlezen dus ik ben veel te kort door de bocht, maar kijk, in mijn hand raken de levenslijn (geel) en de hoofdlijn (rood) elkaar niet. Bij lange na niet. Dat dat zo is weet ik al een hele tijd, omdat me jaren geleden al is opgevallen dat bij de meeste mensen die lijnen samenkomen, zo onder de wijsvinger. Ik had alleen geen idee of dat iets te betekenen had en wat dan, eventueel.
Maar nu las ik dus in dat tijdschriftje van Bo dat als die twee lijnen elkaar niet raken, dat betekent dat je veel ruimte nodig hebt. Dat je er niet tegen kan als je geclaimd wordt.
Nja, dat klopt wel aardig. Ik ben nogal - hoe zeg je dat - solitair.

Dus ik rende net naar boven, om de slapende handjes van mijn kinderen te bekijken.
Ik wist het natuurlijk al: Bij Merlijn zouden de lijnen samenkomen en bij Bo zeker niet.
Het klopte.
Maar bij Loïs.... ? Ik opende haar handje, zag de lijnen ... samenkomen ... en slaakte een zucht van opluchting. En vroeg me onmiddellijk af: Waarom? Denk ik - blijkbaar - dat het leven makkelijker is als je mensen dichterbij laat komen?

zaterdag 3 december 2011

Geloven

Zo’n anderhalf jaar geleden schreef ik eens een ode aan een buurmeisje. Misschien weet u dat nog? Ik deed van ooh en aah en jubelde over haar talent en bruisende persoonlijkheid.
Welnu, het blijkt maar weer: ik heb er verstand van. Want ook al werd Nina (nog) niet aangenomen op de toneelschool in Maastricht, ze speelt al wel de hoofdrol in een heuse telefilm van Mijke de Jong! En die wordt woensdag a.s. uitgezonden!
Dat vind ik dus echt supercool hè: ons buurmeisje op televisie.
In een chador nog wel.

De film heet Geloven en is onderdeel van de serie Duivelse Dilemma's: vier korte films waarin prominente Nederlandse filmmakers hun personages voor een moeilijke keuze plaatsen.
Hoe kan je een goed mens blijven onder extreme omstandigheden?

Martine heeft een huisartsenpraktijk met veel allochtone patiënten. Bevrijd van het geloof waarmee ze zelf werd opgevoed en gevormd door het feminisme, staat ze voor zelfbeschikking en vrije ontwikkeling voor iedereen. Zo heeft ze ook haar dochter opgevoed. Maar zal het haar lukken haar levensovertuiging trouw te blijven als Anna haar eigen weg kiest en moslima wordt?
Met o.a. Elsie de Brauw en Nina van den Berg
Regie: Mijke de Jong; Scenario: Jolein Laarman





Dus. Ik weet niet wat u woensdagavond doet, maar ík ga kijken.

Duivelse Dilemma's: Geloven
woensdag 7 december 2011
22:55 uur
Nederland 2


dinsdag 29 november 2011

Loro Parque


Vandaag is de dag dat gaat ie verhuizen, onze orka Morgan. Met het vliegtuig, naar Tenerife.
Nou hoopt u misschien dat ik met een vlammend betoog kom over waarom ik het eens ben met de beslissing van het dolfinarium in Harderwijk, of waarom ik juist voorstander ben van het vrijlaten in zee, zoals de orkacoalitie wil. (Wat, even terzijde, een prachtig woord is: orkacoalitie. Vooral als je het aan elkaar schrijft, zoals ik doe. Ik hoop dat er binnenkort ook een koalacoalitie wordt opgericht, nog leuker.)

Maar nee, uit mijn mond zult u helaas niks zinnigs horen omtrent deze kwestie.
Ik heb namelijk geen mening.
Een dier hoort toch in de natuur, en niet in een aquarium? Eh ja, dat klopt.
Maar in de natuur zal hij sterven! Niemand weet waar zijn familie is en een orka is een groepsdier, bovendien weet hij niet hoe hij zelf vis moet vangen. Dat is toch zielig? Eh ja, dat is zielig.
Ziet u? Ik heb geen idee. Te weinig verstand van orka’s en te weinig inzicht in de financiële motieven die ongetwijfeld meespelen.

Mijn fascinatie voor de nieuwsberichten betreft dan ook niet zozeer de orka, als wel Tenerife. Telkens ik ergens het woord Tenerife hoor of lees, maakt mijn hart een sprongetje. Omdat Tenerife het eiland is waar ik de eerste jaren van mijn leven heb gewoond en daarna, gedurende mijn jeugd, regelmatig de vakanties heb doorgebracht.
U begrijpt dus dat ik al een paar maanden – of hoe lang die Morgan-gekte dan ook al duurt - enorm aan mijn trekken kom. Tenerife, lees ik maar steeds. Tenerife, Tenerife, Tenerife! Mijn hart maakt voordurend sprongetjes. En gisteren begon het er ook nog eens vreemd bij te bonzen, toen ik voor het eerst de naam van het nieuwe verblijf onder ogen kreeg: Loro Parque.
Loro Parque? Loro Parque? Ik proefde de woorden zorgvuldig en ze smaakten heel bekend. Loro Parque. Was dat niet die papagaaientuin waar we wel eens naartoe gingen?
Nou, inderdaad hoor.
Googelen leverde de volgende informatie op:

