zaterdag 28 september 2013

In de war en een winkeltje genaamd Oompje

Ik ben een beetje in de war de laatste tijd.
Het is dat verdomde Facebook.
Ik zie en lees te veel.
Misschien heb ik gewoon heel leuke en interessante Facebookvrienden, maar er komen bij mij de hele dag de meest fantastische filmpjes, adembenemende foto’s, bijzonder grappige grapjes en huiveringwekkende nieuwsberichten voorbij.
Ik kan de hele dag wel blijven liken en delen. 

Maar ik ben in de war.
Want ik lees en zie te veel.
Vooral veel doemdenkerige artikelen en bangmakende documentaires de laatste tijd. Ik weet niet zo goed of er inderdaad nu opeens echt een heleboel rottigheid boven tafel komt, of dat ik gewoon in een doemdenkerige fase zit en daardoor onbewust juist dat soort berichten opzoek. (Zo weet ik ook nooit of ik nou een optimistische pessimist ben of een pessimistische optimist, maar dit terzijde.)

Zo was er bijvoorbeeld dit. Dankzij Tinkebell hebben we ineens een fosfaatprobleem.
(Het is een beetje gek, want ik was juist bezig een blog te schrijven over Tinkebell, waarin ik uiteindelijk concludeerde dat ze de nobelprijs voor de vrede zou moeten winnen. Maar dat ging nog over haar poezentas en de daarmee samenhangende haatmail en dat is dus ineens naar het tweede plan verschoven door de actualiteit.)
Tinkebell is ergens achter gekomen: het fosfaat raakt op, waardoor we geen kunstmest meer kunnen maken en we over 30 tot 100 jaar nog maar een kwart van de mensheid kunnen voeden. (Dat is het ff in een notendop, maar iedereen heeft het wel gezien, toch?)
Ze heeft zich laten steriliseren omdat dit volgens haar ‘de uiterste consequentie’ is van het probleem, zolang de politiek er geen toppriority van maakt.
En toen dacht ik: Fok. Ik heb gewoon drie kinderen. Drie! Drie fosfaatconsumerende entiteiten. En ik ontleen er nog een zekere trots aan ook. Ik heb wel even drie kinderen gebaard ja.
Maar what was I thinking! Sorry, Tinkebell.

Nja. In de war dus. (Want als we ons niet meer mogen voortplanten, wat zijn we dan nog voor rare mensen? (Behalve de laatsten?) Mensen zonder voorplanting zijn als voortplanting zonder mensen.)

En verder las ik dit. Die Joris Luyendijk zeg. Ik bleef vooral met het volgende beeld zitten: ‘...dan staan er binnen 36 uur tanks in de straten.’ 
Wat staat ons allemaal te wachten?
Het kon wel eens heel erg worden.
En dan zal het ons keihard om de oren slaan! Want in wezen geloven we natuurlijk allemaal niet dat het zo’n vaart zal lopen. (Een beetje zoals een roker gelooft dat hij er vast geen kanker van zal krijgen.)

En dan was er nog dit verhaal. Dat ik hardop aan mijn moeder voorlas. Vervolgens deed ik er nog een schepje bovenop door te zeggen dat toen zij tweeënveertig was, ze een luizenleven had. De economie floreerde, ze had een man met een goede baan waardoor zij niet hoefde te werken, er stonden twee auto’s voor de deur en ze had maar één kind. En dat ik dus wel even drie kinderen heb (sorry Tinkebell) en keihard moet buffelen om een bestaan te hebben.
Wat eigenlijk heel lullig van me was. Want buiten dat ik stiekem denk dat ik ploeterend en al een stuk gelukkiger ben dan mijn moeder destijds, heeft ze het momenteel financieel zwaar te verduren, door alles wat ze heeft moeten inleveren de laatste jaren. Ze komt nog maar nauwelijks rond en denkt er nu over haar autootje te verkopen. En mijn moeder zonder haar autootje is als … nouja, als Tinkebell zonder bril.

