zondag 27 oktober 2013

Meningen

Vroeger keek ik enorm op tegen mensen met een mening.
Ik hoopte dat als ik later groot was, ik ook een mening zou hebben.
Over politieke issues enzo.
Maar helaas, het valt nog steeds wat tegen. Ik blijf ambivalent met betrekking tot veel dingen. Zelfs als ik denk dat ik vol vuur ergens iets van vind, ben ik gemakkelijk op andere gedachten te brengen, met valide tegenargumenten.
‘Goh ja, daar zit ook wel weer wat in,’ denk ik dan.
(Ik zou echt een vreselijke rechter zijn.)

Zo voelde de afgelopen week de lichte druk om ook iets te zeggen over Zwarte Piet, maar ik wist dus niet zo goed wát. Want ik heb er eigenlijk niet echt een mening over.
Zo’n zwart knechtje in een glimmend pekske, met gouden ringen in zijn oren, het is op z’n minst dubieus. Waarom zouden we dat nou per se willen, als het blijkbaar een grote groep mensen kwetst?
Aan de andere kant, kan ik me de verontwaardiging van Sinterklaasliefhebbers (voor wie hun geliefde feest over het algemeen niets met discriminatie te maken heeft) ook wel weer voorstellen; waar bemoeien ze zich mee, daar bij die VN, laat ons gewoon ons fijne kinderfeest vieren met alle tradities die er bij horen, we doen toch niets fout?

Tsja. Eigenlijk moet ik eerlijk zeggen dat er iets was, dat voor mij persoonlijk de hele discussie over het al dan niet ethisch verantwoord zijn van Zwarte Piet, oversteeg.
Het kwam doordat ik las dat Verene Shepherd voorstelde dat Nederland maar beter helemaal kan stoppen met het Sinterklaasfeest.
Ik knapte bijna uit mijn vel van extase!
Dit was iets dat ik dusdanig voor onmogelijk hield, dat ik er zelfs nog nooit over nagedacht had!
Het Sinterklaasfeest kan áfgeschaft worden!?
HET SINTERKLAASFEEST KAN ÁFGESCHAFT WORDEN!

Het was een onverwacht kijkje in de hemel: nooit meer die nepheilige op die boot, nooit meer pepernoten (bah), nooit meer debiele leugens vertellen aan mijn kinderen, nooit meer die stomme liedjes zingen, met teksten die in het beste geval hopeloos ouderwets zijn en in het slechtste geval ronduit aanmatigend (want al ben ik zwart als roet, ik meen het wel goed – I rest my case).
De grote winterhindernis die december heet, leek ineens een stuk minder hoog.
Eventjes dan, want al snel volgde de teleurstelling; het gaat natuurlijk niet gebeuren.
Alleen al 2 miljoen pietitie-tekenaars zullen tot het bittere eind doorgaan met hun geliefde Sinterklaasfeest. Underground, desnoods.
(Ik zie het ook niet helemaal voor me eigenlijk, hoe dat dan precies gaat, met zo’n 'afgeschaft' feest. Wordt het dan strafbaar om je te verkleden met een baard en een tabberd en een mijter? Haha: zitten rond 5 december alle cellen vol met Sinten en Pieten. Laat je paardje maar buiten staan.)

Nee, we zijn er heus nog niet af, van die Sint.
Maar toch: de discussie heeft mij persoonlijk de schellen van de ogen doen vallen.
Ze heeft blootgelegd: Sinterklaas is een keuze.
We hoeven niet.
Die gedachte alleen al vind ik heel bevrijdend.

Ik zal eens even de mening van de kinderen polsen.

zaterdag 26 oktober 2013

Schakelen: van moving naar moving on



Ik zal het maar vast verklappen, dit is een verhaal zonder happy end.
Ik noem het: 'We kochten ons droomhuis en toen ging het niet door.'

