vrijdag 29 mei 2009

Nou goed dan: een eind

(Weet u het nog? Klik)



Ze zitten naast elkaar op de bank in de kamer. Bregtje kijkt uit het raam en bijt op haar nagels. Vera bestudeert een schram op haar knie. Het is al bijna donker buiten.
Aan de tafel zit Marijke. Ze heeft gehuild, haar ogen zijn rood. Papa staat achter haar stoel met zijn arm om haar schouders. Hij is meteen teruggekomen uit Brussel toen hij hoorde wat er was gebeurd.
Vera zou willen dat hij háár nu zo vasthield, in plaats van Marijke. Ze heeft zin om bij hem op schoot te kruipen, zoals vroeger, toen ze nog gewoon samen waren. Toen ze nog niet hier woonden, bij Marijke. En bij Bregtje en Iris.


“Het is heel, héél erg dom wat jullie gedaan hebben,” begint papa. “Beseffen jullie dat? Ze had wel...”
“Ze had wel dóód kunnen zijn!” Marijke’s stem klinkt vreemd hoog. “Jullie hebben geen idee hoe het is.... hoe moeilijk het altijd is, met Iris..”
Bregtje begint te huilen. Ze loopt naar Marijke en legt haar hoofd in haar moeders schoot. “Het spijt me zo,” snikt ze, “ik wist niet, we wisten niet......we speelden alleen dat....”
Vera slikt verwoed haar tranen weg.
Ze moet zo haar best doen om niet te huilen dat haar keel er pijn van doet.
Iris was vergiftigd, had de ambulancebroeder gezegd.
Vergiftigd.
Het woord blijft steeds in haar hoofd rondspoken. Net als het beeld van Iris in haar witte jurk, kronkelend in het gras.
Arme Iris. Zou ze bang zijn in het ziekenhuis? Snapt ze dat de dokters haar alleen maar beter willen maken? Meestal vertrouwt ze vreemde mensen niet.
Ons vertrouwde ze wel, denkt Vera verschrikt. En wij hebben haar ziek gemaakt. Ze voelt het bloed tegen haar slapen bonzen.
“Ze hebben haar maag leeggepompt,” zegt Marijke, ineens weer kalm.
“Het was waarschijnlijk de Oleander.”

Bregtje is weer op de bank gaan zitten en droogt haar tranen met de mouw van haar vest. Vera pakt haar hand. Een opwelling, waar ze meteen al weer spijt van heeft. Bregtje kijkt haar aan, verbaasd.
Maar ze trekt haar hand niet los.

woensdag 27 mei 2009

SOEP

“We doen dat we heksen zijn,” zegt Bregtje. “En dan gaan we soep koken.”
“Ja,” zegt Vera. “Heksensoep.”
“Kijk, we hebben deze,” Bregtje loopt naar de tafel, die gemaakt is van een oude deur op schragen, en trekt tussen een heleboel rommel en gereedschap een elektrisch kookplaatje tevoorschijn, “en die grote pan. Nou moeten we alleen nog een lepel. Een grote houten lepel, om mee te roeren. Ga jij die even halen, in de keuken.”
Vera sjokt weg. Een tijdje later komt ze terug met in haar ene hand een pollepel en in de andere de hand van Iris.
“Marijke zegt dat Iris ook mee moet spelen.”
Bregtje draait zich om. “Dat kan helemaal niet, Iris kan geen heks zijn.”
“Nee…..maar we moeten op haar passen. Marijke gaat boodschappen doen.”
Vera bijt op haar lip. Als Bregtje nou maar niet boos is. Ze hadden net zo'n leuk plan.
“Ik weet iets,” zegt Bregtje, de donderwolk verdwijnt alweer van haar gezicht, “Iris mag straks proeven, als de soep klaar is. Dan veranderen we haar in een kikker. Of in een zwarte kat.” Ze giechelt. “En eerst binden we haar vast aan een boom.”
“Met mijn springtouw,” zegt Vera. Ze kijkt omhoog naar Iris. “Vind je dat goed?”
“Flupp,” klinkt het uit Iris. Ze blaast een grote spuugbel op haar lippen.