In 1972 begint Wolfgang Kiessling op het Canarische eiland Tenerife met zijn droom. Op 13.000m2 opent hij Loro Parque, een vogelpark met 150 papegaaien. Inmiddels is het park uitgegroeid tot een volwaardige dierentuin met naast vele papegaaien ook grote roofdieren en zeezoogdieren. In minder dan 40 jaar groeide Wolfgangs droom van een vogelpark dat 70 cent entreegeld (70 cent!) vroeg uit naar een megapark van 135.000m2 met 1,5 miljoen bezoekers per jaar.

Nah!
Hoewel het eiland enorm is veranderd sinds de jaren '70 en het plaatsje waar ik woonde inmiddels één groot toeristenoord is geworden (mijn moeder was er twee jaar geleden en kwam huilend van desillusie terug: wát hadden ze gedaan met haar eiland?) heb ik plotseling enorm veel zin om er weer eens naartoe te gaan. Om mijn kinderen te laten zien 'waar mama woonde toen ze klein was'.

En er schijnt ook een heel leuk dolfinarium te zijn, met een nieuwe orka.

zondag 27 november 2011

Sterren kijken

‘Wat zullen we gaan doen, jongens?’ vroegen we gistermiddag. Maar dat leidde nergens toe: Merlijn wilde schaatsen, Bo wilde spelletjes doen op de iPhone en Loïs wilde naar de bibliotheek. En dus besloot ik maar gewoon iets: we gingen naar het Universiteitsmuseum, waar momenteel een expositie te zien is over sterren en planeten. Met als leuke gimmick: een mobiel planetarium - een koepelvormige opblaastent, waarin je lekker op kussentjes op de grond mag liggen terwijl zich boven je hoofd een animatie afspeelt. Met live uitleg. Interessant man! Nee echt, ik ben daar dol op. Een beetje in het heelal kijken. Weer even begrijpen wat ook alweer precies het verschil is tussen sterren en planeten. Leren dat Pluto tegenwoordig geen planeet meer heet, dat Jupiter wel heel erg groot is. En beseffen dat vooral het hele universum zo verschrikkelijk groot is. And expanding. Dat ons zonnestelsel, met de zon en de acht planeten, onderdeel is van de melkweg, maar dat er nog ontélbare ándere sterrenstelsels zijn met zonnen en planeten. En dat het heus heel waarschijnlijk is dat er somewhere out there meer planeten zijn met (menselijk) leven, maar dat dat verder niet zoveel uitmaakt, omdat het minstens 11 miljard jaar zou duren voor we antwoord zouden kunnen krijgen op onze sms.
Het maakt alles even zo lekker triviaal, dat geneuzel van ons hier op aarde.

Saai logje. Nja.
Foto’s dan maar.
Ook saai.

woensdag 23 november 2011

A bloody coincidence

Het is een raar ding mensen, dat internet. En dan vooral het twittergebeuren. Zo kwam ik er vandaag achter dat een aantal vrouwen in mijn timeline, ik zal geen namen noemen, maar zij, zij, zij en zij, allemaal afgelopen maandag ongesteld zijn geworden. Net als ik. Dat is best gek.

Nou weet ik dat het zo schijnt te zijn dat vrouwen die samenleven, hun menstruatiecycli op elkaar afstemmen door middel van feromonen en okselgeur. Althans, zo stelde Martha McClintock dat vast, in 1971. (Wat dan weer mijn geboortejaar is! Dit logje staat echt bol van de toevalligheden!)

Ik citeer even een stukje tekst dat ik erover las vandaag:
"Lang geleden was er een land waar vrouwen werden gerespecteerd. Waar de vrouwenaangelegenheden vrouwenaangelegenheden waren. Ze voelden liefde en respect voor zichzelf en anderen. Tijdens hun vrouwenaangelegenheden waren ze op zichzelf. Ze hadden controle over hun eigen lichaam. Ze vierde hun maandelijkse bloedingen als een maanritueel en menstrueerde gezamenlijk. Het was een tijd van energie en creativiteit. Moeder aarde werd aanbeden. Ze was aarde gericht en gaf het leven. Deze ceremonies werden gevierd in een tapoo, hetgeen magie betekende. Wanneer bij een meisje zich de eerste menstruatie aankondigde werd dat gevierd en het meisje werd verwelkomd en ingewijd in de magie van het vrouw zijn. Ze voelde zich krachtig.
Dit wordt nog steeds gevierd bij die volkeren die hun connectie met de aarde en de maan niet zijn kwijt geraakt. Toen de eerste missionarissen kwamen beschouwden deze de separatie van de vrouwen van de mannen niet als magie maar als verbanning en werd het woord tapoo vertaald als taboe. Nog steeds is het zo dat als vrouwen samenleven (bv. Nonnen) zij hun menstruatiecyclus synchroniseren. Er is een soort energie tussen hen, die eigenlijk al lang vergeten is." (
Melissa Assilem)

Taboe. Tapoo. Tampon.
Whatever.

