maandag 22 augustus 2016

Stuk




Ik blogde voor het laatst op 17 juni: de dag voor ik 45 werd.
Nog een dag eerder was mijn leven ingestort, maar ik was nog in de ontkenning. Dus ik schreef maar gewoon een stukje, over de publieke waan van de dag.
Het was de laatste stuiptrekking, voorlopig.

Want mijn leven was ingestort, en al snel was daar geen ontkennen meer aan.


Mijn man, mijn echtgenoot, de vader van mijn kinderen, was vertrokken.
Weggegaan en niet teruggekomen.

(Het verwarrende was dat hij intussen op zijn beurt beweerde dat ik hem het huis uit had gezet. Wat me geen goed teken leek; als je het daarover al niet eens bent, dan kon het nog wel eens een zware dobber worden.)


Nou moet ik toegeven dat ik inderdaad de woorden ‘ik wil je niet meer zien’ had uitgesproken, maar dat leek me eerlijk gezegd geen reden waarom hij de volgende dag niet op de stoep zou kunnen staan met een bos rozen en excuses. De woorden ‘ik wil je niet meer zien,’ zegt men doorgaans niet zomaar, immers.

Maar hij kwam dus niet terug.

En ik begreep niet waarom.


Het werd een volkomen idiote maand; de laatste maand voor de vakantie. Met laatste proefwerkweken en eindshows en kampeerfeestjes van de kinderen, werk-deadlines van mij en oja: de verbouwing van de keuken was nog steeds aan de gang. Het huis was een totale chaos, de auto was kapot en er kwamen ook nog zonnepanelen op het dak en ik moest alles alleen doen.

Want mijn man was weg.


Het ene moment was ik boos, het andere moment verdrietig, en tussendoor vooral in de war. En terwijl ik er dus zelf niets van begreep, moest ik het wel voor de kinderen allemaal een beetje snapbaar maken.
Ik keek af en toe met verbazing naar mezelf. Omdat ik totaal in de kreukels lag, maar het allemaal tóch nog een soort van lukte. Met elke dag gezonde maaltijden en brood in huis en schone was aan de lijn en iedereen op tijd op de goede plek met de goede spullen. De mens is een wonderlijke machine.



En toen ging ik voor het eerst in mijn leven als alleenstaande ouder op zomervakantie. Met drie kinderen naar Vlieland.
Ik zag er van tevoren een beetje tegenop, maar het kwam helemaal goed.
Beter dan goed. Vlieland is een lief eiland. En ik heb nógal leuke kinderen.
En wat ook meehielp was het prachtige weer, de volle maan, en de komst van mijn zusje uit Hawaii met haar dochtertje.


Het lukte warempel om de voorafgaande maand zo’n beetje van me af te schudden.
Ik kon weer ademen, op dat eiland.
De paniek verdween.
Het is wat het is, dacht ik.
We zien het verder allemaal wel.





Inmiddels is alles duidelijk.
Ik weet met terugwerkende kracht waarmee ik aan het dealen was.

Om een lang verhaal kort te maken:
We zijn stuk.
En ik denk niet dat we nog gerepareerd kunnen worden.

We zijn stuk.
Het gezin is stuk.
En dat is zo, zo verdrietig.





Een paar dagen geleden, toen ik de Lidl uit kwam, zat er een witte duif op mijn fiets. Soms fladdert de symboliek je letterlijk om de oren.
Nou denk ik niet echt dat het iets te betekenen had, hoor. Maar als het toch iets betekende, dan vast dat de tijd van ruziemaken voorbij is. 
Dat is ook wat waard.




vrijdag 17 juni 2016

Ik ben bijna jarig en had wat nachtelijke gedachten over dat filmpje van Denk


Morgen ben ik jarig.
Een goed moment om even de balans op te maken.
Er is heel wat gebeurd de afgelopen vijf jaar, die ik voor het gemak maar even de periode 40-45 noem. (..)