Het touw kan precies een keer om Iris en de boom. Vera legt er een knoop in.
“Zo. Nou moet je hier blijven zitten, goed? Maken we je straks weer los.”
Bregtje heeft het kookplaatje op een omgekeerde kist gezet, vlakbij het stopcontact. Met een borstel maakt ze de pan van binnen schoon. Vera haalt de tuinslang die opgerold naast het schuurtje aan de buitenkraan hangt. Met z”n tweeën vullen ze de pan met water.
“Nu moeten we kruiden verzamelen,” zegt Bregtje.
“Wat voor kruiden?”
“Nou gewoon, blaadjes en zo.” Bregtje geeft Vera een plastic bakje. Zelf neemt ze een rieten mand.
Vera loopt naar de hoek van de tuin. Bij de vijver staat een plant met grote donkergroene bladeren. Ze trekt er drie bladeren af en scheurt ze in kleine stukjes. Ze plukt ook een paardebloem en trekt een paar plukken gras uit de grond. Dan is het bakje vol.
Als ze terugkomt is Bregtje al weer bezig in het schuurtje. Ze heeft het kookplaatje op de hoogste stand gezet. In de pan drijven allemaal blaadjes en takjes. Vera kiept de inhoud van haar bakje er bij.
“Deze moet er ook nog in.” Bregtje houdt een dikke wriemelende worm triomfantelijk tussen haar duim en wijsvinger omhoog.
“Is dat niet zielig?”
“Natuurlijk niet. We zijn heksen.” Met een gemeen lachje laat ze de worm vallen. Plons.
“Nu moet het gaan koken, dan wordt het pas echt soep.” Ze steekt haar vinger in het water. “Het wordt al een beetje warm.” Met twee handen omklemt ze de lepel en roert met al haar kracht in de grote pan.
Na een hele tijd begint het te borrelen. Er verschijnt een dikke geelgroene schuimlaag op de soep. Vera hangt haar neus erboven. “Het stinkt.”
Bregtje ruikt ook aan de soep. “Getver! Precies goed. Echte heksensoep.”
Ze moeten allebei opeens heel erg lachen.
“Ik moet plassen,” giert Vera, ze staat met haar benen gekruist te wiebelen. “Misschien kunnen we dat er ook nog wel door doen.”
“Getver,” hikt Bregtje, de tranen stromen over haar wangen van het lachen. “Nou ophouden hoor, ik moet blijven roeren, anders kookt het over.”


Even later is de soep klaar en kunnen ze Iris halen.
Ze rennen naar de boom die midden op het grasveld staat. Iris zit met een stokje in de grond te porren.
“Hallo, daar zijn we alweer. Kom je soep bij ons eten?”
“Jah,” stoot Iris uit. Ze steekt een modderige vinger in haar mond.
Vera krijgt de knoop die ze zelf gemaakt heeft niet meer los, dus schuift ze het touw omhoog zodat Iris er onderuit kan kruipen. Grappig, ze had gewoon weg kunnen lopen, maar dat wist ze natuurlijk niet. Malle Iris.
Vera en Bregtje tillen voorzichtig de zware pan van de kist en zetten hem op de grond.
Iris zit op het krukje. “Mondje open,” zegt Bregtje. “Krijg je lekkere soep.”
Iris doet haar mond open. Ze doet altijd alles wat je zegt, dat is handig. Bregtje giet een lepel soep naar binnen. “En nu slikken.” Iris slikt. Ze kijkt een beetje vies maar ze lacht er ook bij. “En nog een hapje.” Bregtje giet een tweede lepel naar binnen. Iris slikt weer.
“Hocuspocus,” zegt Vera. “Toe maar, word maar een kikker.”
Opnieuw krijgen ze de slappe lach.

“Zo. Drie is denk ik wel genoeg.” Bregtje zet de lepel in de pan. “Nu moeten we wachten. Tot er iets gaat gebeuren.” Ze gaat in het gras zitten. Vera ploft naast haar.
Iris danst. Ze is natuurlijk blij dat ze niet meer stil hoeft te zitten tegen de boom aan. Met haar armen gespreid draait ze rondjes, steeds sneller en sneller. Haar witte jurk wappert om haar lange benen. Na een paar minuten gaat ze op de grond zitten wiebelen.
Vera laat zich achterover vallen en doet haar ogen dicht.
Als ze na een paar minuten weer overeind komt zit Iris op handen en knieën. Haar mond is in een vreemde grimas getrokken en ze kwijlt, erger dan normaal.
“Ze doet raar,” zegt Vera. Ze stoot Bregtje aan, die van madeliefjes een ketting maakt.
“Kijk dan, ze doet heel raar.” Iris draait met haar ogen. Haar gezicht is rood aangelopen.
“Ze wordt geen kikker,” zegt Vera. “Kikkers zijn groen.”
Iris rolt door het gras. Ze maakt een gorgelend geluid en slaat wild in het rond met haar armen.
“Misschien heeft ze buikpijn,” zegt Vera. “Misschien komt het van de soep.”

