zondag 20 mei 2018

Schipbreuk



Het schip was gezonken, maar ik zat er nog in. Ik was meegenomen naar de bodem en daar leefde ik verder, in een luchtbel in het wrak. Met de kinderen.
Na de eerste paniek – natuurlijk – bleek het eigenlijk prima toeven in die luchtbel. We hadden zuurstof en genoeg te eten en drinken. En er was ook gewoon school en werk. En Netflix.

Ik wist heus wel dat we daar niet konden blijven. Ik wist heus wel ik dapper moest zijn, een grote hap lucht nemen, de luchtbel doorprikken en gáán. Zwemmen! Naar boven, naar het oppervlak. Ik zou het vast halen. Ik was sterk.


Maar voorlopig bleef ik nog even zitten. Eerst nog wat meer moed verzamelen. Zouden de kinderen het ook redden? Waren die sterk genoeg voor de stap in het diepe? We konden beter eerst een goed plan bedenken. Niet roekeloos paniekzwemmen, dat was dom. We hadden geen haast tenslotte; de lucht was nog lang niet op. En misschien gebeurde er wel snel een wonder! Iets dat alles opnieuw zou veranderen. Daar konden we maar beter even op wachten, zolang er toch nog geen goed plan was.


Alles went; ook het leven in een luchtbel. Langzaam begon ik te vergeten dat ik door miljoenen liters water gescheiden was van het echte leven. ‘Er moet iets gebeuren’ sluimerde nog slechts, als een licht oorsuizen dat je het meest van de tijd kan negeren. Soms laaide het even op, maar steeds sporadischer en minder fel.


Inmiddels zijn we twee jaar verder en ik zit nog steeds in de luchtbel. De zuurstof begint af te nemen, ik voel het; ik ben doodmoe. Het leven in de luchtbel is slopend.

Er is nog steeds geen plan.

Er is geen wonder gebeurd.

Er is geen hulp gekomen: er verschenen geen duikers met extra persluchtflessen en een drukcabine tegen de caissonziekte.


Ik had het fout.
Verraden en verlaten worden maakt je helemaal niet sterk, zoals ik dacht.
Het verzwakt en vernedert je en het slaat het fundament onder je voeten weg. 
Dat moet je blijkbaar eerst doorhebben. Pas daarna kun je gaan zwemmen.


woensdag 29 november 2017

Babylongen


Ik weet dat je blowt – ‘smoken’  noemen jij en je vrienden het. En ik weet dat je bier drinkt, af en toe. En rookt, achter de school. Je mag dat allemaal niet van mij. En van de wet ook niet. Nog lang niet. Je bent nog niet eens zestien! Het is gevaarlijk. Ik hoop in de godsnaam dat ik je nooit bewusteloos op de eerste hulp zal aantreffen. En het is zo slecht voor je. Zo ongezond. Mijn maag draait om als ik denk aan die vieze rook en chemicaliën in je mooie babylongen. (Ja, jij weet dat misschien niet, maar gisteren was je nog een baby.)


Ik was zelf ook vijftien toen ik begon met experimenteren. Of nou ja, het overkwam me; ineens was het er, alles tegelijk: alcohol, roken, seks. En ik wou het allemaal.
Een jaar eerder al was ik begonnen met het stelen van sigaretten uit het pakje van de schoonmaakster. Als ze aan het stofzuigen was. Iedere week één. Die rookte ik dan stiekem ‘s avonds, uit mijn raam. Caballero zonder filter. Ik voelde me goed, als ik dat deed. Groot, stoer, onafhankelijk. Ook al werd ik kotsmisselijk. Maar ik had zo’n drang naar….naar álles, naar het leven, naar vrijheid, naar nieuwe dingen, naar wat er allemaal kon.


Waarom zou dat bij jou anders zijn?

(Het is best gek, hoe je er als ouder voor het gemak vanuit gaat dat je kinderen ‘beter’ zullen zijn dan je zelf was. Verstandiger. En gelukkiger. Daar heb je tenslotte alles aan gedaan; je hebt ze opgevoed en alles gegeven; de béste normen en waarden, en bakken vol liefde en aandacht. Maar dat is natuurlijk een nogal ijdele gedachte: want hadden onze ouders dat niet ook gedaan – en gedacht?)