Zo ben ik bijvoorbeeld vijftien jaar ouder geworden.
Reken maar mee: toen ik 40 werd was gewoon nog 28. Maar nu ik 45 word, ben ik toch echt wel  …tsja, 43 ofzo. Van binnen. (En ook van buiten; dat weet ik omdat toen ik zei dat ik 40 werd mensen nog massaal in katzwijm vielen, en als ik nu zeg dat ik 45 word men gewoon een soort van ‘oja’ knikt.)
Zo gaan die dingen.
Je doet er niets aan.
En het is oké.
Maar toch, vijftien jaar ouder worden in vijf jaar tijd gaat je niet in de koude kleren zitten. Wat ik ineens een ontzettend rare uitdrukking vind (koude kleren?), maar omdat ik nu geen heb zin om te googlen, laat ik het er maar bij.  Oh wacht, ik ging tóch googlen –  it’s stronger than me – en weet het nu: Volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek wordt met de koude kleren de bovenkleding bedoeld. 'Als iets wist door te dringen door je koude kleren, drong het daarmee ook door tot je ondergoed.'

Aha.
Nou dat dus.


Wat overigens wel fijn is in dit kader is dat ik de trend meeheb. Ik surf als het ware op zo’n groene golf (u weet wel, dat hebben sommige steden: als je een groen stoplicht treft en je houdt een bepaalde snelheid aan, dan is het volgende stoplicht weer groen, en het volgende ook, etc.)
Want toen ik dertig werd, was dertig ineens het nieuwe twintig. En toen ik veertig werd, was net bekend dat veertig het nieuwe dertig was! Echt! En nu, vlak voor mijn verjaardag – het kán gewoon geen toeval zijn – bereikte mij het nieuws dat bóven de veertig het nieuwe sexy is!





Ik bedoel: wow: je zou bijna denken dat mijn generatie actief iets met deze berichtgeving van doen heeft!
Oh.
Dat is waarschijnlijk ook zo.

Maar ja: berichten die ons goed uitkomen, nemen we nou eenmaal graag ter harte.

En hiermee wil ik eigenlijk even een duit in het zakje doen van de ‘dont trust the media’-dinges, aangewakkerd door het filmpje van de nieuwe politieke partij Denk.
(Niet gezien? Klik)

Een moeilijk filmpje hoor, pff!
Ik vind het serieus heel akelig wat er met Sylvana Simons gebeurd is de laatste tijd, en ik geloof ook echt dat er racisme in de samenleving is die bestreden moet worden, maar oef... dit!

Ik bedoel, het is zo… dommig. Ergens.

Moeten we ons niet eerst wat dieper afvragen wat de media eigenlijk nog ís, vandaag de dag? Is de rol van de media, de waarde en betekenis, niet enorm veranderd, sinds het internet er is? 
Waren de media vroeger misschien nog  – zoals we dat graag zien althans – opniemakers en opinieveranderaars, maar zijn het tegenwoordig niet vooral opinievoeders?

‘Berichten die ons goed uitkomen, nemen we nou eenmaal graag ter harte.’

We kunnen tegenwoordig zoveel verschillende nieuwsberichten lezen (en reacties daarop en meningen daarover), dat het heel makkelijk is om precies die berichten en meningen eruit te pikken die ons goed uitkomen, die ons sterken in onze opvattingen. We lezen wat we willen lezen.

En de scheiding – zoals die blijkbaar in veel hoofden nog leeft – tussen de media (de zenders), en het volk (de ontvangers) die bestaat nauwelijks meer! Oftewel: die is in rap tempo aan het vervagen. Door de social media zijn wij zelf de media geworden. Op z'n minst een verlengstuk; als we al niet persoonlijk nieuws en opinie leveren (blogs, facebook, etc), dan verspreiden we het wel; we bepalen de waarde van het nieuws, door bepaalde berichten meer te delen dan andere berichten.
Wij zijn de media, en we drijven alles op de spits.

Naast nógal tenenkrommend is het filmpje vooral totaal nietszeggend. Vier mensen op een kruk die met hun vingertje waarschuwen dat de media niet objectief zijn.
Nee. Duh!
En dus?
Wat nu?

'Trap er niet in!'
Nee.
Maar waar precies niet in? En waar moeten we wel intrappen?

Nja.
Ik ga slapen.
Laat maar weten, of ik iets zinnigs heb gezegd.



zaterdag 14 mei 2016

Ook zo'n zin in vanavond!!??


