vrijdag 27 augustus 2010

Poehee:

Het leven is weer begonnen.
De kinderen zijn weer naar school en ik heb de afgelopen week de grootste moeite gehad met de simpelste dingen. Onthouden wie wanneer schoolzwemmen/gym/een verjaardagsfeestje heeft. Tassen inpakken ’s morgens: het klinkt idioot maar ik moest maandag echt even héél hard denken wat ik die kinderen ook alweer altijd mee naar school gaf? Echt, alsof ik uit een coma was ontwaakt en eigenlijk nog zou moeten revalideren.
Verder ben ik sinds gisteren weer back in business. En dat is, na 3 maanden werkloos te zijn geweest (of hoe heet dat als je een eigen bedrijf hebt maar gewoon niet wordt ingehuurd) ook weer even een omschakeling.
Ineens heb ik het dus druk.
En dat scheelt ook weer: geen tijd meer om over funda te struinen. Of te mijmeren over ons nieuwe huis. Dat, zoals Judith al even fijntjes opmerkte, is verkocht onder voorbehoud. En nee, Herma, niet aan ons. Nou lag dat ook niet echt in de lijn der verwachting, hoor. We deden namelijk geen bod, om maar iets te noemen. En dat waren we ook niet van plan, zolang ons eigen huis nog niet was verkocht. En ons huis staat niet eens te koop, moet u nagaan.
Maar het was toch even leuk fantaseren.


Oja.
Ik schrijf tegenwoordig een wijncolumn.
Ja, ik dacht je moet de niche opzoeken hè. De niesj.
Je specialiteiten combineren en uitbuiten.
Dus dat doe ik nu. Ik schrijf stukjes over wijn. En dat kan ik best hoor.
Ik moet alleen heel erg om mezelf lachen als ik het doe.

zondag 22 augustus 2010

Note to self: wij zijn stadsmensen

Zoals ieder jaar na de zomervakantie komen we tot de conclusie: alles moet anders. Verhuizen, emigreren, een bedrijf starten, gezinsuitbreiding, het is allemaal al eens aan bod gekomen. Sommige plannen zijn doorgezet, de meeste – de ingrijpende, die van het type ‘het roer om’ – niet. Want eigenlijk zijn we maar bange schijterds, natuurlijk.

Ook nu is het weer aan de hand. Ze is er weer, in alle hevigheid: de eind-augustuscrisis. Vluchtneiging. Dromen van een ander leven. Onrust, die zich ditmaal bleek te uiten in het avond aan avond door funda bladeren. En met de auto langs te koop staande huizen rijden.

En het is gebeurd hoor. We zijn verliefd.
Op een huis.
Op een fantástisch, totaal vrijstaand - temidden van een enorme tuin met tientallen bomen - geweldig lief (en groot) huis.
Met een totaal gedateerd interieur en loads of achterstallig onderhoud aan dak en kozijnen.
In the middle of fucking nowhere.

Zegt u nou zelf, is het geen sprookje?


(En had ik al gezegd dat de vraagprijs net anderhalve ton is gezakt? klik)

maandag 16 augustus 2010

Producten die in de handel zijn maar nooit door mij worden aangeschaft/ Producten die ik nooit aanschaf maar desondanks in de handel zijn



Kent u ze? Van die producten in de supermarkt waar je meewarig aan voorbij loopt, denkend: wie in de hemelsnaam koopt dat spul? Het ligt er niet zomaar, het zal eens verkocht worden. Maar aan wie?

Daar was ik een paar weken geleden zo’n beetje over aan het mijmeren onder de douche op de camping, die voor de verandering een behoorlijke straal gaf met nog redelijk warm water ook waardoor ik lekker lang bleef staan, de elke acht seconden beurser wordende plek op mijn rug voor lief nemend. (Zijn er mensen die zo’n knop gewoon met hun hand bedienen?)
Op het plankje aan de muur naast me stond een fles anti-roosshampoo. Nou moet ik eerst even vertellen dat ik - sinds op de eerste dag mijn veel te dure fles Goldwell ReSoft & Color Live Shampoo werd gejat (of meegenomen, hoe u het wilt noemen, maar wat ik dus niet vind kunnen hè; toiletartikelen meenemen uit het douchegebouw die per ongeluk door iemand zijn vergeten. Dat doe je niet. Die laat je staan, voor het waarschijnlijke geval dat iemand zijn vermissing bemerkt. Dat is een ongeschreven kampeerregel ) - mijzelf het recht had toegeëigend een klein beetje te gebruiken van elk willekeurig rondslingerend doucheproduct. Want meenemen, dat doe je niet, maar een klein beetje proberen, dat kan dan weer wel. Vond ik. Dus verwende ik me gedurende de vakantie met allerlei exotische douche-gels en waste mijn haar met de meest uiteenlopende shampooings.
Alsof ik een verzameling proefmonsters bij me had die geen bagageruimte innam.

