dinsdag 29 november 2011

Loro Parque


Vandaag is de dag dat gaat ie verhuizen, onze orka Morgan. Met het vliegtuig, naar Tenerife.
Nou hoopt u misschien dat ik met een vlammend betoog kom over waarom ik het eens ben met de beslissing van het dolfinarium in Harderwijk, of waarom ik juist voorstander ben van het vrijlaten in zee, zoals de orkacoalitie wil. (Wat, even terzijde, een prachtig woord is: orkacoalitie. Vooral als je het aan elkaar schrijft, zoals ik doe. Ik hoop dat er binnenkort ook een koalacoalitie wordt opgericht, nog leuker.)

Maar nee, uit mijn mond zult u helaas niks zinnigs horen omtrent deze kwestie.
Ik heb namelijk geen mening.
Een dier hoort toch in de natuur, en niet in een aquarium? Eh ja, dat klopt.
Maar in de natuur zal hij sterven! Niemand weet waar zijn familie is en een orka is een groepsdier, bovendien weet hij niet hoe hij zelf vis moet vangen. Dat is toch zielig? Eh ja, dat is zielig.
Ziet u? Ik heb geen idee. Te weinig verstand van orka’s en te weinig inzicht in de financiële motieven die ongetwijfeld meespelen.

Mijn fascinatie voor de nieuwsberichten betreft dan ook niet zozeer de orka, als wel Tenerife. Telkens ik ergens het woord Tenerife hoor of lees, maakt mijn hart een sprongetje. Omdat Tenerife het eiland is waar ik de eerste jaren van mijn leven heb gewoond en daarna, gedurende mijn jeugd, regelmatig de vakanties heb doorgebracht.
U begrijpt dus dat ik al een paar maanden – of hoe lang die Morgan-gekte dan ook al duurt - enorm aan mijn trekken kom. Tenerife, lees ik maar steeds. Tenerife, Tenerife, Tenerife! Mijn hart maakt voordurend sprongetjes. En gisteren begon het er ook nog eens vreemd bij te bonzen, toen ik voor het eerst de naam van het nieuwe verblijf onder ogen kreeg: Loro Parque.
Loro Parque? Loro Parque? Ik proefde de woorden zorgvuldig en ze smaakten heel bekend. Loro Parque. Was dat niet die papagaaientuin waar we wel eens naartoe gingen?
Nou, inderdaad hoor.
Googelen leverde de volgende informatie op:

In 1972 begint Wolfgang Kiessling op het Canarische eiland Tenerife met zijn droom. Op 13.000m2 opent hij Loro Parque, een vogelpark met 150 papegaaien. Inmiddels is het park uitgegroeid tot een volwaardige dierentuin met naast vele papegaaien ook grote roofdieren en zeezoogdieren. In minder dan 40 jaar groeide Wolfgangs droom van een vogelpark dat 70 cent entreegeld (70 cent!) vroeg uit naar een megapark van 135.000m2 met 1,5 miljoen bezoekers per jaar.

Nah!
Hoewel het eiland enorm is veranderd sinds de jaren '70 en het plaatsje waar ik woonde inmiddels één groot toeristenoord is geworden (mijn moeder was er twee jaar geleden en kwam huilend van desillusie terug: wát hadden ze gedaan met haar eiland?) heb ik plotseling enorm veel zin om er weer eens naartoe te gaan. Om mijn kinderen te laten zien 'waar mama woonde toen ze klein was'.

