vrijdag 13 februari 2015

De kat bij de Jumbo

Bij de entree van 'onze' Jumbo, zit op de inpakplank, boven de lege dozen, regelmatig een kat.
Dat is misschien een beetje vreemd, dat vond ik de eerste keer ook, maar mensen wennen over het algemeen snel aan nieuwe dingen, dus inmiddels is het een heel vertrouwd beeld.

Ik heb geconcludeerd dat het de kat van de straatkrantverkoper moet zijn. Dit aan de hand van de constatering dat de kat er nooit zit als de straatkrantverkoper er niet is, en andersom. (Er is een groot detective aan me verloren gegaan.)

Maar die kat gaat dus altijd met hem mee. Ik vind dat zo schattig! Hij blijft in de winkel rustig zitten wachten, tot het weer tijd is om weg te gaan. Af en toe krijgt hij een aai van een langslopende klant. (Dat denk ik tenminste; er zijn vast meer mensen die dat doen.)


Het is serieus de beste kat die ik ken. (Van de katten die momenteel in leven zijn, dan. Want de allerbeste kat ooit was natuurlijk Bram; mijn eerste grote liefde. Over wie ik na vijfentwintig jaar nog steeds niet kan vertellen zonder te snotteren. Want het liep niet zo goed af. Traumatisch, zelfs. Maar genoeg hierover.)

Als je hem over zijn kop aait, deze kat in de winkel, dan doet hij zijn ogen dicht. En dan voel je prr prr, onder je hand. Precies zoals een goede kat betaamt.



Sinds onze verhuizing, bijna een jaar geleden, doen we onze boodschappen in de Jumbo, hier om de hoek. Aan de rand van de Oosterparkwijk. Ik kende de Oosterparkwijk voorheen alleen van de reputatie; ik had er niet echt een beeld bij.
Nu wel.
De overstap van de door studenten en ‘binnenstadjers’ bevolkte Albert Heijn naar onze nieuwe supermarkt, was, hoe zal ik het zeggen, een soort antropologisch avontuur.
Het is echt wezenlijk anders. Je staat bij de kassa altijd wel achter iemand die alleen vijftien halve-literblikken bier afrekent en een bifiworstje.
En de stoep voor de ingang is een populaire hangplek van een groep alcoholisten.
De kinderen vonden dat in het begin nogal een uitdaging. (Maar mensen – en in het bijzónder kinderen – wennen over het algemeen snel aan nieuwe dingen, dus etc.)

Ik kan wel met ze. Ze vinden mijn fiets leuk. En ze weten inmiddels dat ze geen lege blikjes in mijn mand mogen gooien.

De straatkrantverkoper hoort er niet bij, hij staat een eindje verderop, dichter bij de deur. Hij hoort alleen bij zijn kat.


Ik ben dol op katten.

Daarmee ben ik niet uniek, dat weet ik, alleen al gezien het aantal kattenfilmpjes die voorbijkomen in mijn tijdlijnen. Na pornofilmpjes zijn kattenfilmpjes de meest bekeken filmpjes op het internet, las ik ergens. En ik geloof dat.

Wat me iets unieker maakt, is dat ik heel (heel heel) erg van katten hou, maar géén kat héb.
Sterker nog: ik mag het woord ‘kat’ eigenlijk niet eens hardop uitspreken, thuis.
Want daarmee kwets ik mijn man.
Henk is namelijk allergisch voor katten.
En omdat ik tweeëntwintig jaar geleden bij mijn volle verstand de keuze heb gemaakt voor een leven mét hem – en dus zónder katten – mag ik nu nooit meer zeuren.

En daar heeft hij natuurlijk wel een beetje een punt.
Maar ja: ik was jong en onbezonnen!
En al meer dan twintig jaar heb ik mijn mond gehouden!
En nu kan ik het niet ineens niet meer onderdrukken: het moet eruit!


