woensdag 22 mei 2013

Taalergernissen

Het is eigenlijk een verkeerde titel.
Want ik erger me helemaal niet.
Nee joh. Iedereen doet maar.
De reden dat ik het toch even over ‘ik noem het dan maar taalmissers’ wil hebben is uitsluitend om te helpen.

Ik kan enorm balen als ik aan het eind van de middag eindelijk eens tijd heb om te gaan plassen en erachter kom dat mijn gulp waarschijnlijk al de halve dag openstond.
Of als ik in de spiegel zie dat ik lippenstift op mijn tand heb, waarschijnlijk al de hele dag.
Dan denk ik: waarom heeft niemand dat gezegd?
Waarom heeft niemand me daar even op gewezen?
Ik had het graag geweten.

Ik doe dat altijd wel; mensen wijzen op dingen die ze – als ik hen was – zouden willen weten.
Mensen die een stuk wc papier uit hun broek hebben hangen, of iets uit hun neus, die spinazie tussen hun tanden hebben of hun overhemd binnenstebuiten aan, die zijn bij mij in goede handen.
Ik wijs je er gewoon op en als je mazzel hebt nog discreet ook.
Het is even een awkward momentje, je lijdt even gezichtsverlies, maar het is een stuk minder erg dan je ‘s avonds vertwijfeld afvragen: WIE heeft vandaag allemaal geconstateerd dat mijn gulp openstond?

Er zijn mensen die ‘taalmissers’ maken, maar die dit geen bal kan schelen. Tegen hen zeg ik: sla dit stukje even over.
Er zijn ook mensen die taalmissers maken die het wel een bal kan schelen. Als ze het zouden weten. Maar ze weten het niet! Want niemand vertelt het ze ooit!
En dat is best sneu. Want ze kunnen zich niet eens ’s avonds vertwijfeld afvragen: WIE heeft me vandaag allemaal zo iets doms horen zeggen/zien schrijven?

Vandaar dat ik even bij twee veelgemaakte fouten wil stilstaan.
Just trying to help.


1. Toasten.

‘Laten we toasten op je succes!’
Dat lees je vaak.
Maar dat is dus niet goed.
Het is toosten. Met dubbel o. oo. (Net als proosten. Dat is ook met dubbel o. Dus dat is vanaf nu goed te onthouden.)
Toast, dat is geroosterd brood.
Toasten, dat is aldus: brood roosteren.
Toastjes, die zijn van Haust. Of van Buitoni (Boewietoni). Daar doe je Franse kaas op. Of tapenade. Of eiersalade. Toastjes zijn heel lekker bij een glas wijn, waarmee dan weer getoost kan worden.
Zo is het.

2. Het verschil tussen proeven en smaken.

‘Hee. Dat gebakje proeft naar sinaasappel!’
Au!
Ik erger me niet, welnee, maar dit doet wel een klein beetje pijn aan mijn oren.
Een gebakje kan namelijk helemaal niet proeven!
Want een gebakje heeft geen tong. En om te proeven heb je een tong nodig.
Smaken daarentegen, dat kan alles en iedereen.
Sommige dingen smaken vies, andere dingen smaken lekker, er zijn dingen die zoet smaken en dingen die zout smaken en dingen die bijna nergens naar smaken.
Sommige dingen kunnen proeven én smaken, zoals dieren en mensen.
Ik kan proeven. En ik kan ook smaken, maar liever niet.

Wat je zou kunnen zeggen is: ‘Hee: Ik proef sinaasappel in dat gebakje.’
Of: ‘Hee. Dat gebakje smaakt naar sinaasappel.’
Het is simpel. Proeven, daar heb je een tong voor nodig.



Maar dan weet u het nu: ík wil het dus allemaal graag weten.
Als ik een woord verkeerd schrijf of uitspreek. Of als ik ‘altijd zo irritant’ met mijn armen zwaai als ik praat. Als ik uit mijn mond stink, of slechte koffie zet. Of als ik op een vervelend toontje blog de laatste tijd.

dinsdag 21 mei 2013

De blog die je wist dat zou komen

Nog even over dat koningslied. Daar is iedereen natuurlijk al lang weer klaar mee, maar ik mag nog, want ik was er niet, ik was op Hawaii and missed out on all the fun.
Nouja, grotendeels dan. Want ik heb natuurlijk wel even iets voorbij zien komen op Twitter.