Dan horen ze een portier dichtslaan. Marijke!
Bregtje rent om het huis heen naar de auto. “Mam, er is iets met Iris!”
Marijke gooit de tassen met boodschappen op de grond en komt de tuin in rennen. Ze laat zich naast Iris in het gras vallen. “Iris, Iris, meisje, wat is er met je!”
Iris staart met haar schele ogen in het niets. Ze hijgt. Er komt schuim uit haar mond.
“Wat is er gebeurd,” schreeuwt Marijke. Ze kijkt van Bregtje naar Vera en weer terug. In haar ogen staat paniek. “Wat hebben jullie gedaan!” Ze gaat steeds harder schreeuwen. “Wat hebben jullie ingodsnaam gedaan!”
“We hebben soep gekookt,” zegt Bregtje.
“Heksensoep,” vult Vera aan.
“Van gras,” zegt Bregtje. “En blaadjes.”
“Allemaal verschillende,” zegt Vera. “En een worm.”
“Welke blaadjes!” schreeuwt Marijke. Het lijkt of ze bijna gaat huilen.
“Allemaal verschillende,” zegt Vera weer. “En een worm.”
“Bregt, ga de dokter bellen, snel! Het nummer ligt naast de telefoon!”
Bregtje rent weg.
Vera blijft staan. Het is helemaal niet leuk meer. Ze kijkt naar Iris, in het gras. Haar gezicht is nu bijna paars geworden.
Marijke veegt met een zakdoek het schuim van haar mond en wangen, maar er komt steeds meer, meer en meer schuim, alsof ze zeep heeft gegeten.

dinsdag 26 mei 2009

Maybe I need a break


Gelukkig heb ik geen column, bedacht ik net. Zo’n column in een dagblad. Want dan had ik toch mooi een probleem gehad deze week.
Ik zit achter mijn macbookje en er komt niks.
Leeg.
Er gebeurt hier ook niks logwaardigs. Er valt zelfs niemand op zijn hoofd.


En dat terwijl ik nou juist wél de tijd heb om te loggen. (Omdat ik geen werk heb. Momenteel. Eventjes. Ik noem het heel stoer ‘between assignments’, maar eigenlijk ben ik wanhopig en wil ik uitroepen: Help! Huur mij in! Ik schrijf alles wat u maar wilt! Anything!)

Goed, waar was ik.
Oja.
Wat schrijft Aaf vandaag?
Zal ik ook mijn toevlucht nemen tot Adam en Patricia? Tot Jan en Yolanthe?
Het noodweer van vannacht? (Waar ik niks van heb gemerkt, omdat ik zoals altijd door elk geluid heen slaap, tenzij de bron zich in mijn slaapkamer bevindt.)
Moet ik een poging doen mijn licht te laten schijnen op de twee los van elkaar staande drama’s die gisteren in Zwijndrecht plaatsvonden? (Zwijndrecht! Is het gek dat er rare dingen gebeuren in een plaats met een naam die rechtstreeks van Harry Potter lijkt gejat?)

Eigenlijk is er maar één ding dat steeds in mijn hoofd blijft zeuren en eruit wil.
Het overviel me vanmorgen, toen ik met de kinderen naar buiten stapte, die vreemde vochtige warmte in.

Ik wil naar Egypte.

Een beetje droge woestijnlucht opsnuiven.
De piramides bekijken.
De sfinx swaffelen aaien.
En ja, zelfs op een kameel.

zondag 24 mei 2009

Je houdt ze niet heel

Het was wel weer eens tijd voor een gewoon logje, vond ik. Een logje over iets luchtigs. Over iets wat me was opgevallen of wat we hier hadden gedaan of meegemaakt.
Maar ik wist het even niet.
Moest het gaan over het tandartsbezoek van Bo en over hoe heldhaftig ze was?
Over de circusvoorsteling die we zagen?
Over Loïs' eerste zwembadavontuur?
Over de avondvierdaagse die morgen van start gaat en waaraan Bo en Merlijn meedoen? (Bo en Merlijn, ja. Ik niet. Wandelen, blegh.)
Ik kwam er nog niet helemaal uit. Het wilde zich allemaal niet lekker in een stukje tekst laten vangen.

Dus gelukkig maar dat Loïs vanmiddag heel hard voorover op de klinkers van ons plein viel en er een gigantisch ei op haar voorhoofd verscheen. Had ik toch nog iets om over te loggen.
Het arme kind.