Ik denk dat het de midlifecrisis is.
De een gaat zijn motorrijbewijs halen, ik wil een kat.
Of zelfs: twee katten.
Twee jonge katjes.
Straks, in het voorjaar.
Het gaat heus niet gebeuren, dat snap ik ook wel, maar ik wil het, ik wil het, ik wil het.

(...)

Ik ben zelfs zover gegaan, dat ik man en zoon (want ja, die ook..) heb opgedragen toch nog een keer een allergietest te doen. (Misschien zijn ze er inmiddels overheen gegroeid…?)


Hopend op een wonder (playing the karma-card again) ga ik morgen maar eens een straatkrant kopen.



Kan ik meteen even een fotootje maken van de kat.
Want ik heb er nu alleen een van zijn lege plekje.

Kijk, daar zit ie dan, naast de infokiosk.

Zo heet zo’n ding. #wistjeniethe






Edit 4 maart:




dinsdag 10 februari 2015

Ik geef het meteen toe; ik heb graag gelijk.

Nee, dit wordt niet het zoveelste betweterige, pedanterige taallesje.

Ik voel alleen de sterke drang om even in de bres te springen voor een woord, dat op de lijst met vergeten woorden dreigt te belanden.
Ik heb het over: Meteen.
Met de betekenis: onmiddellijk, stante pede, op dit moment, subiet, ogenblikkelijk, dadelijk, direct.

Nu zegt u misschien: ‘Nah, hoezo? Meteen? Dat woord gebruik ik heel vaak, hoor.’
En dat wil ik dan best geloven, maar grote kans dat het toch niet waar is.


Ik hoorde het al een tijdje, maar tegenwoordig steeds vaker (en vaker):

‘Ik zal het gelijk even doen!’ 
‘Okee, de vijftiende om tien uur, ik zet het gelijk in mijn agenda.’ 
‘Het was zo glad vanmorgen, ik stapte naar buiten en ging gelijk op m’n bek.’

Dan denk ik altijd: wat nou gelijk?
Gelijk met wat?
Gelijk aan wat?


Even opzoeken in de Van Dale.




Gelijk heeft een heleboel betekenissen, maar geen daarvan is: onmiddellijk, stante pede, op dit moment, subiet, ogenblikkelijk, dadelijk of direct.

Voor gelijk heb je namelijk minstens twee dingen nodig. Die gelijk kunnen zijn.
(Behalve misschien voor gelijk in de betekenis van ‘gelijk hebben’, maar zelfs daar: iemand heeft immers gelijk als zijn mening samenvalt met de waarheid; ook twee dingen.)

Als je zegt: ‘Ik zal het gelijk even doen,’ dan slaat dat dus nergens op.
Want: gelijk met wat? Gelijk met…nu? Ofzo? 

Gelijk is geen synoniem van meteen!
Gewoon niet!

Hoewel synoniemenwoordenboeken het al wel vermelden. Tsja. En de Van Dale waarschijnlijk binnenkort ook.
Want zo gaat dat: iets sluipt de taal binnen, of dat nou een nieuw woord is of in dit geval een foutief gebruik van een bestaand woord, het slaat z’n tengels uit en gaat exponentieel groeien.
Er drijven een paar leliebladeren op het water en als je een paar dagen niet hebt gekeken ligt ineens de hele vijver vol.
Je houdt het niet tegen.

Ik snap alleen niet waaróm.
Gelijk, dat is namelijk best een lelijk woord.
Met zo’n ggg aan het begin.
En dan zo’n lelijke ij en dan kk op het eind. Kk!
Een woord dat je liever niet zou willen gebruiken, tenzij het echt moet.

En kijk dan eens naar meteen.
Dat is een fijn, zacht woord.
Het begint al met een lieve m. (De m is van mama. En de beginletter van de meeste voornamen in Nederland. Misschien zelfs van de wereld, dat weet ik niet zeker, maar het zou best kunnen, met alle Maria’s en Mohammeds.)

De vraag is: Waarom zijn we collectief een prima woord, dat heel goed zegt wat het zegt, langzamerhand aan het verruilen voor een lelijk woord, dat strikt bekeken niet eens hetzelfde betekent?