U moet zich dat als volgt voorstellen: terwijl boven mij, aan het plafond, zachtjes de ventilator zoefde en vanaf de vensterbank de gecko’s naar me schreeuwden, lag ik schaars gekleed te gieren van het lachen op mijn bed.
Ik lachte zo hard dat mijn zus en zwager ineens in de deuropening stonden.
‘What’s going on?’
'Well,' hikte ik. ‘You know that we’re going to have a King in Holland and in a few days he wil be eh… inaugurated, and now they’ve made a King-song and it was released today, but it appears to be such a horrible song, with all stupid lyrics and stuff and now Twitter’s going wild! Nico Dijkshoorn suggests a mild stoning of people who had anything to do with it and Sylvia Witteman launched a petition to boycot the song and everyone says funny things and oh, it’s so funny!!

Lege ogen staarden me aan. Haha.
Ze hadden echt geen idee waarover ik het had.
En leg het ook maar eens uit! Waarom het zo grappig is.
Aan mensen die nauwelijks weten wat Twitter is omdat ze leven zonder elektriciteit en stromend water (‘we leven eigenlijk in 1850’) en natuurlijk al helemaal geen smartphone of wifi hebben (wel een laptop trouwens, die wordt opgeladen met zonne-energie, om films van de bibliotheek op af te spelen) maar die vooral geen idee hebben hoe ráár Nederland is! (mijn zwager al helemaal niet en mijn zus heeft alleen nog schattige jaren tachtig en negentig taferelen voor ogen als ze aan Nederland denkt.)

En toen vond ik het zelf ook ineens zo bizar! Ik zag mezelf zitten op een prachtig eiland midden in de oceaan, met 12.000 kilometer verderop een piepklein landje waar mensen mijn taal spreken en met z’n allen aan het mopperen zijn op een Koningslied.
Geniaal!
Dat heeft ie toch maar voor elkaar gekregen, dacht ik. Die John Ewbank. Heel Nederland samengebracht, met zijn mislukte koningslied.
Maar meteen daarna dacht ik: Is dat wel zo? Of lijkt het alleen maar zo, omdat ik niet verder kijk dan mijn eigen ‘twitterzuil’? Zorgt Twitter eigenlijk voor 'verbroedering'? Of verdeelt Twitter juist; werken de sociale media als katalysator in de 'clash tussen hoge en lage cultuur'?
Verzuilt Nederland (opnieuw, nu van onderaf) op basis van meningen, normen en waarden (en intelligentie)?
Er ontstaan op Internet, via de social media, groepen van gelijkgestemden. Die trekken naar elkaar toe. Je volgt – en wordt gevolgd door – voornamelijk mensen met wie je je identificeert, die ongeveer hetzelfde vinden van dingen, wiens mening je waardeert en belangrijk vindt, mensen die moeten lachen om jouw grapjes omdat ze dezelfde humor hebben.
Want je wilt het tenslotte een beetje gezellig hebben in je timeline en kunnen lachen en geestelijk worden uitgedaagd.
‘Mijn’ Nederland lachte zich een kriek om het Koningslied en alle reacties en toestanden eromheen, maar…… wellicht ondertussen…..in een andere twitterdimensie……


Hoe dan ook, het blijft 'grappig' (en volgens mij toch echt uniek?), zo’n land dat collectief van het ene naar het andere onderwerp lijkt te hoppen. Van misselijkmakende pedofiliezaken, via de moord op Marianne Vaatstra en een doodgeschopte scheidsrechter naar het koningslied en het Songfestival.
Iedereen heeft overal een mening over. We zijn een land vol meningen, die geventileerd worden.
Inmiddels zijn we in de ban van het werkelijk afschuwelijke drama met de broertjes.
(Dat overigens stukken minder cultuurgevoelig ligt dan een Koningslied en daarom méér verbroedert.)

zaterdag 18 mei 2013

Iemand moet het doen

'Ik begrijp echt niets van voetbal,' zuchtte Merlijn. 'Dan roept iedereen de hele tijd 'hends! hends!' en dan denk ik: waar hébben ze het over.'
'Hands betekent handen,’ zei ik. Dat roepen ze als je met je handen aan de bal zit. Dat mag namelijk niet, bij voetbal.'
'Oh,' grijnsde hij, 'nou okee, misschien snap ik dat dan nog wel, maar al die andere dingen echt niet.'
'Zoals buitenspel? En wanneer het nou een corner is en wanneer een doelschop?'
'Klopt.'
'Het is allemaal niet zo heel ingewikkeld hoor,' zei ik. 'Ik wil het je wel uitleggen.'
Maar dat hoefde niet. Het interesseert hem namelijk geen snars. Hij wil het helemaal niet snappen. Hij vindt het prima, om een beetje op het veld naar de vogeltjes te kijken terwijl zijn klasgenoten achter de bal aanrennen.
Heeft ie van zijn vader. Die is ook al zo’n voetballiefhebber.