Ik werd afgelopen dinsdagavond, tijdens de halve finale van het Eurovisie Songfestival, herinnerd aan een ongelofelijk gênante situatie met Douwe Bob. Maar daar durf ik natuurlijk niet over te schrijven.
De dag na het voorval werd deze foto gemaakt. (Niet door mij dus; ik kon hem immers nooit meer onder ogen komen.)






Waar ik de afgelopen weken eigenlijk wel over wilde schrijven was over Ebru Umar.
Ebruutje. (Met de nadruk op bruutje. Haha. Hm.)
Maar dat gebeurde ook niet.
Waarschijnlijk omdat ik onbewust dacht: voor ik het weet heb ik het weer met haar aan de stok. Want dat gaat heel makkelijk, heb ik gemerkt. Ik bedoel: je vindt openbaar op Twitter een grapje van haar niet leuk (waarom eigenlijk, vraag je je achteraf af – noem het een weak moment), retweet vervolgens verbouwereerd een nógal onaardige reply en vergeet haar daarbij te mentionen (ja weet ik veel, ik twitter ook maar af en toe bij wijze van hobby) en hoppa: je wordt beticht van NSB-gedrag. Letterlijk.

Een en ander had overigens tot gevolg dat de column waarin ze onlangs de Nederturken feliciteerde met hun NSB-gedrag, toch wat minder sterk op me overkwam. Want dacht ik tot voor kort bij NSB-gedrag nog aan landverraad en heulen met de vijand en medeplichtigheid aan genocide enzo, inmiddels weet ik dat Ebru Umar dan gewoon bedoelt dat je een beetje flauw doet.

Gelukkig is haar landarrest inmiddels afgelopen. Gelukkig, omdat het natuurlijk schandalig is dat mensen worden vastgehouden om het uiten van hun mening – ook als een mening voornamelijk uit opruiende bagger bestaat. En ook gelukkig, omdat ik er er nu niets meer mee hoef. "Een Ebru in Nederland is omgekeerd evenredig interessant aan een Ebru waarvan we niet precies wisten waneer ze terug zou komen," schrijven de betrouwbare mannetjes vandaag in de Volkskrant. En zo is het maar net. (Ook al heb ik het citaat hier dan een beetje uit z'n verband getrokken.)




Maar hee! Wat is hij goed hè!! Ook zo’n zin in vanavond!!??







dinsdag 19 april 2016

Keuken

Er blogt niet zoveel hier, merk ik.
Is jammer, op zich.
Er gebeurt namelijk wel een heleboel.
Waarschijnlijk teveel.
Dat het daarvan komt.


Ik laat maar even wat plaatjes van onze keuken zien. Of althans: van wat eens een keuken was en wat ooit weer een keuken gaat worden. Is het plan.









En dit is de gang. Daar aan het eind zat de deur naar de oude keuken. Nu is het een wat griezelige blinde muur. Daar moet iets mee: een spiegel? Een schildering?



Willem met de waterpomptang lacht nog. Dus alles komt goed. Heb je een klus te doen in de buurt van Groningen? Bel hem: 0642127009. Hij houdt heel erg van stucadoren. Stucen. Stuken. 

Zo wordt het. Echt. 

En zo. Hoewel de vloer natuurlijk niet echt zo hysterisch kunstgrasgroen wordt. 




woensdag 23 maart 2016

GeenStijl is de mol

En toen lag hij ineens op de mat: de stempas. Voor het eerste raadgevend referendum op woensdag 6 april.
We mogen stemmen!
We mogen ja of nee zeggen tegen het Associatieverdrag met Oekraïne.


Het begon allemaal ruim een half jaar geleden.
Op 1 juli 2015 werd er een wet aangenomen, die het eenieder in Nederland mogelijk maakt om een referendum aan te vragen over aangenomen wetten en verdragen.

De mensen van GeenStijl dachten: Hee, dat is leuk, dat gaan we doen! En ze begonnen onder de naam GeenPeil een campagne om 300.000 handtekeningen – het benodigde aantal om een referendum te kunnen aanvragen – te bemachtigen.