Ik heb persoonlijk niet zoveel ervaring met dat McClintock effect, want ik woonde nooit met vrouwen samen. Hoewel, dat is niet waar, natuurlijk: ik woonde ooit samen met mijn moeder, maar die had mij op vrij late leeftijd gekregen, dus tegen de tijd dat ik in de weer moest met maandverband was zij daar al geruime tijd mee opgehouden. En oja, ik woonde in een studentenhuis, met medestudentes, maar toen slikte ik de pil en menstrueerde nooit, omdat ik altijd stiekem de stopweek oversloeg (waar ik nu, met terugwerkende kracht, opgelucht bij kan ademhalen; tegenwoordig is bekend dat dat geen kwaad kan (?) en men doet het dan ook en masse - het is zelfs zo dat mede hierdoor de verkoop van ‘damesproducten’ de laatste tijd gedaald is. Jaja, ik leer u weer veel vandaag hè.).

Goed. Geen ervaring met synchrone maandstonden dus.
Maar nu dan toch?!
Want die vrouwen, zij, zij, zij en zij, laten dat nou net de vrouwen zijn met wie ik me dagelijks omring! Niet in real life, daarvoor wonen ze te ver weg, maar virtueel. Het zijn mijn ‘persons’ zeg maar. Mijn persons on the internet.
Nah.
Dat moeten wel hele speciale feromonen zijn, die over breedband kunnen travelen.
Ik weet van de meesten niet eens hoe hun zweet ruikt!
Dus.
Legt u me dat maar eens even uit.

maandag 21 november 2011

Vanaf mijn iPhone

Dit is even een testje, mensen. Ik probeer voor het eerst een logje te posten vanaf mijn iPhone. Ik had namelijk geen idee dat er ineens een mobiele blogposting app bestond; ik loop wel vaker wat achter. Ook regelmatig voor, trouwens.
Maar goed. Misschien vertelle ik beter wat. Over vandaag.
Vandaag, toen ik met de kaasschaaf de korst van de kaas er probeerde af te hakken, schoot ik uit, in mijn duim. Die werd onmiddellijk spierwit, alsof al het bloed zich van schrik terugtrok en dat gaf me precies 6 seconden de tijd om een pleister te pakken, de schutvelletjes eraf te trekken en het gapende gat te bedekken.
Fantastisch hè dat de natuur dat zo regelt. Geen druppel bloed gezien!
En toen begon de pijn. Jemig. Maar nu voel ik niks meer hoor. En de pleister haal ik er gewoon nooit meer af.

Ik had het trouwens bijna niet na kunnen vertellen. Want toen ik een uur later de ramen in de slaapkamer lapte (vind ik zo'n rare uitdrukking, ramen 'lappen'. Komt misschien omdat ik nooit een lap gebruik, ik doe het met glassex en een keukenrol. Dat is geloof ik niet zo milieuvriendelijk, maar ach het is maar eens in de twee jaar.)
Dus ik stond daar bij het open raam - om ook de buitenkant van de ruit te kunnen eh.. schoonvegen - en ineens greep ik het kozijn mis en flikkerde waarlijk bijna van 8 meter naar beneden. (Zo hop, voorbij het raam waarachter mijn dochters zaten te tekenen aan de tafel.)
Nah. Ik durfde bijna het andere raam niet meer te doen.

De rest van de dag was ik op mijn hoede voor meer onheil, maar het lijkt erop dat het goed is gegaan. Ik druk nu met mijn vinger op 'publish' (oeh, spannend) en dan ga ik naar bed.

zaterdag 19 november 2011

Over de intocht van Sinterklaas en een dood paard

Hier zaten onze drie kindertjes, op de kade, te wachten op Sinterklaas.


En kijk! Daar was ie!


En toen moesten Bo en ik ons als de wiedeweerga door de mensenmassa worstelen - om bij het eindpunt van de boten te zijn vóór Sinterklaas daar aanmeerde - en haar snel in haar circuskostuum hijsen, omdat ze op haar eenwieler in de optocht ging meefietsen.
Waar ze nógal zenuwachtig voor was. En dat begreep ik wel. Je moet het maar doen: een uur lang op één wiel fietsen, tussen de dranghekken en door de paardenpoep, in een vleermuispak.
Maar het ging natuurlijk hartstikke goed! Mijn borstkas was weer eens te klein voor mijn moederhart.