En er schijnt ook een heel leuk dolfinarium te zijn, met een nieuwe orka.

zondag 27 november 2011

Sterren kijken

‘Wat zullen we gaan doen, jongens?’ vroegen we gistermiddag. Maar dat leidde nergens toe: Merlijn wilde schaatsen, Bo wilde spelletjes doen op de iPhone en Loïs wilde naar de bibliotheek. En dus besloot ik maar gewoon iets: we gingen naar het Universiteitsmuseum, waar momenteel een expositie te zien is over sterren en planeten. Met als leuke gimmick: een mobiel planetarium - een koepelvormige opblaastent, waarin je lekker op kussentjes op de grond mag liggen terwijl zich boven je hoofd een animatie afspeelt. Met live uitleg. Interessant man! Nee echt, ik ben daar dol op. Een beetje in het heelal kijken. Weer even begrijpen wat ook alweer precies het verschil is tussen sterren en planeten. Leren dat Pluto tegenwoordig geen planeet meer heet, dat Jupiter wel heel erg groot is. En beseffen dat vooral het hele universum zo verschrikkelijk groot is. And expanding. Dat ons zonnestelsel, met de zon en de acht planeten, onderdeel is van de melkweg, maar dat er nog ontélbare ándere sterrenstelsels zijn met zonnen en planeten. En dat het heus heel waarschijnlijk is dat er somewhere out there meer planeten zijn met (menselijk) leven, maar dat dat verder niet zoveel uitmaakt, omdat het minstens 11 miljard jaar zou duren voor we antwoord zouden kunnen krijgen op onze sms.
Het maakt alles even zo lekker triviaal, dat geneuzel van ons hier op aarde.

Saai logje. Nja.
Foto’s dan maar.
Ook saai.

woensdag 23 november 2011

A bloody coincidence

Het is een raar ding mensen, dat internet. En dan vooral het twittergebeuren. Zo kwam ik er vandaag achter dat een aantal vrouwen in mijn timeline, ik zal geen namen noemen, maar zij, zij, zij en zij, allemaal afgelopen maandag ongesteld zijn geworden. Net als ik. Dat is best gek.

Nou weet ik dat het zo schijnt te zijn dat vrouwen die samenleven, hun menstruatiecycli op elkaar afstemmen door middel van feromonen en okselgeur. Althans, zo stelde Martha McClintock dat vast, in 1971. (Wat dan weer mijn geboortejaar is! Dit logje staat echt bol van de toevalligheden!)

Ik citeer even een stukje tekst dat ik erover las vandaag:
"Lang geleden was er een land waar vrouwen werden gerespecteerd. Waar de vrouwenaangelegenheden vrouwenaangelegenheden waren. Ze voelden liefde en respect voor zichzelf en anderen. Tijdens hun vrouwenaangelegenheden waren ze op zichzelf. Ze hadden controle over hun eigen lichaam. Ze vierde hun maandelijkse bloedingen als een maanritueel en menstrueerde gezamenlijk. Het was een tijd van energie en creativiteit. Moeder aarde werd aanbeden. Ze was aarde gericht en gaf het leven. Deze ceremonies werden gevierd in een tapoo, hetgeen magie betekende. Wanneer bij een meisje zich de eerste menstruatie aankondigde werd dat gevierd en het meisje werd verwelkomd en ingewijd in de magie van het vrouw zijn. Ze voelde zich krachtig.
Dit wordt nog steeds gevierd bij die volkeren die hun connectie met de aarde en de maan niet zijn kwijt geraakt. Toen de eerste missionarissen kwamen beschouwden deze de separatie van de vrouwen van de mannen niet als magie maar als verbanning en werd het woord tapoo vertaald als taboe. Nog steeds is het zo dat als vrouwen samenleven (bv. Nonnen) zij hun menstruatiecyclus synchroniseren. Er is een soort energie tussen hen, die eigenlijk al lang vergeten is." (
Melissa Assilem)

Taboe. Tapoo. Tampon.
Whatever.

Ik heb persoonlijk niet zoveel ervaring met dat McClintock effect, want ik woonde nooit met vrouwen samen. Hoewel, dat is niet waar, natuurlijk: ik woonde ooit samen met mijn moeder, maar die had mij op vrij late leeftijd gekregen, dus tegen de tijd dat ik in de weer moest met maandverband was zij daar al geruime tijd mee opgehouden. En oja, ik woonde in een studentenhuis, met medestudentes, maar toen slikte ik de pil en menstrueerde nooit, omdat ik altijd stiekem de stopweek oversloeg (waar ik nu, met terugwerkende kracht, opgelucht bij kan ademhalen; tegenwoordig is bekend dat dat geen kwaad kan (?) en men doet het dan ook en masse - het is zelfs zo dat mede hierdoor de verkoop van ‘damesproducten’ de laatste tijd gedaald is. Jaja, ik leer u weer veel vandaag hè.).