Het ging zo:
We waren alweer zo’n beetje vergeten dat ons huis te koop stond, tot we drie weken geleden ineens weer kijkers kregen. Serieuze kijkers, die na een tweede bezichtiging volgens de makelaar wel eens een serieus bod konden gaan doen.
Reden voor ons om maniakaal door funda te gaan bladeren. In eerste instantie zonder veel succes, tot we door vrienden werden gewezen op een huis dat op de een of ander reden aan onze aandacht was ontsnapt.
En ja hoor.
Straalverliefd.
Een huis uit 1880, met een prachtige tuin en krakende trappen en een kelder en een zolder en gekke hoekjes en schuine daken en balken en authentieke elementen en glas in lood en nouja, alles wat we zochten dus.
Alleen een beetje klein.
Als in: een stuk kleiner dan het huis waarin we nu wonen.
Als in: bijna de helft kleiner. (Waar ik misschien even bij moet zeggen dat we nu in een best wel belachelijk groot huis wonen. Maar dan nog.)

Omdat er een heleboel geïnteresseerden waren en er al biedingen boven de vraagprijs lagen, moesten we, om mee te dingen, de volgende dag voor 12 uur een bod hebben gedaan.
De préssie, mensen. Na een halve nacht samen op de bank hebben zitten schuiven met mogelijkheden en meubelstukken, besloten we: het is klein, maar groot genoeg. Als we de helft van onze spullen wegdoen.

Dus we deden een bod, onder voorbehoud dat we inderdaad, zoals in de verwachting lag, ons huis zouden verkopen. Ons bod bleek het hoogste en werd geaccepteerd.
En toen hadden we ineens een huis gekocht! Soort van.
Ik was inmiddels wildenthousiast. De helft van onze meubels en spullen wegdoen! 
Hoe hip! Hoe duurzaam!
Downsizing, minimalisme!
En ik dacht aan mijn zusje, dat met haar gezin in een schoolbus woont op Hawaï.
Ik sloeg meteen helemaal door: ik zou er een boek over gaan schrijven! Over waarom een gezin (met vijf veel ruimte innemende ego’s) in een veel kleiner (maar veel liever) huis gaat wonen.
Met leuke tekeningetjes en foto’s, en hilarische verhalen over hoe dat dan allemaal gaat en hoe gelukkig we daar dan zijn enzo.
Ik had de cover al ontworpen.

Maar ja.

Toen ging het dus niet door.
Want vanmiddag om een uur of vier hoorden we dat de kopers van ons huis onverwacht de financiering niet rond krijgen.

Haha.
Dag droomhuis.
Dag boek.




woensdag 9 oktober 2013

The magic potion is starting to wear off

Ik zal het maar opbiechten, ik was nooit de vrolijkste mensch op aarde.
(Wel altijd lollig, want ik heb gelukkig humor; zij het dan weer niet van de lichtste soort.)
Mijn beeld van de mensheid is nogal pessimistisch. Ik kan daar allerlei redenen voor verzinnen, maar laten we het maar houden op mijn karakter.

Over kinderen krijgen had ik nooit serieus nagedacht. Niet dat ik ze perse niet wilde, maar ik zag het gewoon niet echt als iets voor mij. En daarnaast vroeg ik me ook wel eens af of het eigenlijk wel een goed idee was, om kinderen op deze 'verdorven wereld' te zetten.
Maar op een bepaald moment, vlak voor mijn dertigste verjaardag, was ik plotseling en onverwacht zwanger.
En alles veranderde.
Alles.
Met name mijn wereldbeeld; ik zag ineens alles zonnig.
Lelijke wereld? Nee, man, práchtig! Die baby in mijn buik maakte alles mooi.
Mijn gedachten veranderden van: Is het nog wel verantwoord om een kind op deze aarde te zetten? in: Voortplanten, dat is nou eenmaal wat de mens doet. (Iets dat zo natuurlijk voelde, dat moest wel goed zijn!) En bovendien, dacht ik: als alle intelligent-over-de -wereld-nadenkende mensen besluiten om geen of minder kinderen te baren, en de minder intelligent- over-de-wereld-nadenkende mensen blijven gewoon lekker aanfokken, dan leidt dat ook maar tot een vreemde wereldverhouding. (Ik stel dat niet zo politiek correct geloof ik, maar u begrijpt vast wat ik bedoel.)