Maar er gebeurde ook nog iets héél stoms. Er ging bij de optocht een paard dood. Een heel paard! Dood!
Ik had het paard, of eigenlijk de beide paarden die in een tweespan een fruitkar trokken, al de hele tijd in mijn vizier; ze waren namelijk heel onrustig. Constant aan het dribbelen en steigeren, al voor de optocht van start ging. Met name het ene dier leek heel bang te zijn voor de mensenmassa en maakte daarmee ook het andere paard van slag. Ik hield mijn hart vast. Je moest er toch niet aan denken dat ze het publiek in zouden stormen!
Toen de optocht zo’n half uur aan de gang was ging het nog niet beter. De paarden waren totaal bezweet en nog steeds voortdurend aan het steigeren. (klik. vanaf 8 sec.) Ik keek naar de geconcentreerde blik van de menner, die de opgewonden dieren wonderwel in toom kon houden, maar duidelijk niet blij was met de situatie. En net toen ik even een doorsteekje maakte om op een ander punt de optocht opnieuw op te wachten (om nog meer foto’s en filmpjes van mijn dochter te kunnen maken) gebeurde het.
Het schijnt – dat staat in het nieuwsberichten tenminste – dat iemand een sigaret richting de paarden gooide, waarop een van de paarden op de grond viel, met het andere paard erbovenop. Wellicht brak het paard zijn nek. Of stierf het aan een hartaanval.
(Wie gooit er nou een sigaret naar een paard?)
Nou ben ik van mening, dat het paard in de staat waarin het verkeerde net zo goed had kunnen flippen van een snoeppapiertje of een wapperende sjaal, dus het lijkt me moeilijk om de sigarettengooier (Wie gooit er nou een sigaret naar een paard?) een paardenmoord in de schoenen te schuiven, maar de discussie over participatie van dieren in dergelijke publieke festiviteiten zal wel weer eens oplaaien denk ik.

Bo was er in elk geval danig van onder de indruk.


vrijdag 18 november 2011

Asymmetrisch

Telkens weer ging ze voor de spiegel staan, met haar haren allemaal naar één kant. Ik zag het wel hoor. Maar zei wijselijk niets. Ik was tenslotte nog maar nauwelijks bekomen van de schrik van afgelopen dinsdag, toen de kapper mijn langharige zoon in een Justin Bieber 1.0 veranderde.


‘Mam,’ zei ze uiteindelijk, en onze ogen vonden elkaar in de spiegel, ‘ik wil mijn haar aan de ene kant kort en aan de andere kant lang.’
Ik glimlachte en zei dat ze dat wel heel zeker moest weten. Want dat de meeste kinderen van negen (‘Ik ben bijna tien!’) niet zulke dingen met hun haar doen. En dat haar klasgenoten het misschien wel ‘stom’ vinden en haar zullen uitlachen.
Haar ogen spoten vuur. ‘Wat kan mij dat nou schelen!’
En dat klopt: dat kan haar niks schelen. Ik weet het, maar blijf het tegelijkertijd ook raarrr vinden. Toen ik zelf negen was - bijna tien - was dat namelijk het áller-állerbelangrijkste op de héle wereld: wat de kinderen op school ergens van vonden.
De tijden zijn blijkbaar veranderd.
Of onze dochter heeft gewoon de arrogantie van haar vader geërfd, gheghe.


Bij gebrek aan vrolijkere foto's moet u het hier voorlopig even mee doen.
(Deze zijn gemaakt terwijl we nieuwe schoenen aan het kopen waren, duidelijk niet haar hobby.)




(Herinnert u zich deze nog? Klik.)

dinsdag 15 november 2011

Elephant

De titel is een beetje raar gekozen. Dit logje gaat namelijk over mijn schoonmoeder en je kunt zeggen van mijn schoonmoeder wat je wil, ze is géén olifant.
En had ze tot voor kort eventueel nog het geheugen van een olifant, dat heeft ze nu ook niet meer. Want zo troffen we haar afgelopen zondag in haar huis aan: totaal in de war.
We belden de dokter, de dokter kwam, die belde de ambulance, de ambulance kwam, ze ging naar het ziekenhuis en daar bleek dat ze was getroffen door een herseninfarct.

Ik zal er niet al te ver op ingaan hier, omdat alles nog zo onzeker is: in hoeverre zal ze herstellen? Zal ze weer zelfstandig kunnen wonen? Gaat ze de rest van haar leven in een verpleeghuis doorbrengen? Zal ze haar kleinkinderen straks weer herkennen? We weten het niet.

Vandaag luisterde ik vier keer naar dit nummer.
Het is zo mooi!
En niet echt toepasselijk dus, maar wel tranentrekkend.

donderdag 10 november 2011

Over sokken en het Romeo en Julia syndroom

Na het serieuse epistel van gisteren – dat moest er even uit blijkbaar – nu weer een luchtig onderwerp. Want laten we wel wezen, er schuilt nou eenmaal geen groot filosoof in me, maar slap ouwehoeren kan ik best.

Over sokken dus, vandaag. Over eenzame sokken. Sokken die gescheiden zijn van hun soulmate, hun wederhelft, hun tweelingzus (de sok is vrouwelijk, las ik net op vandale.nl). Over sokken, die in de Bermudadriehoek van de wascyclus verdwijnen en in het ergste geval nooit meer opduiken.

Wat gebeurt er toch met sokken na het moment van uittrekken? Waar blijven ze? Onder het bed? Zijn sokken misschien het geheime krachtvoer voor de wasmachine?
En waarom eet een wasmachine dan alleen sokken?
(Oeh: enge gedachte: het zal toch niet zo zijn dat de wasmachine ook onderbroeken en andere kleine kledingstukken eet, maar dat we dat gewoon niet merken? Het stille verwijt van zo’n achterblijvend evenbeeld maakt de kwijtheid van een sok natuurlijk wel meteen heel duidelijk.)