Goed. Geen ervaring met synchrone maandstonden dus.
Maar nu dan toch?!
Want die vrouwen, zij, zij, zij en zij, laten dat nou net de vrouwen zijn met wie ik me dagelijks omring! Niet in real life, daarvoor wonen ze te ver weg, maar virtueel. Het zijn mijn ‘persons’ zeg maar. Mijn persons on the internet.
Nah.
Dat moeten wel hele speciale feromonen zijn, die over breedband kunnen travelen.
Ik weet van de meesten niet eens hoe hun zweet ruikt!
Dus.
Legt u me dat maar eens even uit.

maandag 21 november 2011

Vanaf mijn iPhone

Dit is even een testje, mensen. Ik probeer voor het eerst een logje te posten vanaf mijn iPhone. Ik had namelijk geen idee dat er ineens een mobiele blogposting app bestond; ik loop wel vaker wat achter. Ook regelmatig voor, trouwens.
Maar goed. Misschien vertelle ik beter wat. Over vandaag.
Vandaag, toen ik met de kaasschaaf de korst van de kaas er probeerde af te hakken, schoot ik uit, in mijn duim. Die werd onmiddellijk spierwit, alsof al het bloed zich van schrik terugtrok en dat gaf me precies 6 seconden de tijd om een pleister te pakken, de schutvelletjes eraf te trekken en het gapende gat te bedekken.
Fantastisch hè dat de natuur dat zo regelt. Geen druppel bloed gezien!
En toen begon de pijn. Jemig. Maar nu voel ik niks meer hoor. En de pleister haal ik er gewoon nooit meer af.

Ik had het trouwens bijna niet na kunnen vertellen. Want toen ik een uur later de ramen in de slaapkamer lapte (vind ik zo'n rare uitdrukking, ramen 'lappen'. Komt misschien omdat ik nooit een lap gebruik, ik doe het met glassex en een keukenrol. Dat is geloof ik niet zo milieuvriendelijk, maar ach het is maar eens in de twee jaar.)
Dus ik stond daar bij het open raam - om ook de buitenkant van de ruit te kunnen eh.. schoonvegen - en ineens greep ik het kozijn mis en flikkerde waarlijk bijna van 8 meter naar beneden. (Zo hop, voorbij het raam waarachter mijn dochters zaten te tekenen aan de tafel.)
Nah. Ik durfde bijna het andere raam niet meer te doen.

De rest van de dag was ik op mijn hoede voor meer onheil, maar het lijkt erop dat het goed is gegaan. Ik druk nu met mijn vinger op 'publish' (oeh, spannend) en dan ga ik naar bed.

zaterdag 19 november 2011

Over de intocht van Sinterklaas en een dood paard

Hier zaten onze drie kindertjes, op de kade, te wachten op Sinterklaas.


En kijk! Daar was ie!


En toen moesten Bo en ik ons als de wiedeweerga door de mensenmassa worstelen - om bij het eindpunt van de boten te zijn vóór Sinterklaas daar aanmeerde - en haar snel in haar circuskostuum hijsen, omdat ze op haar eenwieler in de optocht ging meefietsen.
Waar ze nógal zenuwachtig voor was. En dat begreep ik wel. Je moet het maar doen: een uur lang op één wiel fietsen, tussen de dranghekken en door de paardenpoep, in een vleermuispak.
Maar het ging natuurlijk hartstikke goed! Mijn borstkas was weer eens te klein voor mijn moederhart.