Ik snap dat niet.

Ik zou het leuk vinden als we het proces nog een beetje konden vertragen. Dat iedereen, wanneer hij zichzelf gelijk (ggg kk!) hoort zeggen, even nadenkt of hij in dit geval niet liever meteen had gezegd?

En als u het niet voor mij wilt doen, dan toch: om een woord te redden.


En zo werd het toch een pedanterig, betweterig taallesje.

maandag 2 februari 2015

Ik heb een bloedhekel aan goochelaars


Ik zal waarschijnlijk op weinig bijval kunnen rekenen, gezien de populariteit van het programma Street Magic en de volle zalen van Hans Klok, maar ik ga het toch maar zeggen: Ik heb een bloedhekel aan goochelaars.
Echt, heel erg.
En al heel lang ook.
Al sinds de hoogtijdagen van Hans Kazan. Dan hebben we het over 1978. Ik bedoel maar.

Van kinderen met goocheldozen krijg ik ook al een beetje jeuk, maar dat komt voornamelijk omdat ik het geduld mis om tien keer achter elkaar naar dezelfde mislukkende truc te kijken, verder hebben die nog wel iets schattigs.
Mijn echte allergie betreft de goochelaars die het kúnnen.
De professionele goochelaars. (Die natuurlijk ook ooit met een goocheldoos zijn begonnen. Zo lees ik op Wikipedia over Hans Kazan: 'Op zijn negende kreeg hij een goocheldoos van Sinterklaas en vanaf die tijd is hij met goochelen bezig.' Ik word hier zo treurig van.)

Nog erger dan de profs, trouwens, zijn de fanatieke amateurs. Omdat je die in theorie zomaar op een feestje kunt tegenkomen.
Ik waarschuw: iemand die het ooit in zijn hoofd haalt om een muntje achter mijn oor te vinden, kan rekenen op een rechtse hoek. Echt, maak je geen illusies. (Haha. Woordgrapje. Illusies. Haha.)
Maar nee echt, flikker op joh met je truc! Loop naar de maan  – tenzij we gaan klaverjassen – met je pak speelkaarten!


Het is altijd hetzelfde.
De goochelaar laat je een kaart trekken.
Je wil niet, maar je doet het dan toch maar, want zo ben je: aardig.
Je neemt een kaart.
Dat is bijvoorbeeld de harten zeven.
De goochelaar zegt iets in de trant van: ‘Bekijk je kaart, onthoud hem goed, laat hem niet aan mij zien en stop hem dan terug tussen de andere kaarten.’
Op dat moment weet je genoeg.
De goochelaar gaat een of andere wazige routine opvoeren, die je niet kunt volgen, maar dat maakt niet uit, want je weet toch al hoe het afloopt: aan het eind van het riedeltje zal hij je jouw kaart, de harten zeven, tonen.

Nee.....het is ongelofelijk!
Hoe kan het?
‘Ja,’ roep je uit. ‘Dat was mijn kaart! Echt! Het was de harten zeven! Hoe wist je dat, hoe dééd je dat?’


Nou, en dat vertelt ie dan niet.

Want zo hoort dat, bij goochelen.


Het zal echt aan mij liggen, maar I just don’t get it.
Wat daar leuk aan is.
Misschien omdat ik altijd alles graag wil snappen.
Dat is zo’n beetje mijn drijfveer in het leven. Dus word ik zenuwachtig van iets waarbij het juist de bedoeling is dat je het niet snapt.


Goochelen, dat is alleen maar ter meerdere glorie van de goochelaar zelf.
Knap hoor. Heel knap. Hoe deed je dat? MAAR WAT HEB IK ERAAN?!
Goochelen is de meest egocentrische vorm van performance.
Goochelaars némen alleen maar.
Ze géven niets.
Behalve frustratie.




Dit ook, echt.
Niet te doen.
Haat.Haat.Haat.