Natuurlijk ga jij de grenzen opzoeken. 
Ik snap het.
Het is logisch. (En dan heb ik het nog niet eens over genetische aanleg. En over het slechte voorbeeld dat ik ongetwijfeld heb gegeven door in jouw bijzijn wijn te drinken – teveel soms, op feestjes – en te roken – hoewel dat laatste gelukkig al lang niet meer.)


Maar toch vind ik het stom. En eng. En wil ik het niet. Mijn maag draait om als ik denk aan die vieze rook en chemicaliën in je mooie babylongen. (Ja, jij weet dat misschien niet, maar gisteren was je nog een baby.)




donderdag 2 november 2017

Warme dekens


Ik moest een blauw operatieschort aantrekken, met knoopjes op de rug, en strakke witte kousen, helemaal tot mijn liezen. Daarna werd ik met bed en al naar de operatieafdeling gereden. Het was er koud. Logisch; bij lagere temperaturen verspreiden bacteriën zich minder snel en het personeel blijft lekker alert. Denk ik. Maar ik wist het eigenlijk niet. Dat het er zó koud zou zijn.
Er waren nog drie bedden in de ruimte, met mensen die ook voorbereid werden op een operatie. Ik probeerde me voor hen te interesseren, maar het ging niet: ik was teveel met mezelf bezig.

Iemand probeerde een infuus in mijn linkerhand te prikken. Het deed pijn. Ik keek de andere kant op. Het duurde lang. ‘Lukt het?’ vroeg ik, met mijn hoofd nog steeds gedraaid. ‘Nee. De naald wil niet opschuiven. Ze moeten het straks op de OK maar doen.’
Het prikken hield op. Ik keek naar mijn hand, uit een gaatje liep een straaltje bloed. Ik kreeg een watje, dat ik er stevig op moest drukken.
Het begint al goed, dacht ik.
Ik lag inmiddels te rillen van de kou. Iemand kwam een deken over me heen leggen. Een voorverwarmde deken, alsof hij uit de oven kwam.
‘Lekker hè, die hebben we hier, warme dekens.’
De omgeving leek plotseling een stuk minder vijandig. Ik voelde me zo getroost door de warmte, dat ik bijna vergat dat alles nog moest beginnen.



Ineens was ik aan de beurt. Opnieuw werd mijn bed door een gang gereden, tot ik in een ruimte kwam waar twaalf ogen mij verwelkomden. Ik herkende de ogen van de chirurg.
‘Hoi,’ zei ik.
‘Hoi,’ zei hij.
Hij vertelde nog even wat hij ging doen – zodat daar geen misverstanden over konden bestaan – en toen kreeg ik een ruggenprik.
Vrijwillig en bij je volle verstand je onderlijf verlamd laten maken is best raar. (Dat hele ziekenhuisgedoe is één grote les in loslaten; je lichaam is even niet van jou, maar van hún. Er wordt in gesneden en voortdurend in geprikt, er wordt bloed uit gehaald en vloeistof in gespoten, er worden slangen in gepropt en er weer uit getrokken… je kijkt ernaar en je ondergaat het allemaal, alsof je je auto naar de garage brengt voor een reparatie en er zelf in moet blijven zitten. Althans, zo probeerde ik het maar te zien.)

Ik moest op de rand van de operatietafel komen zitten en voorover leunen, in de armen van een operatieassistent met de liefste ogen die ik ooit zag. Ze stelde zich voor en ik was van plan haar naam te onthouden, maar dat is mislukt.
Het deed geen pijn. Er gingen alleen een paar griezelige elektrische schokken door mijn linkerbeen. ‘Het lijkt of ik onder stroom sta,’ piepte ik.
Ja, dat kwam vaker voor.
Toen voelde ik mijn benen warm en raar worden. Ik werd neergelegd en door vier mensen een eindje naar beneden verplaatst. En weer omhoog, want te ver – en weer naar beneden, want weer te ver. Ik moest erom lachen.
Vlak voor ik mijn lenzen uitdeed en het slaapmiddel toegediend kreeg  – zodat ik er maar niets van mee zou krijgen – vroeg de chirurg me nog iets, waaruit ik opmaakte dat hij mijn tweet van de avond tevoren had gelezen.
?
In die verwarring viel ik in slaap. 