Maar er gebeurde ook nog iets héél stoms. Er ging bij de optocht een paard dood. Een heel paard! Dood!
Ik had het paard, of eigenlijk de beide paarden die in een tweespan een fruitkar trokken, al de hele tijd in mijn vizier; ze waren namelijk heel onrustig. Constant aan het dribbelen en steigeren, al voor de optocht van start ging. Met name het ene dier leek heel bang te zijn voor de mensenmassa en maakte daarmee ook het andere paard van slag. Ik hield mijn hart vast. Je moest er toch niet aan denken dat ze het publiek in zouden stormen!
Toen de optocht zo’n half uur aan de gang was ging het nog niet beter. De paarden waren totaal bezweet en nog steeds voortdurend aan het steigeren. (klik. vanaf 8 sec.) Ik keek naar de geconcentreerde blik van de menner, die de opgewonden dieren wonderwel in toom kon houden, maar duidelijk niet blij was met de situatie. En net toen ik even een doorsteekje maakte om op een ander punt de optocht opnieuw op te wachten (om nog meer foto’s en filmpjes van mijn dochter te kunnen maken) gebeurde het.
Het schijnt – dat staat in het nieuwsberichten tenminste – dat iemand een sigaret richting de paarden gooide, waarop een van de paarden op de grond viel, met het andere paard erbovenop. Wellicht brak het paard zijn nek. Of stierf het aan een hartaanval.
(Wie gooit er nou een sigaret naar een paard?)
Nou ben ik van mening, dat het paard in de staat waarin het verkeerde net zo goed had kunnen flippen van een snoeppapiertje of een wapperende sjaal, dus het lijkt me moeilijk om de sigarettengooier (Wie gooit er nou een sigaret naar een paard?) een paardenmoord in de schoenen te schuiven, maar de discussie over participatie van dieren in dergelijke publieke festiviteiten zal wel weer eens oplaaien denk ik.

Bo was er in elk geval danig van onder de indruk.


vrijdag 18 november 2011

Asymmetrisch

Telkens weer ging ze voor de spiegel staan, met haar haren allemaal naar één kant. Ik zag het wel hoor. Maar zei wijselijk niets. Ik was tenslotte nog maar nauwelijks bekomen van de schrik van afgelopen dinsdag, toen de kapper mijn langharige zoon in een Justin Bieber 1.0 veranderde.


‘Mam,’ zei ze uiteindelijk, en onze ogen vonden elkaar in de spiegel, ‘ik wil mijn haar aan de ene kant kort en aan de andere kant lang.’
Ik glimlachte en zei dat ze dat wel heel zeker moest weten. Want dat de meeste kinderen van negen (‘Ik ben bijna tien!’) niet zulke dingen met hun haar doen. En dat haar klasgenoten het misschien wel ‘stom’ vinden en haar zullen uitlachen.
Haar ogen spoten vuur. ‘Wat kan mij dat nou schelen!’
En dat klopt: dat kan haar niks schelen. Ik weet het, maar blijf het tegelijkertijd ook raarrr vinden. Toen ik zelf negen was - bijna tien - was dat namelijk het áller-állerbelangrijkste op de héle wereld: wat de kinderen op school ergens van vonden.
De tijden zijn blijkbaar veranderd.
Of onze dochter heeft gewoon de arrogantie van haar vader geërfd, gheghe.


Bij gebrek aan vrolijkere foto's moet u het hier voorlopig even mee doen.
(Deze zijn gemaakt terwijl we nieuwe schoenen aan het kopen waren, duidelijk niet haar hobby.)




(Herinnert u zich deze nog? Klik.)

dinsdag 15 november 2011

Elephant

De titel is een beetje raar gekozen. Dit logje gaat namelijk over mijn schoonmoeder en je kunt zeggen van mijn schoonmoeder wat je wil, ze is géén olifant.
En had ze tot voor kort eventueel nog het geheugen van een olifant, dat heeft ze nu ook niet meer. Want zo troffen we haar afgelopen zondag in haar huis aan: totaal in de war.
We belden de dokter, de dokter kwam, die belde de ambulance, de ambulance kwam, ze ging naar het ziekenhuis en daar bleek dat ze was getroffen door een herseninfarct.