Nouja, u kent het probleem natuurlijk. Het is een wijdverbreid probleem. Maar ik durf wel te beweren dat het bij niemand zo erg is als bij ons thuis.
Kijk, dit is de situatie zoals die nu is:




Dit zijn 25 enkele sokken.
En nou niet allemaal gaan roepen dat ‘die zwarte daar links een setje vormt met die andere zwarte in het midden’, want dat is niet zo: er zijn geen twee dezelfde bij.

Voor de duidelijkheid, dit zijn alleen de schrijnende gevallen; de enkele sokken met een gerede kans op hereniging, liggen op een ánder bergje (waarvan sommigen, helaas, toch uiteindelijk bij de trieste gevallen belanden).
Dit hier, betreft de vaste kern van sokken voor welke de kans op een happy end zo goed als verkeken is.
Levenslang hebben ze.
Maar ik kan ik ze niet weggooien. Want je zult zien: dan duikt zo’n verloren gewaande sok tóch ineens op! Die blijkt dan verstopt te hebben gezeten in een dekbedhoes of een kussensloop ofzo.
Ik kan ze niet weggooien en dat heeft te maken met het Romeo en Julia syndroom.
U weet wel: Julia is dood, althans dat denkt Romeo. In werkelijkheid heeft ze slechts een slaapmiddel ingenomen (dat was vermoedelijk ergens handig voor? - ik onthoud de details van mijn klassiekers nogal selectief). Romeo ziet haar dus liggen, denkt dat ze dood is en drinkt een gifbeker leeg, om bij haar te zijn. Dan wordt Julia wakker, merkt dat Romeo écht dood is en steekt zich een houten staaf door het hart.
Wat een drama, zeg.
Dat wens je zelfs de lelijkste sok niet toe.

Edit: Thanks, Herma!

woensdag 9 november 2011

Waar Geen Woorden Voor Zijn

Er is een boek verschenen met de titel: God bestaat niet en Jezus is zijn zoon.
Een titel die mij zeer aanspreekt, als overtuigd atheïst, en die ik aldus onmiddellijk op mijn verlanglijstje voor Sinterklaas heb gezet.

Ik ben niet gelovig opgevoed. Integendeel: mijn moeder heeft in haar jeugd zo’n enorme aversie tegen het (gereformeerde) geloof ontwikkeld, door de manier waarop dat werd bedreven door haar moeder - mijn oma – die voortdurend met hel en verdoemenis dreigde, dat ze daar wellicht een beetje in doorgeslagen is. Alles wat maar enigszins naar de bijbel rook, of naar religie in het algemeen, werd met hoongelach bejegend. We keken niet naar de NCRV, ik mocht niet meedoen met de godsdienstles die af en toe op school werd gegeven en ik moest het bijvoorbeeld niet in mijn hoofd halen om thuis vertellen dat er bij een vriendinnetje aan tafel werd gebeden, dan had ik daar misschien nooit meer mogen logeren.
Tsja. Niet zo gek als iets meer trauma dan troost heeft gebracht.

In tegenstelling tot mijn moeder heb ik geen aversie tegen het geloof an sich, ik ben er zelfs altijd behoorlijk in geïnteresseerd geweest, ik snap er alleen nog steeds geen zak van. Ik voel me eerlijk gezegd altijd een beetje ongemakkelijk bij mensen die (uitdrukkelijk) geloven. En niet alleen omdat ik voortdurend moet opletten dat ik niet per ongeluk godslasterende taal uitsla - ik stoot niet graag mensen voor het hoofd - maar vooral omdat ik me constant afvraag wat toch dat verschil is tussen hen en mij. Waarom geloven zij in God en ik niet?
Ben ik intelligenter?
Ben ik minder bang?
Ben ik dom en onwetend?
Zijn zij beter dan ik?
(Vinden zij dat?)
Dat soort dingen.
Ik begrijp het namelijk niet. Hoe iemand – om maar even een makkelijk straatje in te slaan - kan blijven vasthouden aan het scheppingsverhaal. Dat loopt toch aan alle kanten spaak!
Niet dat ik overigens zo consequent ben in mijn overtuigingen, hoor. Zo kan ik bijvoorbeeld rustig denken dat er niets is na de dood, en tegelijkertijd af en toe denken dat ik contact heb met mijn overleden vader; dat rijmt zich ook niet echt lekker met elkaar. Want als mijn vader in het grote niets is verdwenen, wat doet hij dan hier mij de weg te wijzen hè.
Enfin.
Ik wil maar zeggen dat ik het ook allemaal niet weet. Maar ik geloof niet in God, als een hoger wezen. Ik denk namelijk dat er geen hoger wezen ís dan de mens. En dat denk ik niet uit arrogantie, hoor, eerder uit eenzaamheid. Ik meen dat te voelen.
En ja, okee, misschien is er wel ‘iets’.
En als dat ‘iets’ er is, dan denk ik dat het gevormd wordt door onszelf. Dat onze energie kan blijven hangen. Ofzo. Maar dan kom je dus weer bij allerlei woorden terecht: energie, collectief bewustzijn, en daar hou ik dus niet van.
Misschien is het daar wel allemaal misgegaan: bij de woorden. Misschien hadden er geen woorden gegeven moeten worden aan Waar Geen Woorden Voor Zijn. Dan werden er ook geen oorlogen gevoerd uit naam van heilige geschriften. En kon iedereen zich lekker, gewoon, op zijn eigen manier verhouden tot de kosmos en het bestaan.
Maar ja.
Weet ik veel.