In mijn (werk)omgeving werd hierop met bijzonder veel enthousiasme gereageerd. Want dit was revolutionair! Niet perse inhoudelijk, daar ging het destijds eigenlijk nog niet zo om, maar de manier waarop: de handtekeningen konden, door gebruik te maken van nieuwe technologie, digitaal worden verzameld. Dat was ongelofelijk goed nieuws voor de democratie! GeenPeil toonde aan dat volksraadpleging vele malen makkelijker en goedkoper kan dan werd gedacht!


Ik deed mijn best om mee te gaan in het enthousiasme (Goed nieuws voor de democratie, jeej!) maar het lukte niet helemaal.
Want eigenlijk dacht ik: Huh? Waarom moet ik ineens iets goed vinden van GeenStijl? Ik vind GeenStijl namelijk over het algemeen vrij vervelend. Los van of ik het met hun inhoud eens ben (meestal niet), ben ik redelijk 'wars' van hun retoriek en tone of voice. (Ze zijn gewoon niet lief. En ik hou nou eenmaal van lief.)


Ik bleef het verder ook wat ingewikkeld vinden. Ik dacht: we hébben toch een democratie? (For what it’s worth, misschien, maar toch.) We hebben een stelsel waarin we onze vertegenwoordigers kiezen, die dan vervolgens, namens ons, de beslissingen nemen. We vertrouwen erop, als het goed is, dat zij er verstand van hebben en weten wat ze doen. 
Zou het nou wel handig zijn als ze ons dan om de haverklap gaan vragen wat we vinden van elke nieuwe aangenomen wet? Helpt dat?

Aan de andere kant, tsja, misschien zou ik het af en toe inderdaad tóch wel fijn vinden, als ze mij eens rechtstreeks naar mijn mening zouden vragen. Over of ik vind dat er meer geld naar zorg en onderwijs zou moeten, bijvoorbeeld. Of over hoe ik aankijk tegen het basisinkomen.


Hoe dan ook, GeenPeil heeft het voor ons geregeld. Het is gelukt: ruim 400.000 handtekeningen zijn digitaal gezet, het referendum moest worden georganiseerd.
We mogen onze mening geven!
Over het Associatieverdrag met Oekraïne.

Wow: thanks!
We mogen ineens écht meepraten!
Over…..het Associatieverdrag met Oekraïne.

Nou weet ik niet hoe het met u zit, maar ik had daar eerlijk gezegd niet heel sterke gevoelens over. Ik bedoel, het was niet zo dat ik ’s nachts wakker lag en dacht: verdorie, ik wou dat iemand me nou eens zou vragen wat ik er nou eigenlijk van vond, van dat Associatieverdrag met Oekraïne.
Ik dacht eerlijk gezegd sowieso niet zoveel na over Oekraïne – behalve dan toen dat vliegtuig er was neergeschoten. Maar verder gingen er hele dagen voorbij dat ik niet aan Oekraïne dacht. En ik durf zomaar te denken dat dit geldt voor heel veel mensen die onlangs de stempas in hun brievenbus hebben gevonden.

Ik snap het niet. Waarom denken ze dat wij – ‘het klootjesvolk’ – kunnen inschatten of zo’n verdrag slim is of niet?

Ik zal heus niet beweren dat er geen mensen zijn die het verdrag volledig begrijpen en de consequenties ervan kunnen overzien en dus vol overtuiging ja of nee kunnen stemmen. 
Maar ik durf wél te beweren dat dat er niet heel erg veel zijn.


Ik heb me er enigszins in verdiept, en ik snap er nog steeds bar weinig van.

Wat ik ervan heb begrepen is dit:

Dit associatieverdrag is een soort handelsverdrag, maar dan met een beetje meer.
Voorstanders van dit verdrag (o.a. het kabinet en Victoria Koblenko) zeggen dat het goed is voor de Nederlandse economie, maar ook voor de mensen in de Oekraïne, die aan de invloed van Poetin willen ontsnappen. En dat het goed is voor de mensenrechten, omdat de EU dan kan optreden bij conflicten. En dat het heus niet betekent dat Oekraïne dan vervolgens lid gaat worden van de EU.
Tegenstanders (GeenStijl, PVV, SP, Thierry Baudet) zeggen dat het heus wél betekent dat het een eerste stap is naar toetreding van de EU, dat het een gevaarlijk door oorlog geteisterd instabiel land is waar we niet mee in zee moeten, en dat er een heleboel (criminele) Oekraïeners naar de EU zullen komen omdat ze geen visum meer nodig hebben, en dat de Nederlandse markt bedolven zal worden onder de plofkippen en dat Monsanto meer voet aan de grond krijgt. Bovendien willen we geen problemen met Poetin, die onze nauwe band met Oekraïne niet zo leuk zal vinden.