Niemand van ons heeft eigenlijk iets met voetbal. Ik ook niet. Dat ik hier in huis toevallig degene ben die de regels kent zegt niets; ik heb gewoon graag overal verstand van.
En iemand moet het doen.

Maar nu. Merlijn heeft een rol in een film. Ja, nee. Dat had ik nog niet verteld hier, omdat ik niet zo goed weet hoe, eigenlijk. Ik vind het zelf nogal griezelig. En het is ook allemaal een beetje veel de laatste tijd, met die kinderen. Zo prijkt Loïs’ naam inmiddels ook al op een filmposter en heeft Bo model gestaan voor een groot kunstwerk, dat vervolgens werd geselecteerd voor de zomerexpo in het Haags gemeentemuseum.

‘Doen wij dit?’ vroeg ik aan Henk. ‘Zijn wij van die ouders die hun kinderen zo nodig op het podium moeten zien? Dat zou echt vet irritant zijn! Maar dat is toch niet zo?’
Want volgens mij is dat echt niet zo.
Maar ja, intussen heb ik Merlijn natuurlijk wel opgegeven voor de audities, ook al was dat dan op zijn uitdrukkelijke verzoek. En toen me een paar maanden geleden werd gevraagd of we Loïs even konden uitlenen voor een scène in een film, riep ik meteen hysterisch: ‘Ja!’
En toen Bo werd gevraagd te poseren stemde ze zelf meteen toe, maar misschien had ik er wel wat te enthousiast bij staan kijken…?
‘Nee,’ zei Henk, wij doen dat niet. Ze vinden het zelf leuk. Maar we zetten wel de deur heel wijd voor ze open. In tegenstelling tot onze ouders, vroeger, die – doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg – vooral heel erg de deur dicht hielden.’ (Henk is echt heel goed in geruststellen.)

Ik dwaal af.
Ik was aan het vertellen dat Merlijn dus geen voetbaljongetje is.
Zijn ‘personage’ in de film is dat wel.
Die voetbalt tegen de muur. En als hij over straat slentert dan doet hij dat met een bal onder zijn arm.
Haha.
Dat wordt dus nog even hard met hem oefenen, wil dat er straks een beetje realistisch uitzien.
Ik vrees dat ik ook al weet wie deze taak op zich gaat nemen.
Iemand moet het doen.


En nu ga ik even Loïs opgeven hiervoor.

dinsdag 7 mei 2013

10 redenen om Hawaii’s Big Island te bestempelen als het paradijs


‘Ach, het valt best tegen hoor,’ hoorde ik mijn zusje altijd verkondigen over haar leefomgeving.
‘Je hebt voortdurend last van de vog die je ogen irriteert….. en het regent altijd aan de ene kant van het eiland en aan de andere kant is het veel te droog…..en overal heb je van die vervelende lava die pijn doet aan je voeten…’

Ik weet nu: het is een truc. Het is een collectieve leugen om het grootste geheim van de wereld vooral maar geheim te houden. En terecht hoor, daar niet van, maar u begrijpt nu misschien mijn pijnlijke spagaat. Want natuurlijk: ik moet solidair zijn, mijn drieweekse verblijf op het eiland heeft me deelgenoot gemaakt van the secret society, ik moet me houden aan de impliciete code: Never Tell.
Maar u weet ook: ik kan niet zo goed liegen. Dit is een eerlijk weblog; ik beschrijf de wereld zoals ik hem zie, zonder omhaal. Dat is mijn persoonlijke code.
Dus.
Sorry.
Sorry Big-Islanders, sorry zusje. Ik weet het, what I’m about to do is not done.
Ik hoop maar dat dit blogbericht zichzelf na tien dagen zal vernietigen en in de tussentijd niet al te veel mensen bereikt, waardoor de schade enigszins beperkt blijft.