Ik zal er niet al te ver op ingaan hier, omdat alles nog zo onzeker is: in hoeverre zal ze herstellen? Zal ze weer zelfstandig kunnen wonen? Gaat ze de rest van haar leven in een verpleeghuis doorbrengen? Zal ze haar kleinkinderen straks weer herkennen? We weten het niet.

Vandaag luisterde ik vier keer naar dit nummer.
Het is zo mooi!
En niet echt toepasselijk dus, maar wel tranentrekkend.

donderdag 10 november 2011

Over sokken en het Romeo en Julia syndroom

Na het serieuse epistel van gisteren – dat moest er even uit blijkbaar – nu weer een luchtig onderwerp. Want laten we wel wezen, er schuilt nou eenmaal geen groot filosoof in me, maar slap ouwehoeren kan ik best.

Over sokken dus, vandaag. Over eenzame sokken. Sokken die gescheiden zijn van hun soulmate, hun wederhelft, hun tweelingzus (de sok is vrouwelijk, las ik net op vandale.nl). Over sokken, die in de Bermudadriehoek van de wascyclus verdwijnen en in het ergste geval nooit meer opduiken.

Wat gebeurt er toch met sokken na het moment van uittrekken? Waar blijven ze? Onder het bed? Zijn sokken misschien het geheime krachtvoer voor de wasmachine?
En waarom eet een wasmachine dan alleen sokken?
(Oeh: enge gedachte: het zal toch niet zo zijn dat de wasmachine ook onderbroeken en andere kleine kledingstukken eet, maar dat we dat gewoon niet merken? Het stille verwijt van zo’n achterblijvend evenbeeld maakt de kwijtheid van een sok natuurlijk wel meteen heel duidelijk.)

Nouja, u kent het probleem natuurlijk. Het is een wijdverbreid probleem. Maar ik durf wel te beweren dat het bij niemand zo erg is als bij ons thuis.
Kijk, dit is de situatie zoals die nu is:




Dit zijn 25 enkele sokken.
En nou niet allemaal gaan roepen dat ‘die zwarte daar links een setje vormt met die andere zwarte in het midden’, want dat is niet zo: er zijn geen twee dezelfde bij.

Voor de duidelijkheid, dit zijn alleen de schrijnende gevallen; de enkele sokken met een gerede kans op hereniging, liggen op een ánder bergje (waarvan sommigen, helaas, toch uiteindelijk bij de trieste gevallen belanden).
Dit hier, betreft de vaste kern van sokken voor welke de kans op een happy end zo goed als verkeken is.
Levenslang hebben ze.
Maar ik kan ik ze niet weggooien. Want je zult zien: dan duikt zo’n verloren gewaande sok tóch ineens op! Die blijkt dan verstopt te hebben gezeten in een dekbedhoes of een kussensloop ofzo.
Ik kan ze niet weggooien en dat heeft te maken met het Romeo en Julia syndroom.
U weet wel: Julia is dood, althans dat denkt Romeo. In werkelijkheid heeft ze slechts een slaapmiddel ingenomen (dat was vermoedelijk ergens handig voor? - ik onthoud de details van mijn klassiekers nogal selectief). Romeo ziet haar dus liggen, denkt dat ze dood is en drinkt een gifbeker leeg, om bij haar te zijn. Dan wordt Julia wakker, merkt dat Romeo écht dood is en steekt zich een houten staaf door het hart.
Wat een drama, zeg.
Dat wens je zelfs de lelijkste sok niet toe.

Edit: Thanks, Herma!

woensdag 9 november 2011

Waar Geen Woorden Voor Zijn

Er is een boek verschenen met de titel: God bestaat niet en Jezus is zijn zoon.
Een titel die mij zeer aanspreekt, als overtuigd atheïst, en die ik aldus onmiddellijk op mijn verlanglijstje voor Sinterklaas heb gezet.