Ditmaal stond ik, zoals ik al zei, te douchen naast een fles anti-roosshampoo. En anti-roosshampoo, mensen, dat is dus zo’n product dat ik nooit zou aanschaffen. Ik ben gezegend met een niet schilferende hoofdhuid, dus dat is eh..mijn eer te na, ofzoiets. Of misschien ben ik stiekem bang dat het net als met Ritalin ook andersom kan werken, dat je dr juist roos van krijgt, als je het niet had. Nouja. Zo koop ik dus ook nooit een pak Tena Lady, ook al schijnt het ideaal te zijn voor de eerste nacht van je menstruatie en zou ik waarschijnlijk ook geen Sperti kopen tegen de wallen onder mijn ogen, als ik geen aambeien had.

En zo begon het mijmeren. Over producten die ik bijvoorbeeld écht niet begrijp. Ik zeg: inlegkruisjes (die volgens mij overigens kruis-inlegjes zouden moeten heten, maar maybe that’s just me). Wie heeft die dingen bedacht? Wie wil dat ik buiten die paar verplichte dagen in de maand om, óók nog eens met papierrommel in mijn slipje ga rondlopen? En het milieu, mensen! Wie koopt die dingen? Mensen die maar drie onderbroeken hebben en niet zo vaak wassen? Mensen met overmatige afscheiding waarmee ze naar de dokter zouden moeten? Of ben ik eigenlijk gewoon een viespeuk?
Iets anders: thee met een smaakje. Sinaasappelthee, passievruchtthee, meloenthee: ik heb het nooit begrepen. Misschien ben ik een theepurist, maar ik denk dan altijd: óf men drinkt thee, óf men eet een appel.

Doperwten uit een pot of een blik koop ik niet omdat de kleur me niet aanstaat (doperwtjes horen mooi helder doperwtjesgroen te zijn, niet legergroen, ik begrijp niet dat er mensen zijn die dat niet zien) en wat ik nog meer niet koop vanwege de kleur is zilvervliesrijst.Hoewel het heus heel gezond is enzo.
Wat ik ook nooit koop is Oust luchtverfrisser (iets met zo’n smerige naam moet mijn huis opfrissen?), boterhamworst en het totaal onbegrijpelijke Marmite.

En u? Wat koopt u nooit?

zaterdag 14 augustus 2010

Must. Read.

Okee.
Dat boek dus.

Aan het lezen ervan ging nog wel een leuk verhaal vooraf.
De dag voordat we op vakantie gingen was ik nog even langs de boekenkast van mijn moeder ( 'de bibliotheek') gelopen en had lukraak wat titels in een tas gemikt.
Een paar dagen later zit ik op het terras van de camping met een van de vele leuke mensen die we hebben ontmoet te praten over films en literatuur, zegt hij op een bepaald moment: 'Een van de mooiste boeken die ik de laatste tijd heb gelezen is The History of Love, van Nicole Krauss.'
En toen ging er heel vaag een belletje rinkelen. Want had ik die niet toevallig - maar dan in de Nederlandse vertaling - bij me..?
Dat bleek inderdaad zo te zijn en ik begon, enthousiast gemaakt door mijn gesprekspartner, onmiddellijk te lezen.

Nou. Echt. Waanzinnig! Een prachtig verhaal, rondom een prachtig gegeven. En zo mooi geschreven! Meermalen lag ik zachtjes te snikken in de hangmat, van ontroering (om zowel verhaal als taal) en stiekem ook van jaloezie; om toch zó te kunnen schrijven! De drie verhaallijnen waaruit het boek bestaat komen op zo'n bijzondere manier bij elkaar, zonder ook maar ergens voorspelbaar te worden; het eind is zelfs uitermate verrassend.
De hoofdpersonen zal ik nooit meer vergeten, en dan met name de oude Leo Gursky en het meisje Alma. En hoezeer ik ook geneigd ben om nu hier het hele verhaal uit de doeken te doen, ik hou me in, want u gaat dit boek zelf nog lezen. Namelijk.
In plaats daarvan schrijf ik gewoon even een paar korte passages over, vanuit het perspectief van respectievelijk Gursky en Alma.