Daar ben ik weer, geloof ik.
O nee, niet.
O ja, toch wel.
Een stem, die zegt dat de operatie is geslaagd.
Dat is fijn.

Hee, waar was ik?
Waar ben ik nu?
Er loopt iemand om mijn bed. Een kleine donkere vrouw. Ze praat tegen me. 
Heb ik pijn? Ik weet het niet. Ja, ja ik heb pijn. Heel erg zelfs! Cijfer? Negen! Negenenhalf!
Ik snap niet zo goed wat de pijn is, het zit helemaal onderin mijn buik, maar weet ik veel, ik slaap nog, laat me slapen. Ik heb het zo koud. 
Ik krijg weer zo’n deken. En nog een. En nog een. Ik lig onder drie warme dekens uit de deken-oven.
Je krijgt morfine, zegt de vrouw. Ik kan haar niet goed zien; ik heb geen lenzen in – en -10.  Ik merk dat ze iets op mijn infuus in mijn rechterhand klikt. Meteen daarna voelt het alsof er een olifant op mijn borstkas gaat zitten en mijn rechterarm begint ZO ERG TE JEUKEN! Ik gil en steek mijn arm omhoog, die onmiddellijk knalrode strepen vertoont, die zelfs ik kan zien.



Allergisch voor morfine.
Haha.
Dat heb ik weer.
Het was het enige waarop ik me nog een beetje had 'verheugd' - bezien in het licht van de totale paniek omtrent de hele operatie.
Nouja.
Het kwam weer goed. Ik kreeg een andere pijnstiller in mijn infuus en viel weer in slaap.


Een paar uur later werd ik teruggereden naar de verpleegafdeling, waar ik die ochtend was begonnen. Kijk, daar stond mijn tas en daar was mijn telefoon en daar waren mijn vriendinnen met bloemen, en mijn kinderen, ik was euforisch: het was achter de rug! Het was doodeng geweest, maar goed gegaan, ik was een held, yeah!

Nadat iedereen weer weg was en ik had gegeten, sloeg ik, nog steeds nogal hyper, mijn laptop open met het plan om te twitteren over hoe zielig ik was en over hoe áángerand je je voelt de hele tijd, in zo’n ziekenhuis, met al die naalden en slangen.


En toen las ik dat Anne Faber was gevonden.


En was het allemaal ineens weer relatief.
Zó aangerand was ik nou ook weer niet.
En ik leefde nog, bovendien.


zondag 24 september 2017

Hulpvraag: Ik wil zo graag mijn naam


Ik ben natuurlijk niet zomaar weer gaan bloggen hè. Ik heb u nodig. Zo moet ik binnenkort een operatie ondergaan (waar ik meer over ga vertellen, als ik heb bedacht hoe) en heb ik de weken daarna vast mensen nodig om tegenaan te klagen. 
En dan is er ook nog de volgende case, waar ik maar niet uitkom. 

Ik waarschuw wel: het is een tamelijk langdradig (en al eens eerder verteld) verhaal, met veel (rare) namen, waarbij ik onontkoombaar mijn hele achtergrond te grabbel gooi, bovendien is het nogal een non-issue, op de schaal van wereldvrede en milieu, en al helemaal als je denkt dat de het einde der tijden is aangebroken.

Dus alleen als u er zin in heeft.



Ik werd geboren en kreeg de achternaam Gortzak.
Dat was niet perse de leukste naam om mee op te groeien. In Amsterdam was ik er misschien nog enigszins mee weggekomen; daar wonen er meer – maar in Norg, het dorpje in Drenthe waar we halverwege de jaren 1970 naartoe verhuisden, zag men er de humor niet van in. Of juist wel, bedoel ik dan.