Ik ben niet gelovig opgevoed. Integendeel: mijn moeder heeft in haar jeugd zo’n enorme aversie tegen het (gereformeerde) geloof ontwikkeld, door de manier waarop dat werd bedreven door haar moeder - mijn oma – die voortdurend met hel en verdoemenis dreigde, dat ze daar wellicht een beetje in doorgeslagen is. Alles wat maar enigszins naar de bijbel rook, of naar religie in het algemeen, werd met hoongelach bejegend. We keken niet naar de NCRV, ik mocht niet meedoen met de godsdienstles die af en toe op school werd gegeven en ik moest het bijvoorbeeld niet in mijn hoofd halen om thuis vertellen dat er bij een vriendinnetje aan tafel werd gebeden, dan had ik daar misschien nooit meer mogen logeren.
Tsja. Niet zo gek als iets meer trauma dan troost heeft gebracht.

In tegenstelling tot mijn moeder heb ik geen aversie tegen het geloof an sich, ik ben er zelfs altijd behoorlijk in geïnteresseerd geweest, ik snap er alleen nog steeds geen zak van. Ik voel me eerlijk gezegd altijd een beetje ongemakkelijk bij mensen die (uitdrukkelijk) geloven. En niet alleen omdat ik voortdurend moet opletten dat ik niet per ongeluk godslasterende taal uitsla - ik stoot niet graag mensen voor het hoofd - maar vooral omdat ik me constant afvraag wat toch dat verschil is tussen hen en mij. Waarom geloven zij in God en ik niet?
Ben ik intelligenter?
Ben ik minder bang?
Ben ik dom en onwetend?
Zijn zij beter dan ik?
(Vinden zij dat?)
Dat soort dingen.
Ik begrijp het namelijk niet. Hoe iemand – om maar even een makkelijk straatje in te slaan - kan blijven vasthouden aan het scheppingsverhaal. Dat loopt toch aan alle kanten spaak!
Niet dat ik overigens zo consequent ben in mijn overtuigingen, hoor. Zo kan ik bijvoorbeeld rustig denken dat er niets is na de dood, en tegelijkertijd af en toe denken dat ik contact heb met mijn overleden vader; dat rijmt zich ook niet echt lekker met elkaar. Want als mijn vader in het grote niets is verdwenen, wat doet hij dan hier mij de weg te wijzen hè.
Enfin.
Ik wil maar zeggen dat ik het ook allemaal niet weet. Maar ik geloof niet in God, als een hoger wezen. Ik denk namelijk dat er geen hoger wezen ís dan de mens. En dat denk ik niet uit arrogantie, hoor, eerder uit eenzaamheid. Ik meen dat te voelen.
En ja, okee, misschien is er wel ‘iets’.
En als dat ‘iets’ er is, dan denk ik dat het gevormd wordt door onszelf. Dat onze energie kan blijven hangen. Ofzo. Maar dan kom je dus weer bij allerlei woorden terecht: energie, collectief bewustzijn, en daar hou ik dus niet van.
Misschien is het daar wel allemaal misgegaan: bij de woorden. Misschien hadden er geen woorden gegeven moeten worden aan Waar Geen Woorden Voor Zijn. Dan werden er ook geen oorlogen gevoerd uit naam van heilige geschriften. En kon iedereen zich lekker, gewoon, op zijn eigen manier verhouden tot de kosmos en het bestaan.
Maar ja.
Weet ik veel.

zondag 6 november 2011

EEN BANKJE IN HET PARK

Vandaag op dit weblog maar eens een stukje proza, van 13 jaar geleden.
Gewoon, omdat het kan.