'Ik maak er werk van om gezien te worden. Als ik in de stad ben koop ik wel eens een sapje, ook al heb ik geen dorst. In drukke winkels ga ik zelfs zover dat ik mijn wisselgeld op de grond laat vallen, zodat de dubbeltjes en stuivers alle kanten op rollen. Ik laat me op mijn knieën zakken. Het kost me veel moeite om me op mijn knieën te laten zakken, en nog meer moeite om weer overeind te komen. En toch. Misschien zie ik er belachelijk uit. Ik ga bij de Sportschoenen naar binnen en vraag: Wat hebben jullie aan sportschoenen? De verkoper neemt me eens goed op en ziet de sukkel die ik ben en loodst me naar het enige paar Rockports dat ze hebben, iets in oogverblindend wit. Nee, zeg ik, die heb ik al, en dan loop ik naar de Reeboks en pak iets dat niet eens op een schoen lijkt, eerder een waterdichte halve laars, en vraag om maat drieënveertig. Het joch kijkt me nog eens aan, nu wat aandachtiger. Hij kijkt me heel lang en strak aan. Maat drieënveertig, zeg ik nog een keer terwijl ik de dikgeribbelde schoen tegen me aan druk. Hij schudt zijn hoofd en loopt naar achteren om ze te halen en wanneer hij terugkomt zit ik mijn sokken uit te trekken. Ik rol mijn broekspijpen op en kijk naar die afgeleefde dingen, mijn voeten, en er volgt een ongemakkelijke stilte tot duidelijk wordt dat ik wacht tot hij me in die laarsjes helpt. Kopen doe ik nooit iets. Ik wil alleen maar niet doodgaan op een dag dat ik door niemand gezien ben.'


'Op een dag stond mijn moeder op uit het bed waarin ze bijna een jaar had gelegen. Het leek alsof we haar voor het eerst niet meer door alle waterglazen zagen die ze rond haar bed had staan en die Vogel, als hij zich verveelde, soms aan het zingen probeerde te laten krijgen door met een natte vinger over de rand te strijken. Ze maakte macaroni met kaas, een van de weinige dingen die ze kan klaarmaken. We deden net alsof we nog nooit zoiets lekkers hadden gegeten. Op een middag nam ze me apart. 'Van nu af aan,' zei ze, 'ga ik je als volwassene behandelen.' Ik ben pas acht, wilde ik zeggen, maar ik zei het niet. Ze begon weer te werken. Ze zwierf door het huis in een met rode bloemen bedrukte kimono en overal waar ze kwam liet ze een spoor van verfrommelde vellen papier achter. Voordat papa overleed, was ze een stuk netter. Maar als je haar nu wilde vinden hoefde je alleen maar de bladzijden vol doorgestreepte woorden te volgen, en aan het eind van het spoor zat zij uit het raam te kijken, of in een glas water alsof er een vis in zat die alleen zij kon zien.'

Zucht.
Tegen het einde ging ik steeds langzamer lezen, om het maar te rekken. Bang voor het gat waarin ik zou vallen als ik de laatste bladzijde had omgeslagen.
Maar ja. Dat heb je met boeken; hoe langzaam je ook leest, op een bepaald moment zijn ze uit.
Dommage, cacahuete-fromage.

vrijdag 13 augustus 2010

Qu'est-ce que tu mange, chien?

De vakantie was een aaneenschakeling van bizarre, ontroerende en hilarische anekdotes, maar allemaal van het type je had er bij moeten zijn, dus ik ga dr niet aan beginnen.
Zo.
Door naar de foto's. (Overigens ook niet heel veel soeps; het was zo leuk dat we van de weeromstuit zo'n beetje vergaten om foto's te maken.)



*In de kano Anna-Maria, natuurlijk ook mee.


Ik kom binnenkort trouwens nog op de vakantie terug, want ik las een boek. En dat is op zich niet zo'n verheffend feit, want zoals zovelen lees ik op vakantie wel vaker een boek, of hele stapels zelfs, maar ik las deze vakantie een werkelijk práchtig boek. En daar ga ik u over vertellen. Maar nu niet. Nee, zeg. Ik moet nog vijftien wasmachines wegvouwen.


Oh. De titel? Nja, iets met Merlijn. En wagenziekte. En een vriendelijke Franse mevrouw met twee hondjes.
U had er bij moeten zijn.