1. De zee
Wat zeg ik, de oceáán! En niet zomaar een oceaan. Ik zag al best een heleboel zeeën: de Noordzee, de Middellandse zee met al haar subzeetjes, de Baltische zee en de Atlantische oceaan, maar de Pacific – de Grote, Stille oceaan – die kende ik nog niet, behalve van de wereldkaart. En dat is natuurlijk niet zo gek, want die ligt namelijk helemaal aan de ándere kant van Amerika. (Of, reise men in oostelijke richting: helemaal aan de ándere kant van Azië.)
Hij is geweldig, die Pacific. (Ik prefereer deze benaming, want het klinkt zo vredig en terrific tegelijk. And that says it all.)
Ik heb me erin ondergedompeld zoveel ik kon en hem van alle kanten bekeken. Van veraf en van dichtbij, van onder de waterspiegel (waar ik uren achtereen mezelf snorkelend verloor in de betoverende wereld van koraal, gekleurde vissen (zie ook punt 2), zeeëgels en –anemonen) en van bovenaf (nooit geweten dat bodyboarden zo verslavend was. Die gólven, die gólven!)
En dat allemaal bij een zeewatertemperatuurtje van zo’n, zeg, 27 graden.




2. Alleen maar leuke dieren
Aan de oostkant van het eiland waan je je in Brazilië. Het is een heus tropisch regenwoud met alles erop en eraan; varens, bamboe, schreeuwende vogels in schreeuwende kleuren, watervallen, noem maar op. Maar zonder de vervelende elementen. Er zijn dus géén slangen, geen (enge/gevaarlijke/grote) spinnen, geen schorpioenen, er is geen malaria (er zijn sowieso weinig muggen; ik sliep 18 nachten zonder klamboe en heb geen Autan aangeraakt), je hoeft geen gespuis van je af te slaan en nooit bang te zijn dat je op iets dodelijks stapt.
Geen griezelige beesten dus.
Maar wat dan wel?
Vogels, in rood, oranje en geel.
Vlinders.
Vrolijk gekleurde vissen met strepen en stippen.
Dolfijnen.
Walvissen. Van november tot mei bivakkeren ze voor de kust, om hun jongen te baren en te zogen, de rest van het jaar verblijven ze in Alaska, om te eten. Ik was nog net op tijd om er een aantal te aanschouwen, zij het van grote afstand.
Gekko’s.
Schildpadden.
Mangoesten. Dat zijn grappige beesten met rare staarten die oorspronkelijk niet op het eiland voorkwamen, maar geïmporteerd zijn om de ratten te bestrijden. En nou is het inderdaad zo dat mangoesten in principe ratten lusten, maar één dingetje hadden de bedenkers van het plan over het hoofd gezien: ratten zijn nachtdieren en mangoesten leven overdag, waardoor ze elkaar nooit tegenkomen. Haha. Dus nu is er een rattenplaag én een mongoose-plaag. (Nouja, plaag…. dit ook dient weer bekeken te worden in het licht van eerdergenoemde 'secret code'; het is er natuurlijk allemaal reuze akelig, hè.)

 
(Je mag hem Humu noemen.)


3. Bloemen.
Mensen die mij een beetje kennen weten: ik haat bloemen. Nou is dat natuurlijk niet waar, ik hou gewoon niet van bloemen in een vaas. Bloemen in een vaas zijn namelijk dode bloemen. Ze moeten alleen nog even sterven. Nou, niet in mijn huis alsjeblieft.
Bloemen in het wild, daar hou ik wel van. En helemaal van de bloemen op Hawaii. Natuurlijk zie je overal de hibiscusbloem (het symbool van Hawaii) en de leuke gele bloemetjes waarvan ik de naam even ben vergeten maar die worden gebruikt voor de bloemenkransen ('leis'). Wat dieper het regenwoud in zie je de meest wonderlijke creaties. Er zijn bloemen die lijken op houten speelgoed (en ook zo aanvoelen), bloemen die lijken op octopussen, bloemen die lijken op vogels. Het zijn stuk voor stuk kunstwerken op een steel.



4. Fruit
Mensen die mij een beetje kennen weten ook: ik ben geen fruiteter. Fruit is me meestal te fris en fruitig.  Voor tropisch fruit maak ik overigens nog weleens een uitzondering, dus dat kwam goed uit. Ik heb me tegoed gedaan aan papaya’s, mango’s en bananen (ik weet eindelijk hoe een banaan hoort te smaken) vooral ook omdat je ze zo van de boom kon plukken, wat enorm bijdroeg aan hun charme.