EEN BANKJE IN HET PARK

Ik zit op een bankje in het park.
Dat klinkt heel gewoon, maar eigenlijk is het raar, want ik kan me niet herinneren dat ik hier heb plaatsgenomen en hoelang geleden dat was. Ik kan me ook niet herinneren dat ik heb gedacht hé daar is een bankje, laat ik daar eens neerstrijken. Nu ik er zo over nadenk, ik weet zeker dat ik dat niet heb gedacht, want ik dacht aan heel andere dingen. Raar toch. Ik bedoel, als ík het niet was die mijn lichaam opdracht gaf hier op dit bankje te gaan zitten, wie of wat deed het dan? Wie maakt hier nog meer de beslissingen? Wat doen we verder nog allemaal als ik even niet oplet? Met z’n hoevelen zijn we eigenlijk?

We zitten op een bankje in het park.
Van links over het pad loopt een meneer in onze richting. Hij heeft zijn hondje netjes aan de lijn. Het hondje is zwart en de meneer is wit. Hij doet me aan mijn vader denken. Dat was ook zo’n meneer in het wit. Het liefst droeg hij een witte broek, witte schoenen, een wit overhemd en een witte hoed. Bovendien reed hij in een witte auto. Toen ik hem voor het eerst zag, dacht ik dat hij een gangster was. Ik was negen en ik wist niet dat ik zijn dochter was, zoals ik dat alle volgende ontmoetingen ook niet zou weten.

Ik hou van wit.
Sommige mensen beweren dat wit geen kleur is. Dat is niet zo, wit is alle kleuren tegelijk. Wit is een onzichtbare regenboog.

Guus staat op om aan het zwarte hondje te snuffelen.
‘Mooi beest,’ zegt de witte meneer.
Ik knik. Ik weet het, ik heb een knappe hond, ik hoor het elke dag.
‘Echt een heel mooi beestje,’ zegt de meneer nog eens en kijkt me aan. Het klinkt als een compliment. Alsof ik het dier zelf gebaard heb. Ik knik weer. Ik heb geen zin om te praten. Om toch te laten zien dat ik aardig ben buig ik voorover om het zwarte hondje te aaien, maar het keert zich van me af.

Ik sta op en loop maar weer eens verder. Guus volgt.
Sinds maandag wandel ik iedere dag een uur in het park. Dat is goed voor Guus, en ook voor mij, het geeft regelmaat aan de dagen. Ik ben van plan het vol te houden, weer of geen weer.
Je moet ergens beginnen.
Ik haal een paar keer diep adem vanuit mijn buik en concentreer me op het ruisen van de bladeren. Een meneer op een fiets haalt me in. Hij heeft een bruine jas aan maar doet me toch aan mijn vader denken. Misschien door zijn kale hoofd, of misschien doet elke meneer me wel aan mijn vader denken. Zoals elke boom me nog steeds aan een touw doet denken.

We pakken een stok van de grond en gooien. Guus rent er achteraan. De stok belandt in de vijver. Een zwarte zwaan schrikt en slaat met haar vleugels op het water. Ik geloof niet dat ik eerder een zwarte zwaan heb gezien.
Een moeder met een kind aan de hand werpt brood naar de eenden en de zwaan. De stukken zijn te groot en de eenden hebben geen honger, de zwaan ook niet.
Guus waggelt kwispelend op het jongetje af. Guus is dol op kleine mensjes.
‘Doet ie wat?’ vraagt de moeder terwijl ze het kind naar zich toetrekt en het achter haar benen verstopt. Doet ie wat betekent bijt ie. Ik heb de neiging te zeggen: ‘Ja hoor, hij doet van alles, twee maal per dag een hoop, zeer regelmatig een tukje, verder speelt hij en rent hij en ligt vaak uren op een bot te kauwen. Hij is trouwens een zij.’ De vraag ergert me, ook omdat ik denk dat er meer kinderen zijn geweest die een hond hebben toegetakeld dan andersom.
Ik zeg: ‘Nee hoor, Guus is dol op kleine mensjes,’ en tegen het jongetje: ‘Kom maar, aai haar maar, ze is heel zacht.’
Het jongetje durft niet. Nog geen drie turven hoog en nu al bang voor de verkeerde dingen.
Ik loop door, de moeder doet me aan mijn vader denken. Waarom weet ik niet, ze draagt geen witte kleren, heeft geen kaal hoofd en ze is geen meneer. Bovendien lijkt ze me niet erg aardig.