Moet ik hier nu vermelden dat ik harder heb gehuild dan zijzelf? Omdat ik er ineens zo zat van was? Van dat ik de hele dag loop op te letten, haar voor allerlei gevaren probeer te behoeden; zorg dat ze niet door een openstaand traphekje glipt, dat haar vingertjes niet tussen de deur of in het stopcontact komen en dat ze zich niet verslikt in een stukje appel, en dat ze dan, in dat éne onbewaakte ogenblik, terwijl ze lief op de grond naast me zit te spelen en ik nét even de andere kant op kijk, BLEF! met haar gezicht op de stenen smakt? Bah.

Je houdt ze niet heel.
Dat weet ik al lang, sinds Bo toen ze twee was op een houten puzzel viel en daaraan een onderhuids litteken overhield, dat sindsdien en waarschijnlijk voor de rest van haar leven een - gelukkig alleraardigst- kuiltje in haar wang doet verschijnen als ze lacht.
Je houdt ze niet heel. Dus dan weet u dat vast. Voor als u nog aan kinderen gaat beginnen. Of voor als u ze al heeft maar nog denkt dat u ze ongeschonden door hun jeugd gaat loodsen. (Ha! Echt niet!)
Je houdt ze. niet. heel.

vrijdag 22 mei 2009

Ze was zo jarig

Zo veel cadeautjes,
zo veel mensen,
zo vaak hiephiephoera....









...dus vandaag uitgeteld:

woensdag 20 mei 2009

Een jaar geleden

Dinsdag 20 mei 2008

Lief kindje in mijn buik, lieve Loïs,

Morgen is onze grote dag, morgen ga ik je op de wereld zetten. Hoe ongelofelijk spannend is dat!
9 maanden heb je in mijn buik gezeten, ik heb je gevoeld onder mijn hart, ik heb door mijn huid heen je hoofdje en je rug geaaid, ik heb met je voetjes gespeeld....en morgen mag ik dan eindelijk naar je kijken, je in mijn armen houden.
Lijk je op je grote broer en zus, of ben je misschien heel anders? Het is gek: ik kan me nu geen voorstelling van je maken maar ik weet zeker dat ik je meteen zal herkennen.

Ik heb nog twee wensen. Ik wens dat je het laatste stukje van je reis goed doorstaat en ik wens dat je gezond bent.

Klein meisje, ik hou van je......tot morgen!




Dit schreef ik, precies een jaar geleden. Ménmén wat was ik zenuwachtig. Heel gek hoor, zo’n ingeleide bevalling: nog 6 nachtjes slapen, nog 5 nachtjes slapen, nog 4 nachtjes slapen...aftellen zoals ik niet meer had gedaan sinds de dagen voor mijn tiende verjaardag.

Na twee horror-bevallingen met het nodige scheur- knip- en trekwerk was mijn bekkenbodem niet meer echt om over naar huis te schrijven in hele goede staat. Daarom werd al vroeg in de derde zwangerschap besloten dat ik een keizersnee zou krijgen. En dat vond ik, zacht gezegd, een prima idee.
Maar u weet, misschien wel uit ervaring, hoogzwangere vrouwen zijn altijd een beetje eh.....vreemd. Of wat zei Henk ook al weer? Zo gek als een deur. Hoe dan ook, toen de gynaecoloog een week voor de geplande keizersnee-datum, na hernieuwde inspectie van bovengenoemde bekkenbodem, opperde dat ik – mits ik het zelf zag zitten – ook wel ‘gewoon’ mocht bevallen, riep ik: “Ja, dat doen we!”
Henk daarmee de schrik van zijn leven bezorgend. Want die zag zichzelf al helemaal relaxt in de O.K. staan, met een mondkapje en zo’n kekke blauwe badmuts.
Maar helaas. Deze vrouw. Ging. Voor de derde keer. Baren!
Ingeleid, dat wel. En gewoon op de datum die al vaststond voor de keizersnee, met 38 weken en 2 dagen.

En toen dus, die laatste dag. Ik wist echt niet hoe ik die door moest komen. Ik maakte nog wat foto’s van mijn buik, pakte drie keer opnieuw mijn koffer in, deed mijn best om niet kattig te doen tegen iedereen die me succes kwam wensen (want ik – sukkel – had natuurlijk de datum rondgebazuind) en ijsbeerde voornamelijk door het huis met mijn ziel onder de arm. ’s Avonds kon ik mijn gevoelens enigszins kanaliseren en schreef mijn, summiere, ‘brief aan ongeboren kind’.