5. Sushi galore
Meestal als ik op reis ga bereid ik me gedegen voor. Ik lees me in, bestudeer de kaart, bedenk wat ik allemaal wil zien en beleven. Ditmaal niet. Ik ging op bezoek bij mensen die er wonen immers, die me waarschijnlijk all the best spots zouden laten zien.
Ik vertrok met niet veel meer kennis dan wat ik wist van Magnum (wat misleidend was trouwens; Magnum woonde op een ander eiland, niet te vergelijken - beter had ik me kunnen realiseren dat de serie Lost is opgenomen op Big Island).
En, (vakantieman), ik kon mijn bestemming aanwijzen op de kaart.
Maar wat ik bijvoorbeeld niet wist was dat het eiland enorm Japan-georiënteerd is, omdat er zich al lang geleden vele Japanners hebben gevestigd. Er zijn een heleboel Boeddhistische tempels, bijna alle supermarkten zijn in handen van Japanners en er is….  sushi in overvloed.
En als we geen sushi aten, dan aten we wel poke:  rauwe tonijn op z’n Hawaiiaans. Hoe gelukkig wil je me hebben. Een bakje poke, wat zeewiersalade on the side, een avocado erbij en vooruit, wat stukjes tomaat: I call it diner.

Je verwacht toch elk moment dat John Locke tevoorschijn kan stappen. (Of Sawyer!)





6. Een waanzinnig klimaat
Het is op Hawaii gewoon altijd 28 graden. Maar toch is het nooit te warm! Nee hoor. Lekker juist. ’s Nachts blijft het rond de 23. En dat is ook lekker. Lig je in Nederland, als het al eens een keer een nacht boven de 20 graden blijft, te plakken en zweten in je bed, hier niet. Het is niet voor niets dat de Ayurveda zegt dat Hawaii het beste klimaat ter wereld heeft.



7. Natuur
Op Big Island heb je zoveel meer het gevoel dat je op de aardbol woont. Er gebeuren dingen: er zijn tsunami’s, tornado’s en vulkaanuitbarstingen. Eén vulkaan is constant bezig lava te braken. De natuur is woest en overweldigend. Er zijn onbegaanbare bergen, er is wildernis. Ongerept. Het is unpaved paradise.
Oja: en nog nooit heb ik ergens zo weinig afval zien rondzwerven. Lees: geen. Iedereen, jong en oud, is ervan doordrongen dat dit prachtige oord schoon moet blijven. Dat de zee niet vervuild mag worden. Dat er geen plastic in de magen van vissen en vogels mag komen. 
Geen zwerfafval. Nergens. En dus echt niet, hè.


(Niet zelf gemaakt, deze foto. Kan alleen vanuit een helikopter.)

8. Geen toeristen
Oh, toch wel? Nou, dan heb ik ze waarschijnlijk niet herkend als zodanig. Er is in elk geval geen toerisme zoals ik het ken, zoals op Kreta en de Canarische eilanden. Er worden ook gewoon geen grote hotels en toeristencomplexen gebouwd. Doen ze gewoon niet. Nee zeg, het zou de kustlijn maar bederven. Er zijn alleen maar kleine hotelletjes, lodges, en bed&breakfasts. Allemaal heel low profile. Heel relaxed. Daar zijn ze sowieso heel goed in, op Hawaii. In relaxed zijn. Iedereen is het. Om niet te zeggen: lui. Niemand rijdt er te hard. Logisch: waarom zou je je haasten? Je bent er tenslotte al.
In het paradijs.



(Okee, dit waren dan misschien toeristen. Haha.)

9. Mijn zus woont er
Een minder algemene reden, maar voor mij niettemin relevant: mijn zus woont er en mijn superlieve/slimme/stoere nichtje, dat me een prachtig cadeau heeft gegeven: ik ben tante. En dat was ik feitelijk natuurlijk al bijna 6 jaar, maar ik wist nog niet hoe het voelde.




10. De zee.
Oh. Had ik die al? Sorry. Maar ik hou dan ook heel erg van de zee. (Alleen al omdat van zeewater mijn haar zo belachelijk goed gaat zitten. Haha.)





Ik ben weer thuis. En ook dat is fijn. Misschien moet ik binnenkort een logje schrijven over de 10 redenen om mijn man en kinderen te bestempelen als de allerbesten van de wereld.