We zitten weer op een bankje. Een ander bankje. Het moet toch niet gekker worden. Misschien doet mijn lichaam het zelf, ben ik moe zonder het te weten.
Er ploft iemand naast me neer. Ik schrik me rot. Het is een meisje met in-line skates. Ze hijgt. ‘Even uitrusten, hoor, ik heb ze nog maar net en het valt helemaal niet mee.’
Het is het meisje van de groenteboer.
‘Ik heb ze nog maar net,’ zegt ze weer. Alles aan het meisje is vrolijk. Ze heeft vrolijke staartjes en draagt een vrolijk roze windjack, op haar rug hangt een teddybeer met een rits. Het meisje tilt haar linkerbeen op en legt hem over haar rechterbeen, zodat ik het gevaarte aan haar voet goed kan bekijken. Aan een van de wieltjes zit hondepoep.
‘Ik heb ze gisteren gekregen, op mijn verjaardag,’ gaat het meisje door. ‘Van mijn vader.’ Fijn zo. Ze had me nog in het geheel niet aan mijn vader doen denken.
‘Er zit poep aan je wieltje,’ zeg ik en sta op.
Misschien kijkt het meisje me verbouwereerd na, misschien rolt ze met haar schaats door het vochtige gras, misschien heeft ze alleen haar schouders opgehaald en zoekt ze nu naar een appel in haar berenrugzak.
Ik zou het niet weten, want ik kijk niet achterom.

We zijn verder gelopen. Eerst langs het voetbalveldje, vervolgens linksaf door het donkere stuk en aan het eind van het pad nog een keer links, om de vijver heen. Blijkbaar dan, want ik ben aan de rand van het park en aan de overkant van de straat zie ik mijn auto staan. Wie of wat hier dan ook de weg wijst, we hebben gevoel voor richting.

Ik steek schuin over, Guus naast me aan een denkbeeldige riem. Ik open het portier. ‘Kom maar,’ zeg ik, ‘morgen gaan we weer.’
Guus springt op de achterbank, ik ga op de bestuurdersstoel zitten.
Ik kijk in mijn buitenspiegel. Iemand moet er tegenaan zijn gebotst, want in plaats van de zijkant van de auto en een gedeelte van de straat zie ik mijn eigen gezicht.
Ik start en rij weg.

Morgen gaan we weer.

dinsdag 1 november 2011

#kanjerguusje

De dag beginnen met het lezen van een weblog over een meisje van tien, dat de dag daarvoor aan kanker is overleden, is nooit een heel goed idee.

Gisterochtend, terwijl ik vanuit mijn bed de kinderen in hun kleren commandeerde en mezelf voorbereidde op het onvermijdelijke opstaan door met mijn iPhone even de nieuwe tweets door te nemen, zag ik een aantal emotionele berichten in mijn timeline met de hashtag #kanjerguusje. Ik biecht op dat ik met mijn nog niet wakkere hoofd per abuis onmiddellijk kankerguusje las, maar dat eh... klopte dus. Doorklikken bracht me op het weblog van een vader, die de oneerlijke strijd van zijn dochtertje tegen die afschuwelijke, meedogenloze ziekte beschrijft. En wel zo mooi en zo rauw en zo eerlijk, je hart springt er gewoon van aan stukken.
Ik bleef op de rand van mijn bed zitten lezen, in mijn onderbroek, had vervolgens geen tijd meer om te douchen en bracht de kinderen naar school zonder te weten of ze eigenlijk hadden ontbeten en hun tanden gepoetst.
En liep vervolgens de hele dag rond met zo’n huilbrok in mijn keel.
Bah. Kinderen mogen niet doodgaan.

Als u het hartverscheurende (en liefdevolle) relaas ook wilt lezen, hier is de link.
Klik.
Voor kaarsjes branden is het te laat, maar dat had u al begrepen.