Maar ik werd dus gelukkig. We kregen een kind, dat het mooiste kind van de wereld was.
En vrij snel daarna kregen we nog een kind. Ook weer het mooiste van de wereld. En vijf jaar later nóg een, om het geluksgevoel nog wat te prolongeren.
(Even een zijsprongetje: Ik las pas ergens dat uit onderzoek was gebleken dat het eerste kind het gelukkigst maakt. Dat werd gebracht als opzienbarend, maar mij lijkt het nogal logisch: Je eerste kind brengt je dubbel geluk: Je bent gelukkig met het kind, maar je bent ook gelukkig omdat je moeder bent geworden. Of vader. Bij een volgend kind bén je al vader of moeder, dus krijg je alleen het kind-geluk erbij. Duh.)

Goed, ik was dus gelukkig. Drie fantastische gezonde kinderen: alle reden, nietwaar?
Maar er is iets aan de hand de laatste tijd.
The magic potion is starting to wear off. 
De roze wolk waar ik tien jaar op heb gezeten, begint te verwaaien.
Langzaam begint mijn pessimistische kijk op de wereld zich weer een weg te banen door de roze mist.
En juist omdát ik kinderen heb, is ie heftiger dan tevoren. (Ik heb hier volgens mij een paradox te pakken, waar ik nog even een goede naam voor moet verzinnen.)
Ik heb last van dingen. Ik zie en lees overal narigheid en onheilstijdingen. Er maakt zich een doemdenkerigheid van me meester. Ik word weer cynischer.
En ik ben steeds boos op de politiek.
Zoals vandaag weer, over die stomme toestand met Rusland (die ik maar ten dele snap, omdat ik er natuurlijk geen verstand van heb, zoals van zoveel).
Wat ik ervan heb begrepen heb, is dat er een of andere Russische diplomaat is in Nederland, die teveel wodka drinkt en zijn kinderen slaat. Iemand die dit niet meer kon aanzien vertelde het aan de politie, die vervolgens de Rus in de boeien sloeg.
Maar ho! Dat mocht niet! Neenee! Deze meneer was onschendbaar!
Onschendbaar, dat betekent dat je hem niets mag maken. Hij staat hier boven de wet, zogezegd. Hij woont in een wereld waar je ongestraft je kinderen mag mishandelen; zo is dat geregeld in het verdrag van Wenen. (Really: het verdrag van huilen?)
Poetin was boos, omdat onze agentjes met hun handjes aan zijn onschendbare diplomaat hadden gezeten. En Nederland, Nederland heeft excuses gemaakt. Want dat moest natuurlijk, want ja: dat verdrag. ‘Sorry, hoor! Sorry meneer Poetin!’

Pff.

Ik vraag me ineens af of ik dit eigelijk wel mag opschrijven..?
Nja, ze komen maar hoor, met hun polonium.
Ik ben onschendbaar.

dinsdag 1 oktober 2013

NFF (en NNF)

Afgelopen zaterdag waren we op het NFF in Utrecht. Het Nederlands Film Festival. (Niet te verwarren met het NNF, het Natural Networking Festival, waar we dan weer drie weken geleden waren. En waar ik helemaal niet over verteld heb hier, terwijl het toch héél bijzonder was.)

Maar we waren dus in Utrecht, in het Louis Hartlooper Complex, waar de film Heroin in première ging, met een ieniemienie-bijrolletje voor Loïs.
Toen ongeveer op een kwart van de film de betreffende scène was geweest fluisterde Henk in mijn oor: ‘Nou, ga je mee, we kunnen weer gaan.’ Haha. Dat was natuurlijk kolder, want het was een nogal indrukwekkende film, zo indrukwekkend dat toen hij was afgelopen we ons kindsterretje alweer zo'n beetje vergeten waren. De film beschrijft een dag uit het leven van een verslaafde dakloze (of een dakloze verslaafde, dat weet ik nooit zo goed). Hij duurt nog geen anderhalf uur, maar ik was doodmoe op het eind. (Jézus wat een dag.)


Gelukkig hadden we de foto’s nog.