Ik sloeg me er dapper doorheen: Je moet toch érgens mee gepest worden, nietwaar, en dan misschien nog beter met je achternaam dan met je flaporen.

Maar toen ik op mijn vijfentwintigste leerde dat mijn naamgever, Dick Gortzak, niet mijn werkelijke vader was – iets wat ik al heel lang vermoedde en stiekem hoopte (we hadden geen beste band) – was ik er helemaal zat van. No more Gortzak for me.

Bovengenoemde openbaring vond toevallig plaats op de dag voor mijn bruiloft, zodat ik stante pede kon beslissen om de naam van mijn echtgenoot aan te nemen. Enigszins traditioneel, en niet heel feministisch, maar wel functioneel.

Vanaf toen heette ik Yvon Mekkring. Ik was er content mee: ik kon ermee door het leven, waar men nu eenmaal een achternaam dient te hebben.


Maar nu, het zal weinigen ontgaan zijn: mijn huwelijk is op de klippen.
Henk en ik zijn uit elkaar.
En nu wil ik dus geen Mekkring meer heten.

Maar…. ik kan ook niet terug naar Gortzak! Want dat is al met al zo'n pijnlijke geschiedenis geworden!


Dus wat nu?

Mijn zusje – halfzusje – zei: ‘Neem gewoon de naam Hazeleger!’ Dat vond ik echt reuze lief. Maar het lijkt me ook een beetje brutaal; ik heb mijn echte vader tenslotte nooit zélf kunnen vragen of hij een het goed idee vond dat ik zijn naam zou dragen. (Hij was al overleden voor het geheim uitkwam.)

Een véél beter plan, en administratief ook een stuk simpeler leek me, zou zijn als ik de naam van mijn moeder zou nemen. Mijn moeder (die al veertien jaar weduwe is en inmiddels weer haar meisjesnaam voert) wil dat namelijk dolgraag. En ik ook: het is een mooie naam, bovendien vind ik mijn moeder lief en was haar vader, Willem van Apeldoorn,  de allerleukste en grappigste opa van de wereld.

Nou, geregeld, zou je denken.

Maar nee dus.

Want het kan niet.

(Dat weet ik sinds ik me er een paar jaar geleden al in verdiepte, toen de namenkwestie ook even speelde, zij het zonder de urgentie van nu.)

Het mag niet.
Je mag als je ouder bent dan achttien niet de naam van de andere ouder aannemen. Ook al heb je er nog zo’n goed verhaal bij. En betaal je keurig 835 euro administratiekosten.



Nouja, er is één klein ieniemieniemogelijkheidje.

De C-route.
De route van de 'psychische hinder'.
Maar langs die route vind je overal waarschuwingsborden: Dit is een zeer moeilijke weg! Ga terug! Het is geen gemakkelijke procedure! En hadden we al gezegd dat een dergelijk verzoek bijna nooit wordt ingewilligd?


De C-route houdt in dat je een ‘onafhankelijke BIG-geregistreerde psycholoog’ laat verklaren dat je psychische hinder ondervindt van je achternaam. En dan moet je vervolgens hopen dat iemand bereid is om op basis van die verklaring de procedure in gang te zetten.
Leuke bijkomstigheid: De administratiekosten à 835 euro die je vooraf moet betalen, krijg je niet terug als het verzoek wordt afgewezen.


En dat weerhoudt me dus een beetje van actie. Want hoe moet ik die waarschuwingen interpreteren? ('Dit is geen gemakkelijke procedure!')

Zou het genoeg zijn, wanneer ik de onafhankelijke BIG-geregistreerde psycholoog vertel dat ik het psychisch hinderlijk vind dat ik officieel te boek sta met namen die schrijnen; een van mijn vader die mijn vader niet was, de ander van een man die mijn man niet meer is? Dat ik telkens een beetje misselijk word wanneer ik een formulier moet invullen? En als ik post krijg van instanties?
Of moet ik de onafhankelijke BIG-geregistreerde psycholoog op de mouw proberen te spelden dat ik mijn polsen doorsnij als de naam in mijn paspoort niet wordt veranderd? Of moet ik een luguber incestverhaal verzinnen? Is dat pas een argument waarvoor men zwicht? 
('Hadden we al gezegd dat een dergelijk verzoek bijna nooit wordt ingewilligd?')