De volgende ochtend – B-day – brachten we Bo en Merlijn naar de buren en reden naar het ziekenhuis. “Hallo,” giechelden we, op de afdeling aangekomen, “we hebben nog niet ontbeten.” Waarop de verloskundige zei: “Weet je wat, we breken eerst even de vliezen, dan brengen we jullie lekker wat boterhammen en koffie, en daarna doen we die truc met het infuus.”

Zo gebeurde. Vliezen breken (oeh, eng), ontbijten, infuus.
Kletsen, wachten, wee. Wee? Ieieieieieie!
En om 3 voor 12, na een 'modelbevalling', die vanaf het aanleggen van het infuus precies drie uur heeft geduurd, (natuurgeweld, oerkracht, etc.) kwam Loïs ter wereld.

Weet u wat ik doe, ik laat u mijn lievelingsfoto zien.





“Wat gek,” zei iemand, “je kijkt helemaal niet vertederd naar je kindje.”
Nee, hier net even niet, nee.
Maar ik weet nog precies wat ik voelde toen ik daar zo achterover lag, met het prachtige roze kind in mijn armen.
Ik voelde me geweldig. Onoverwinnelijk. Sterk. Trots. En ultiem gelukkig: al mijn wensen waren vervuld.

zondag 17 mei 2009

Rufus Wainwright



Hoe kan het dat ik deze man niet eerder heb ontdekt?
Tuurlijk, ik had zijn naam al wel eens gehoord, Rufus Wainwright, maar ik had u niet kunnen vertellen of het een acteur was, een journalist, een bankdirecteur of de singer-songwriter die hij is.

Ik zit al uren naar hem te kijken zijn liedjes te luisteren. En ik voel me net een bakvis. Want O.M.G.! Wat is hij mooi! Je reinste Brad Pitt-material. Wat zeg ik, met zo'n prachtige stem, béter dan Brad Pitt. En jonger bovendien. (Jaja, ook jonger dan ik, ja.)

Dus. Vergeet John Mayer, James Morrison, Lucky Fonz III (Henk, denk je dat ik dat moederdagcadeau nog mag ruilen?) en Damien Rice.....

Rufus. Wainwright.
Klik
Of klik voor zijn versie van halleluja, begeleid door beelden uit de prachtige film Brokeback Mountain.

Edit 18-05: Nou nou, wat een enthousiaste reacties. Okee, misschien ging ik ook wel wat ver. Ik neem alles terug over Brad Pitt. Maar 'baby'? 'Glimmend roze gezicht'? Kijk nou nog eens goed:



Niks te zien van dat roze gezicht op zo'n zwartwitfoto.

zaterdag 16 mei 2009

maandag 11 mei 2009

Kermis

We gingen in het reuzenrad. Iets dat ik normaal gesproken heel eng vind, maar nu niet, vanwege dichte cabines. Ik durfde zelfs Loïs mee te nemen, omdat ik niet bang hoefde te zijn dat ik haar naar beneden zou gooien.
Ze heeft overigens niets van het avontuur meegekregen, want ze sliep. In de rugdrager, voor de duur van de rit niet op de rug van Henk, maar op de bodem van het bakkie.



Verderop ziet u de – 60 meter hoge - zweefmolen, waar Bo en ik ook nog in zijn geweest. En ja, dát was wel heel eng. Maar gelukkig ook heel koud; de vraag waarom ik nou niet even een vestje had aangetrokken hield me zo bezig dat ik vergat in paniek te raken.

Jaja, de kermis. Ik hou er niet zo van, van de kermis.
Maar we hebben het maar weer gehad.
En de kinderen vinden het zo leuk, hè.

O, u had liever de ongekuiste versie?
Die waarin Merlijn bij een spelletjeskraam een nogal griezelige roze bal won, die hij helemaal niet leuk vond en daarom ging huilen en weigerde verder te lopen? En ik hem toen nogal hardhandig bij zijn schouder pakte, omdat ik inmiddels zo geïrriteerd was geraakt door die vreselijke kermisherrie , door die veel te dikke patat-etende mensen voor mijn voeten en doordat we zakken vol euro’s over de balk aan het smijten waren, dat het huilen mijzelf ook nader stond dan het lachen?
Wat een ramp, zeg.
Kermis brengt echt het slechtste in me naar boven.
Bah.
Gelukkig was Henk zo tegenwoordig van geest dat hij besloot dat we ijsjes gingen kopen, bij de ijssalon in het rustige straatje náást de kermis. Alwaar mijn ijsje gratis was, omdat er een moederdagactie was en ik de moeder.
Toen was ik weer blij en gingen we naar huis. Maar niet voordat ik nog even voor Bo en Merlijn allebei een knuffelbeest had gewonnen bij de grijpautomaten.