Maar, denk ik dan: dat kunnen jullie nou allemaal wel zeggen, maar hoe weet ik wat waar is? Hoe weet ik wat er echt zal gebeuren? Dat kan ik toch allemaal helemaal niet overzien, met mijn beperkte kennis? Misschien dat ik er meer van zou begrijpen als ik het hele 329 (ofzo) pagina’s tellende verdrag zou lezen, maar dan nóg vraag ik me af of dat genoeg informatie oplevert om zinvolle conclusies te kunnen trekken. Ik heb er toch helemaal geen verstand van? Weet ik veel! Ik heb verstand van d’s en t’s. En van hoe je lasagne maakt met spinazie.

Het is, als je het mij vraagt, nogal debiel om het volk hierover een oordeel te laten vellen. Het vereist veel te veel voorkennis.


En waar hébben we het eigenlijk helemaal over? Het is een raadgevend referendum, met een opkomstdrempel van 30 procent. (Waardoor het in theorie kan gebeuren dat een ja-stem bijdraagt aan een nee-uitkomst, maar dit terzijde.)
Als de drempel niet gehaald wordt mag de overheid het advies naast zich neerleggen.
Als de drempel wél wordt gehaald, moet de overheid verplicht het advies oppakken en goed bekijken……en mag het dan alsnog naast zich neerleggen. Het is tenslotte maar een advies.



Hier is wat ik stiekem denk: het is een ongelofelijke mol-actie.
GeenStijl heeft gewoon onder het toeziend oog van iedereen ontzettend zitten mollen. En 25 (pardon, 40!) miljoen uit de pot gespeeld.



vrijdag 18 maart 2016

Het zwarte monster en de tweekoppige draak


Ik las wat oude blogs van mezelf terug en ik schrok een beetje; ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ik vroeger leuker was. Grappiger, in elk geval. Luchtiger.
Ik had oog voor gekke, kleine dingetjes. Daar schreef ik geinige stukjes over en dat vonden de mensen dan leuk.


Maar ik zie ze niet meer, de gekke kleine dingetjes. Of ik zie ze nog wel, maar heb vervolgens geen zin om erover te schrijven. Want jee: moet ik dan gaan vertellen dat ik vandaag werd betrapt op het per ongeluk stelen van twee pakjes biologische roomboter bij de Lidl? 
Terwijl de wéreld in brand staat?

Want zo voel ik me, eerlijk gezegd, en gedraag ik me, vandaag de dag. Alsof de wereld in brand staat.

En dat is gek. (*kijkt door het raam naar buiten en ziet geen bommen vallen, geen rook, geen huilende mensen – slechts lief spelende kindjes in de tuin, in de vroege lentezon.*)


Het komt door Facebook en Twitter. Het komt doordat ik de stomme kop van Trump honderdduizend keer per dag voorbij zie schuiven. Het komt doordat ik voortdurend aangrijpende beelden zie van mensen in nood, ergens in de wereld. Doordat ik de godganse dag meningen lees. Stomme meningen, domme meningen, racistische, griezelige, enge meningen, waar ik me boos over maak en bang van word.

Doordat ik me veelvuldig op Internet en de social media begeef, sta ik continu met een been in de vrede en met een been in de oorlog.
En dan heb ik het dus zowel over de letterlijke oorlog – beelden van Syrië, bombardementen, onthoofdingen, vluchtelingenleed – als over de oorlog die woedt op de social media zelf. (Ik zeg het maar zo: als tweets wapens waren, dan was er in cyberspace een bloederiger slagveld dan waar ook op aarde.)

De derde wereldoorlog is begonnen, op Internet. Ik heb dat jaren geleden al eens gezegd, ook al wist ik toen nog niet zo goed wat ik bedoelde.
Maar het is echt waar. En we doen er allemaal aan mee. Iedere uiting die je publiekelijk online doet, draagt in meer of mindere mate bij aan het op de spits drijven van….nouja, van álles.