Ik vind het zo flauw allemaal dit!
En dus schuif ik de boel maar zo’n beetje voor me uit.


In het dagelijks leven noem ik mezelf al geruime tijd van Apeldoorn. Niet alleen op social media en in mijn werk, maar ook gewoon, aan de telefoon enzo. (‘Hallo u spreekt met Yvon van Apeldoorn. Ja, nee, dat klopt. In uw systeem sta ik onder een andere naam. Ja, ik begrijp dat dit verwarrend is.’)  Het lukt allemaal wel, maar het is reuze onhandig. En het voelt de hele tijd alsof ik de kluit belazer.


Dus. 
  
Is er misschien iemand die (iemand kent die) me kan helpen? Meedenken? Adviseren? Een advocaat? Of een onafhankelijke BIG-geregistreerde psycholoog, die vaker met dit bijltje heeft gehakt? Of iemand bij Justis, die het ook stom vindt na het lezen van dit verhaal en die het gewoon even voor me gaat regelen
Want ik wil zo graag mijn naam. 



    (Uit: Heel klein mannetje - Sybren Polet)


zaterdag 16 september 2017

Ik ging op vakantie en nam mee


Ik ging op vakantie en nam mee: mijn drie kinderen.
Ik zou dat iedereen kunnen aanraden; mijn kinderen meenemen op vakantie, als dat niet een beetje raar was en bovendien logistiek lastig en misschien ook wel wat ontwrichtend voor ons gezinsleven.
(U snapt vast dat ik iets probeer te zeggen in de trant van 'die gasten, die kun je er wel bij hebben,' maar dan leuker. Lukt niet helemaal. Beetje roestig. Krijg je ervan.)


Was ik daags voor de reis nog wat zenuwachtig (had ik niet beter gewoon een weekje naar Vlieland kunnen gaan? Of lekker veilig ergens in een all-inclusive vakantieoord? Waarom moest ik nou weer zo nodig met rugzakken op door Portugal?), dat was natuurlijk nergens voor nodig. Want het werd uiteraard geenszins griezelig, of spannend. (Je moet dat ‘vrouw alleen op vakantie met drie kinderen’ ook in perspectief zien: twee van die kinderen torenen inmiddels ruimschoots boven mij uit.)
Wel werd het verrékte leuk. Verrassend plezierig ook, merkte ik, om in zo’n vakantiesetting de enige volwassene te zijn; kun je zelf een beetje inhoud geven aan dat concept. Haha.
Maar nee, serieus: het was heerlijk.

Op een dag, ergens op tweederde van de vakantie, was er zelfs een Moment van Groot Geluk.
We liepen langs een groot leeg strand, in de brandende hitte, balancerend op het randje van een zonnesteek, we raapten schelpen op, namen af en toe een duik in zee…. en ineens was het er. Ik dacht nog even; wat krijgen we nou? (Ik heb dat niet zo vaak, namelijk.) Maar toen begreep ik het. Ik voelde kippenvel over mijn hele lichaam, mijn hart leek ineens te groot voor mijn borstkas; ik barste bijna uit elkaar. Van geluk.



En het werd nog beter.
Want ik sloeg natuurlijk onmiddellijk door – groot geluk moet geuit worden nietwaar, in een poging het tastbaar te maken, om het te kunnen vasthouden – en jubelde lyrisch: ‘Als ik ooit doodga hè, dan moeten jullie vertellen, op mijn begrafenis, dat ik hier dus het állergelukkigst van werd. Van zwerven langs een groot leeg strand, in de brandende hitte, op het randje van een zonnesteek, schelpen oprapen…af en toe een duik in zee…’

'Ja da's goed,' zei Bo. 'Maar dan vertel ik dit er ook bij, hè. Dat we dat van jou moesten zeggen.'