En toen kreeg ik ineens een ideetje. Want kijk, ze haakte/maakte een hoes voor mijn macbook. (Bezigheidstherapie verschaffen is een niet te onderschatten mantelzorgtaak.)
Fantastisch hè. Helemaal met schokwerend schuimrubber en gevoerd enzo.
Het betreft hier nog maar het protoype (want we weten het nog niet zo goed met de sluiting. Moet het wel met (houtjetouwtje)knopen? Of toch met een rits? Of een koord? Of iets anders?) maar het is veelbelovend, zeg nou zelf.

(Ja, er zitten vieze vingers op mijn laptop.)

Dus ik bedacht dat ik maar een winkeltje voor haar moet beginnen, op Etsy.com. Kan ze leuk bezig zijn én nog wat bijverdienen op haar drieëntachtigste. Het kon wel eens een ware hit worden. Oompje.

zondag 1 september 2013

BOar

Enige tijd geleden heb ik verteld dat Bo figureert in een kunstwerk dat werd geselecteerd voor de zomer-expo in het Haags Gemeentemuseum. Het werk hangt er inmiddels bijna drie maanden (de expositie is bijna afgelopen – u heeft nog twee weken) en wij waren er nog steeds niet geweest! Niet uit desinteresse, uiteraard, maar gewoon omdat Den Haag niet zo naast de deur ligt en onze agenda de vervelende neiging heeft stiekem dicht te slibben zonder dat we er erg in hebben.
Bij gerichte inventarisatie bleek de enige dag die nog in aanmerking kwam, de verjaardag van Henk. Hetgeen ineens, na een aanvankelijke lichte aarzeling, ongekende mogelijkheden bood! (Ik ben een fervent aanhanger van de logica: als je er niet bent, hoef je ook geen feestje te geven.)

We gingen met de trein. Dat doen we eigenlijk altijd, als we door Nederland reizen. Omdat we met korting kunnen, is de trein over het algemeen een stuk goedkoper dan ons benzine-slurpende sletje. Daarnaast – het is een raar gegeven – maakt zes uur in de trein zitten ons daadwerkelijk gelukkig. Ik weet niet precies waarom, misschien is het de afgedwongen quality-time, zonder computers, tv, en andere afleidende dingen. Of misschien is het omdat we, losgerukt uit ons dagelijkse decor, in een simpele setting van een treincoupé vol medereizigers, beseffen hoe leuk we eigenlijk zijn. Haha.
Hoe dan ook, ik hou het meest van 'ons', als we on the road zijn. Ik denk serieus dat wij met z’n vijven enorm geschikt zijn om te gaan backpacken door China. Maar nu dwaal ik af. (En zo ver ook, meteen!)

Den Haag.
Wat is Den Haag eigenlijk een mooie stad (achter de duinuh)! En zo groen! En wat grappig dat de trams de hele tijd door het gras rijden en dwars door het Scheveningse Bos!
En wat een waanzinnig gebouw is dat gemeentemuseum. Ontworpen door Berlage, opgetrokken uit gele baksteen, met zo’n typisch jaren ‘20 Amsterdamse-Schoolinterieur, met overal tegeltjes waardoor je de hele tijd denkt dat je in een zwembad bent.

En daar hing ie ineens: BOar. Indrukwekkender en groter en mooier dan we dachten (want we zagen hem hiervoor alleen nog maar op foto’s.) En we waren heel trots. Op Oscar en Sandra natuurlijk, maar ook op Bo.
Bo, die in eerste instantie nog wat reserves had gehad (‘Waarom hebben ze nou net die foto gekozen, waarop ik mijn ogen zo raar half dicht heb? - ‘Omdat in de kunst andere esthetische wetten gelden, Bo.’) vond het nu toch zelf ook wel heel leuk. En ze werd de hele tijd herkend, door andere bezoekers.

Na het museumbezoek namen we de bus naar het strand van Scheveningen, omdat we nog nooit in Scheveningen geweest waren en er nu zo dichtbij. Geweldig, wat een wanstaltige mix van vergane glorie en kermis. De McDonalds naast het Kurhaus, een failliete pier met een bungy-toren. Gamehallen naast veel te dure strandtenten. Allemaal heel erg vreselijk, maar toch leuk.