Ik zie het Internet als een groot, zwart monster, dat alle nuance opslokt, en in een razend tempo de mensheid maakt tot een tweekoppige draak die zichzelf naar het leven staat.

Rechts tegen links. Trump tegen Bernie. Bezorgde burgers tegen ‘Gutmenschen’. 
Het kán niet goed gaan. 

En het houdt me danig bezig.



Maar soms ben ik ineens bang dat het hier op een dag ook echt oorlog wordt en dat ik dan zal denken: waarom heb ik niet gewoon wat meer genoten van de rust, van de vrede, toen het nog kon? (Zoals je naar vroegere foto’s van jezelf kunt kijken en denken: waarom was ik destijds niet wat blijer met mezelf!? Ik was zoveel mooier en jonger dan nu!)

Ik weet heus wel wat me te doen staat.
Ik weet alleen niet zo goed hoe het moet.
Het monster heeft me in zijn greep.


Ik kijk naar buiten en ik zie geen vallende bommen, geen rook, geen huilende mensen – alleen spelende kindjes in de tuin, in de vroege lentezon. 

Focus, Novy. Focus.


zondag 28 februari 2016

Home Swiet Home



Een tijdje geleden kreeg ik de vraag of ik wilde meewerken aan een initiatief om vluchtelingen die in Groningen in de noodopvang zitten een gezicht te geven; opdat Groningers hun 'nieuwe buren' een beetje kunnen leren kennen.

Ik zei onmiddellijk ja. Ten eerste omdat ik nieuwsgierig ben en dingen altijd graag met eigen ogen zie; ik was reuze benieuwd hoe het er daaraan toegaat, hoe de sfeer is, op zo’n COA-locatie. En ten tweede, omdat ik dacht: mooi, dan doe ik ook meteen iets – zij het dan minimaal – voor de vluchtelingen.

Want dat vond ik eigenlijk wel: dat ik iets moest doen.
Maar ik wist niet zo goed wat dan.
Ik ben namelijk eigenlijk niet zo helperig, eerlijk gezegd, uit mezelf.
Ik help mijn kinderen, ik help wel eens een vriend of vriendin, en ik help mijn moeder. Maar dan houdt het op. Mijn oude buurman, die waarschijnlijk ook wel eens hulp kan gebruiken, help ik niet. Maar toen het meisje van de thuiszorg vorige week bij mij aanbelde of ik even wilde assisteren; meneer was gevallen in zijn slaapkamer en ze kon hem alleen niet overeind krijgen, voelde ik me de rest van de dag wel heel goed; ik had toch maar mijn buurman van de grond opgeraapt!

Waarmee ik maar weer constateerde: we willen wel helpen, maar weten vaak niet zo goed hoe, of we moeten eerst een bepaalde schroom overwinnen. (Ik zeg ineens we, omdat ik denk dat er wel mensen zijn die dit herkennen.)

Enfin.


Een van de gesprekken die ik had was met Ebaa. Een stoere Syrische vrouw, die in haar eentje gevlucht is. Haar man en haar drie kinderen zijn nog in het kapotgeschoten Aleppo. Het leek het beste idee om alleen gaan, maar nu, na zes maanden in Nederland, weet ze ineens niet meer op ze er wel goed aan heeft gedaan. Zij zit nu hier – ze is veilig, maar haar familie is nog dáár.

Het interview was in het Spaans. Dat sprak zij heel goed en ik een beetje. Niet zo dat ik heel intelligente vragen kon stellen, maar goed genoeg om haar te verstaan. Ik hoop vurig dat ik inderdaad goed heb begrepen dat ze zwemjuf is. 
Wat een hartverscheurend verhaal. Op een bepaald moment zat ik zelf gewoon mee te huilen. Ik heb ook drie kinderen. Je moet er toch niet aan denken.


Thuis zocht ik haar op, op Facebook. Toen moest ik opnieuw slikken.
Want zo is het dus gewoon hè. Zo zit je nog op een scooter met je spiegelzonnebril op, en zo is je hele stad platgebombardeerd en ben je ineens in een vreemd, koud land, na een afschuwelijke reis, in totale wanhoop omdat je niet weet wanneer en of je je kinderen weer zult zien.

Poeh.