zondag 6 november 2011

EEN BANKJE IN HET PARK

Vandaag op dit weblog maar eens een stukje proza, van 13 jaar geleden.
Gewoon, omdat het kan.


EEN BANKJE IN HET PARK

Ik zit op een bankje in het park.
Dat klinkt heel gewoon, maar eigenlijk is het raar, want ik kan me niet herinneren dat ik hier heb plaatsgenomen en hoelang geleden dat was. Ik kan me ook niet herinneren dat ik heb gedacht hé daar is een bankje, laat ik daar eens neerstrijken. Nu ik er zo over nadenk, ik weet zeker dat ik dat niet heb gedacht, want ik dacht aan heel andere dingen. Raar toch. Ik bedoel, als ík het niet was die mijn lichaam opdracht gaf hier op dit bankje te gaan zitten, wie of wat deed het dan? Wie maakt hier nog meer de beslissingen? Wat doen we verder nog allemaal als ik even niet oplet? Met z’n hoevelen zijn we eigenlijk?

We zitten op een bankje in het park.
Van links over het pad loopt een meneer in onze richting. Hij heeft zijn hondje netjes aan de lijn. Het hondje is zwart en de meneer is wit. Hij doet me aan mijn vader denken. Dat was ook zo’n meneer in het wit. Het liefst droeg hij een witte broek, witte schoenen, een wit overhemd en een witte hoed. Bovendien reed hij in een witte auto. Toen ik hem voor het eerst zag, dacht ik dat hij een gangster was. Ik was negen en ik wist niet dat ik zijn dochter was, zoals ik dat alle volgende ontmoetingen ook niet zou weten.

Ik hou van wit.
Sommige mensen beweren dat wit geen kleur is. Dat is niet zo, wit is alle kleuren tegelijk. Wit is een onzichtbare regenboog.

Guus staat op om aan het zwarte hondje te snuffelen.
‘Mooi beest,’ zegt de witte meneer.
Ik knik. Ik weet het, ik heb een knappe hond, ik hoor het elke dag.
‘Echt een heel mooi beestje,’ zegt de meneer nog eens en kijkt me aan. Het klinkt als een compliment. Alsof ik het dier zelf gebaard heb. Ik knik weer. Ik heb geen zin om te praten. Om toch te laten zien dat ik aardig ben buig ik voorover om het zwarte hondje te aaien, maar het keert zich van me af.

Ik sta op en loop maar weer eens verder. Guus volgt.
Sinds maandag wandel ik iedere dag een uur in het park. Dat is goed voor Guus, en ook voor mij, het geeft regelmaat aan de dagen. Ik ben van plan het vol te houden, weer of geen weer.
Je moet ergens beginnen.
Ik haal een paar keer diep adem vanuit mijn buik en concentreer me op het ruisen van de bladeren. Een meneer op een fiets haalt me in. Hij heeft een bruine jas aan maar doet me toch aan mijn vader denken. Misschien door zijn kale hoofd, of misschien doet elke meneer me wel aan mijn vader denken. Zoals elke boom me nog steeds aan een touw doet denken.

We pakken een stok van de grond en gooien. Guus rent er achteraan. De stok belandt in de vijver. Een zwarte zwaan schrikt en slaat met haar vleugels op het water. Ik geloof niet dat ik eerder een zwarte zwaan heb gezien.
Een moeder met een kind aan de hand werpt brood naar de eenden en de zwaan. De stukken zijn te groot en de eenden hebben geen honger, de zwaan ook niet.
Guus waggelt kwispelend op het jongetje af. Guus is dol op kleine mensjes.
‘Doet ie wat?’ vraagt de moeder terwijl ze het kind naar zich toetrekt en het achter haar benen verstopt. Doet ie wat betekent bijt ie. Ik heb de neiging te zeggen: ‘Ja hoor, hij doet van alles, twee maal per dag een hoop, zeer regelmatig een tukje, verder speelt hij en rent hij en ligt vaak uren op een bot te kauwen. Hij is trouwens een zij.’ De vraag ergert me, ook omdat ik denk dat er meer kinderen zijn geweest die een hond hebben toegetakeld dan andersom.
Ik zeg: ‘Nee hoor, Guus is dol op kleine mensjes,’ en tegen het jongetje: ‘Kom maar, aai haar maar, ze is heel zacht.’
Het jongetje durft niet. Nog geen drie turven hoog en nu al bang voor de verkeerde dingen.
Ik loop door, de moeder doet me aan mijn vader denken. Waarom weet ik niet, ze draagt geen witte kleren, heeft geen kaal hoofd en ze is geen meneer. Bovendien lijkt ze me niet erg aardig.