Ze was me overduidelijk aan het bashen, met een grijns die leek toe te voegen: '.. want dan zeg ik tenminste écht iets over je,' maar ik vond het zo… lief! En slim! En grappig! En.. alles! Ik werd er zo mogelijk nog gelukkiger van.

Ze kent me.

Dat is het wel, denk ik: gekend worden door je kinderen.



maandag 10 april 2017

Stel, je komt te laat


Stel, je komt te laat. Op school. Of bij een vergadering. Of je koorrepetitie.
Ze zijn al begonnen.

Je hebt dan de keuze. Ofwel je doet voorzichtig de deur op een kier, sluipt naar binnen en gaat stilletjes op een lege plek zitten. Fluistert eventueel wat excuses, mocht dat nodig zijn.
Ofwel, je zwaait ferm de deur open en biedt met opgeheven hoofd en luide stem je verontschuldigingen aan en vertelt in geuren en kleuren waarom je te laat was; de brug stond open, de wekker was stuk, je band was lek.

Er is voor beide wat te zeggen.


Ik weet het niet zo goed, nu.
Ik sta voor de deur.
Zal ik naar binnen sneaken, net doen alsof er niets gebeurd is, en gewoon weer eens een stukje schrijven? Over de dingetjes van het leven? Of knal ik de deur open en vertel ik met veel misbaar WAAR IK IN DE GODSNAAM HEB UITGEHANGEN AL DIE TIJD!?

Wat betreft dat laatste kan ik in elk geval zeggen: I’ve been to many places. (En dat zeg ik in het Engels, omdat daar meer overdrachtelijk drama in doorklinkt.)



Het was wel raar.
Ik schreef ineens niet meer.
Eerst omdat het niet kon. Alles wat ik meemaakte was  ….. te écht om zomaar op te schrijven, voor het oog van de wereld. En voor minder beladen onderwerpen was geen ruimte.

Ik schreef niet meer.
En op een bepaald moment begon het lekker te voelen.
Ik wilde zó graag – ik wist dat ik moest gaan schrijven om weer gelukkig te kunnen worden – maar ik deed het lekker niet. Wat een macht! Ha!

En toen ik die bullshit zo’n beetje voorbij was, en besloten had dat ik het gewoon weer ging dóén, bleek dat ik het niet meer kon. Het ging niet. Ik wist niet meer hoe het moest. 
Dat eerste woord.

(Als het niet enigszins onethisch was om relatief onschuldige gekkigheden met ernstige ziektes te vergelijken, dan zou je het 'schrijfanorexia' kunnen noemen.)


Maar hee. Kijk dan!
Letters!

Ik kom er wel weer bovenop.
Hapje voor hapje.

zaterdag 10 december 2016

Keukenkastjesgate


Soms heb ik het idee dat ik vaker dan de gemiddelde mens in rare situaties verzeild raak.
Wat nu weer, dacht ik, toen ik eergisteren deze e-mail in mijn inbox aantrof:





Of eigenlijk dacht ik: what the fuck is dit nou weer voor gefokkingouwehoer, want ik was ziek en daar nogal chagrijnig van.
Ik moest de email een paar keer lezen om te snappen wat er stond. Voor zover mogelijk.


Best mw Mekkering.
Dat had eigenlijk Mekkring moeten zijn.
Of eigenlijk Van Apeldoorn tegenwoordig, maar dat kon de afzender natuurlijk niet weten, dus dat nam ik haar maar niet kwalijk. Net als de schrijffouten.

Maar dan:

Wij hebben ineens keukenkastjes van u in onze garage staan (dit is geen grap).

Dat is een zin die vele vragen oproept.
Ineens in onze garage. Ineens in onze garage? Dat is gek! Keukenkastjes verschijnen doorgaans niet zomaar plotseling in iemands garage. Of waar dan ook.

Keukenkastjes van u. Keukenkastjes van mij? Hoezo keukenkastjes van mij? Mijn keukenkastjes staan gewoon in mijn keuken. Last time I checked. En we hebben dan wel onze keuken onlangs verbouwd, maar de keukenkastjes hergebruikt, dus geen oude bij het grofvuil gezet. 