zondag 10 mei 2009

De score van moederdag (mijn achtste)

Dit is wat ik in mijn bed vond toen ik wakker werd:




Dit is wat er terecht kwam van de poging een moederdag-groepsfoto te maken:


met dank aan buurman Martin, voor de t-shirts


En dit is wat mij materieel ten deel viel:


- Lucky Fonz III van Henk en Loïs
- gedicht-in-hart van Merlijn
- dromenvanger van Bo
- presse-papier van Merlijn
- beautybox van Dr. Hauschka en Bo




(En dan te bedenken dat wij helemaal niet aan moederdag doen.)

donderdag 7 mei 2009

Vanishing twin

En toen las ik haar verhaal en dacht: gelukkig heb ik nooit zoiets meegemaakt.
Ik ben drie keer zwanger geweest en ik heb drie kinderen.
Miskraamverdriet, dat ken ik niet.

Hoewel.
Een heel klein ietsiepietsiebeetje, toch.

Toen mijn laatste zwangerschap 11 weken oud was, hadden we de eerste afspraak bij de verloskundige, met voorafgaand een echo. En dat is altijd weer spannend, zo’n eerste echo. Is er wel echt een kindje? Klopt het hartje? Zijn er geen rare dingen?
Het apparaatje werd op mijn buik gezet en vrijwel direct zagen we een op en neer springend minimensje.
Henk kneep in mijn hand.
Tranen van geluk.
Zo blij!
Dus toen de echoscopiste zei dat ze nog iets zag, namelijk een tweede vruchtzakje met een foetus die waarschijnlijk in week 8 was gestopt met groeien, nam ik dat gewoon voor kennisgeving aan. En concentreerde me op het vervolg van haar verhaal, over de mogelijkheid van bloedverlies in de komende weken.
Want het leek me nogal pathetisch om verdrietig te worden. Ik was gekomen met de hoop een levend kindje te zien op het beeldscherm, en ik zág een levend kindje! Daar paste toch slechts blijdschap!
Bovendien: als je iets verliest waarvan je niet eens wist dat je het had, wat betekent dat dan? Is dat wel verliezen? En mag dat pijn doen?
Ik besloot van niet.
Wij besloten van niet.

Bloedverlies trad niet op en bij de 20 weken echo was het tweede vruchtzakje niet meer te zien. Het was alsof het er nooit was geweest.
En ik dacht er nog maar zelden aan.

Tot mijn beste vriendin een paar maanden geleden vertelde dat ze zwanger was van een tweeling.
Toen voelde ik plotseling een steek. Een au!, out of the blue.
Waar kwam die ineens vandaan?
Er kwamen gedachten boven als: Eigenlijk had ik ook........ en Loïs was ook......
"Don’t go there," zei ik tegen mezelf. En ik speelde nogmaals het riedeltje af van 'pathetisch', en van 'als er geen echo was gemaakt hadden we het niet eens geweten', etc.
Maar dat hielp niet meer.
Het gevoel bleef zo'n beetje zeuren, onderhuids.

En toen las ik dus haar verhaal. En daarna dacht ik: misschien moet ik er gewoon één keer om huilen. Eén keer. Dat mag best.
Dus dat deed ik. Onder de douche. Ik huilde, met lange uithalen.
Om de tweeling die niet is.
En, van dankbaarheid, om Loïs, die wel is.

woensdag 6 mei 2009

De maatschappij Het homohuwelijk, dat ben jij!

Toen ik vanmorgen de supermarkt uitstapte kwam er een nogal verwilderd type op me af.
"Jij!" riep hij met schorre stem, zijn priemende vinger angstvallig dicht bij mijn gezicht. "Het homohuwelijk, dat ben jij!"
"Het homohuwelijk? Ben ik?" herhaalde ik enigszins verschrikt, me afvragend of hij dit eventueel als compliment bedoeld had kunnen hebben.
"Ja! Het homohuwelijk! Een wáárdeloos, wáárdelóós homohuwelijk!"
Ah, zo.
Nouja, er zijn ergere dingen om voor uitgemaakt te worden, nietwaar?