We zitten weer op een bankje. Een ander bankje. Het moet toch niet gekker worden. Misschien doet mijn lichaam het zelf, ben ik moe zonder het te weten.
Er ploft iemand naast me neer. Ik schrik me rot. Het is een meisje met in-line skates. Ze hijgt. ‘Even uitrusten, hoor, ik heb ze nog maar net en het valt helemaal niet mee.’
Het is het meisje van de groenteboer.
‘Ik heb ze nog maar net,’ zegt ze weer. Alles aan het meisje is vrolijk. Ze heeft vrolijke staartjes en draagt een vrolijk roze windjack, op haar rug hangt een teddybeer met een rits. Het meisje tilt haar linkerbeen op en legt hem over haar rechterbeen, zodat ik het gevaarte aan haar voet goed kan bekijken. Aan een van de wieltjes zit hondepoep.
‘Ik heb ze gisteren gekregen, op mijn verjaardag,’ gaat het meisje door. ‘Van mijn vader.’ Fijn zo. Ze had me nog in het geheel niet aan mijn vader doen denken.
‘Er zit poep aan je wieltje,’ zeg ik en sta op.
Misschien kijkt het meisje me verbouwereerd na, misschien rolt ze met haar schaats door het vochtige gras, misschien heeft ze alleen haar schouders opgehaald en zoekt ze nu naar een appel in haar berenrugzak.
Ik zou het niet weten, want ik kijk niet achterom.

We zijn verder gelopen. Eerst langs het voetbalveldje, vervolgens linksaf door het donkere stuk en aan het eind van het pad nog een keer links, om de vijver heen. Blijkbaar dan, want ik ben aan de rand van het park en aan de overkant van de straat zie ik mijn auto staan. Wie of wat hier dan ook de weg wijst, we hebben gevoel voor richting.

Ik steek schuin over, Guus naast me aan een denkbeeldige riem. Ik open het portier. ‘Kom maar,’ zeg ik, ‘morgen gaan we weer.’
Guus springt op de achterbank, ik ga op de bestuurdersstoel zitten.
Ik kijk in mijn buitenspiegel. Iemand moet er tegenaan zijn gebotst, want in plaats van de zijkant van de auto en een gedeelte van de straat zie ik mijn eigen gezicht.
Ik start en rij weg.

Morgen gaan we weer.

dinsdag 1 november 2011

#kanjerguusje

De dag beginnen met het lezen van een weblog over een meisje van tien, dat de dag daarvoor aan kanker is overleden, is nooit een heel goed idee.

Gisterochtend, terwijl ik vanuit mijn bed de kinderen in hun kleren commandeerde en mezelf voorbereidde op het onvermijdelijke opstaan door met mijn iPhone even de nieuwe tweets door te nemen, zag ik een aantal emotionele berichten in mijn timeline met de hashtag #kanjerguusje. Ik biecht op dat ik met mijn nog niet wakkere hoofd per abuis onmiddellijk kankerguusje las, maar dat eh... klopte dus. Doorklikken bracht me op het weblog van een vader, die de oneerlijke strijd van zijn dochtertje tegen die afschuwelijke, meedogenloze ziekte beschrijft. En wel zo mooi en zo rauw en zo eerlijk, je hart springt er gewoon van aan stukken.
Ik bleef op de rand van mijn bed zitten lezen, in mijn onderbroek, had vervolgens geen tijd meer om te douchen en bracht de kinderen naar school zonder te weten of ze eigenlijk hadden ontbeten en hun tanden gepoetst.
En liep vervolgens de hele dag rond met zo’n huilbrok in mijn keel.
Bah. Kinderen mogen niet doodgaan.

Als u het hartverscheurende (en liefdevolle) relaas ook wilt lezen, hier is de link.
Klik.
Voor kaarsjes branden is het te laat, maar dat had u al begrepen.

zaterdag 29 oktober 2011

Over een haantje de voorste, favicons en pompoensoep




Ha, ik was vandaag weer eens zo blij met mezelf! Eerst schreef ik drie artikelen - echt die rolden zo mijn toetsenbord uit (ook wel eens leuk) - en daarna maakte ik een favicon (u weet wel, zo'n pictogrammetje in de tab van een website) voor mijn blog, in plaats van het Blogger-icoontje.
(Ziet u hem? Of niet? Hij werkt (nog) niet in alle browsers.)
Of eigenlijk maakte ik er twee en kan ik niet kiezen. Welke vindt u het leukst?