Dit is geen grap. 
Echt niet? 
Meestal als ik een email krijg waarin staat ‘dit is geen grap’ dan is het wél een grap.
U bent het enige levende familielid van de zojuist overleden rijke man in Australië. Klik om de link om uw miljoenenerfenis te ontvangen. Dit is geen grap!
Maar in dit geval geloofde ik het toch maar. Want je verzint het niet, hè?


Bij de volgende zin begon de verwarring toe te slaan.

Uw naam en dat (?) van ‘u kinderen’ staan erop….

Huh? Keukenkastjes met mijn naam erop? En de namen van mijn kinderen? Oh daarom denkt ze dat ze van ons zijn? Ze is natuurlijk de namen gaan googlen en kwam op mijn blog terecht, waar ze mijn emailadres vond, aha. Maar waarom staan onze namen op keukenkastjes? Op keukenkastjes die ineens in een garage in Haren zijn verschijnseld? Heb ik koorts? Wie schrijft zijn naam op zijn keukenkastjes? Wie schrijft onze namen op keukenkastjes? Wij zelf dan toch zeker? Maar waarom kan ik me dat dan niet herinneren? *Kortsluiting*.

….en nog allerlei andere teksten.

En nog allerlei andere teksten? Wat voor andere teksten? Ik las het alsof de afzender er grote aanhalingstekens bij stond te maken, in de lucht, met haar vingers. ‘En nog eh… “allerlei ándere teksten.”’ Hmm.


Zou u zo vriendelijk willen zijn ze weer op te halen?
Oh, hahaa! Ze denkt dat ik het was, die mijn keukenkastjes met mijn naam erop en de namen van mijn kinderen, in haar garage heb gezet. Op klaarlichte dag. (Want ik dacht natuurlijk: mijn naam staat erop, dus dan krijg ik ze vanzelf wel weer terug. Of zoiets?)



Sorry, antwoordde ik. Dit zegt me even helemaal niets. Wat een gek verhaal. Kun je me misschien een foto sturen? Misschien dat me dan een licht op gaat.


De kinderen vonden het intussen allemaal reuze spannend. Die lieten er inmiddels hele complottheorieën op los. 


De volgende dag kreeg ik de volgende e-mail:




Ja, nee, wacht, ho, stop!
Nu wil ik het weten ook!
Hallo, eerst moet ik zo vriendelijk zijn om ze op te komen halen, en nu mag ik ‘mijn’ kastjes niet eens meer zien? Mijn naam staat erop! En ‘dat van mijn kinderen'!

Dus ik schreef een allervriendelijkst mailtje, waarin ik aangaf dat ik het toch wel ENORM ZOU WAARDEREN als ze alvorens de kastjes in de kachel te gooien toch nog even een foto kon maken, omdat ik de dingen nou eenmaal graag verklaard zie.
(Ik hoopte ergens nog steeds (en vreesde tegelijkertijd) dat ik bij het zien van een plaatje zou denken: Ooojjaaa! Díé keukenkastjes! Met onze namen erop! En allerlei andere teksten! Natuurlijk!)
Ook al zou het dan nog steeds een raadsel zijn waarom de kastjes ineens in iemands garage waren neergezet. Maar ja.


Vandaag kwam dan gelukkig toch de verlossende foto:





Viel dat even tegen.
Ik herkende niets!
Het kastje niet, het handschrift niet, de teksten niet.
Nouja, ik herkende de namen van Bo en Lois. Maar dat is dan ook alles.


Mijn naam staat er niet eens bij! (Haha, of ja: mama.) En die van Merlijn ook niet. Dus het zijn gewoon kastjes van een ander gezin, die toevallig ook kinderen hebben die Bo en Lois heten.

Het blijft een raar verhaal, maar wij hebben er niets mee te maken. Beter. Hoewel het ook best een beetje spannender had mogen aflopen, dat ben ik met u eens.



Her-inner het hart.
Daarmee wil ik dan maar afsluiten.