Oja en we aten pompoensoep.
En ik deed creatief.
Ik maakte er zelfs een foto van die ik kan laten zien! Dat is leuk, want nu denkt u dat ik zo'n moeder ben die ook weet wanneer je kastanjes kunt zoeken en wanneer de bramen rijp zijn enzo.

maandag 24 oktober 2011

Freedom Party For Insects

'Mam, mogen we in de hut slapen?’
Nou goed dan, gingen ze in de hut slapen.
En ik maakte een filmpje.
Maar toen was het geluid raar, dus ik dacht: misschien kun je tegenwoordig wel muziek onder je filmpje zetten in Youtube. Nou, en of dat kan! Okee, niet je eigen muziek, maar je kunt een keuze maken uit de ‘gratis nummers uit onze bibliotheek’.
Die onze bibliotheek, die is dus bizár! Bizár! Geen idee hoe en door wie die lijst in vredesnaam is samengesteld, maar het is hórrible! Gekke fluitliedjes en malle klassieke deuntjes en veel rare partymuziek van iets (een band?) genaamd Musicshake, echt ik lachte me slap, maar er was niets dat ook maar enigszins geschikt was als soundtrack voor mijn filmpje.
Na twintig minuten stug doorzoeken zwichtte ik uiteindelijk voor een liedje van ene Suzy Callahan, met een nummer van haar album Freedom Party For Insects. Want dat klonk ineens wel toepasselijk.

(...)
En dan was het natuurlijk de bedoeling om hier nu het filmpje in kwestie te laten zien. Maar - heel verrassend vond ik zelf - iets hield me tegen; blijkbaar zijn er toch nog dingen die ik niet publiekelijk wil delen. Zoals een filmpje van drie lieve insecten kinderen in een nest in een hut in een kamer in een huis in een stad in een land op de aarde in de melkweg in het heelal.

Dus wat blijft er over?
Suzy Callahan.
Don't éver forget that name.


(Is niet het liedje van het filmpje, dat kan ik hier niet laten horen. Maar deze is leuker.)

vrijdag 21 oktober 2011

Loungen in de sky

Zoals ik gisteren al op facebook schreef: ouders zijn soms net gek.
We zijn vandaag even op en neer geweest naar Amsterdam, om onze oudste dochter naar een vriendinnetje te brengen waar ze één nachtje gaat logeren.
Het was de bedoeling om er ‘een dagje van te maken’, maar vanmorgen hadden we ineens helemaal geen zin om vroeg op te staan en het zou bovendien de hele dag regenen – ook in Amsterdam – dus namen we rustig de trein van half twaalf en stonden om 2 uur in de hoofdstad. Om 5 uur hadden we afgesproken voor de kind-overdracht.
Dus wat te doen? Naar Madame Tussauds? Het Rijksmuseuem? Het Anne Frankhuis?
We hadden niet zo'n zin om ergens lang in de rij te gaan staan en we waren pas ook al in een museum en je kunt ook overdrijven. Dus gingen we maar gewoon wat lopen. En eigenlijk is dat het leukste in Amsterdam; gewoon een beetje rondwandelen.
En het regende heus niet zo erg.
We bezochten ook nog even de nieuwe bibliotheek aan de Oosterdokskade en gingen toen koffie en warme chocolademelk drinken in de Skylounge boven het Minthotel. (Het welk Hotel? Het Mint Hotel. Geen idee waarom het zo heet, haha:


Maar dat is dus echt een gouden tip! (Thanks, Judith)
Voor als u weinig tijd heeft, maar toch héél Amsterdam wilt zien.
Wow.

En toen was het 5 uur en gingen we borrelen en pizza’s eten op de Lindengracht, lieten Bo achter en namen de trein terug naar ’t hoge noord’n.

We maakten heel veel foto’s.


dinsdag 18 oktober 2011

Mijn innerlijke Japanner

Het is vakantie en we hadden nog vrijkaartjes voor het museum, dus gingen we naar het museum.
Naar het Groninger Museum, met de expositie van Ruud van Empel. Die van die griezelige photoshopdingen maakt met niet-bestaande mensen.
Het leuke van zo’n museumbezoek is dat ik áltijd van te voren denk: als de kinderen het maar niet te saai vinden en zich gaan vervelen, maar dat dan áltijd blijkt dat ik degene ben die het het saaist vindt. Of saai is eigenlijk het goede woord niet, maar ik ben er gewoon niet zo goed in om lang stil te staan bij dingen (de aandachtsspanne van een doperwt), dus ook niet bij kunstwerken; ik moet altijd opletten dat ik niet ineens alvast drie zalen verder ben dan de rest van mijn gezelschap.
De GM-collector die we kregen uitgereikt bij de entree, maakte het er wat dat betreft niet beter op. (De collector, een unitje aan een sleutelhanger, hou je bij een kastje naast een schilderij – of een foto in dit geval – en dan gaat er een groen lampje branden en kun je later bij het verlaten van het museum op een computerscherm je verzameling naar je eigen emailadres versturen. Ik leg het een beetje suf uit, maar dat komt omdat ik er eigenlijk de ballen van snap. De techniek hè, het is me wat.)
Het ding wakkerde namelijk ook nog eens mijn innerlijke Japanner aan! (Bus uitspringen, 357 foto's maken van het Colosseum, 's avonds op hotelkamer kijken waar je bent geweest.)
Maar goed, thuis vond ik dus allemaal leuke plaatjes in mijn inbox. Zoals deze:



En zelf maakten we ook nog plaatjes: