maandag 10 augustus 2020

Grootmoeder

Ik moet best vaak aan mijn grootmoeder denken. Ik noem haar mijn grootmoeder, niet mijn oma, omdat ik haar niet heb gekend. (En ik vind dat je tegen een oma op z’n minst een keer oma moet hebben gezegd.)

 

Ik weet bar weinig over haar.

Ze werd geboren in 1898.

Ze heette Petronella.

Ze trouwde in 1919 met Jan Dirk.

Ze baarde tien kinderen, waaronder één tweeling.

Ze stierf in 1934, aan complicaties bij de bevalling van haar tiende kind. Ze was pas 36.

Hun derde kind, zoon Gerrit (die zijn leven lang Bob is genoemd) was destijds 11.

In 1971 werd hij mijn vader – althans in de biologisch zin van het woord.

 


Wanneer ik dus zeg dat ik mijn grootmoeder niet heb gekend, zou je dat een understatement kunnen noemen; toen ik werd geboren, was zij al ruim 35 jaar dood.

 

 

Na het overlijden van Petronella bleef de vroedvrouw, die bij al hun geboortes aanwezig was geweest, voor de kinderen zorgen. Ze trok bij het gezin in en – hier wordt het verhaal een beetje vreemd ­– verkocht, vernietigde en verbrandde, met instemming van Jan Dirk neem ik aan, alle bezittingen van Petronella; haar sieraden, haar kleding, haar boeken, al haar persoonlijke spullen. 

De oudste dochter had hier veel moeite mee en ‘redde’ het dierbaarste bezit van haar moeder: een Nederlandse vertaling van De Oude Geschiedenis van de Joden, geschreven door Flavius Josephus tussen 79 en 94 na Christus. Ze wist het boek het huis uit te smokkelen en onder te brengen bij familie, waar het vermoedelijk nog steeds in bezit is.

 

 

Dat is alles wat ik weet.

 


Het roept natuurlijk allemaal vragen op.

Ten eerste: hoe zag haar leven eruit, aan het begin van de twintigste eeuw? Was ze gelukkig, in haar korte tijd hier op aarde (waarvan ze zo’n beetje de helft zwanger is geweest)?

Maar ook: waarom werden haar sporen uitgewist? Was mijn grootmoeder Joods? (Je zou het zomaar kunnen denken, wanneer iemands 'liefste bezit' een boek over de geschiedenis van de Joden is?) Waren haar kinderen dan dus óók allemaal Joods en besloten vader en vroedvrouw tot deze interventie, omdat de dreiging jegens Joden al voelbaar was in 1934?


Geen idee!

Ik weet het niet.

Waarschijnlijk maak ik er een veel te spannend verhaal van.

Maar ja, een mens verzint eens wat, als er niemand meer is die kan vertellen hoe het werkelijk zit.


vrijdag 24 april 2020

De Wand


Op de eerste avond van de grote stillegging moest ik ineens denken aan een boek, dat ik lange tijd mijn lievelingsboek heb genoemd, maar de laatste jaren totaal was vergeten. Ik heb het ook niet meer, daar kwam het misschien door. (Uitgeleend, geen idee meer aan wie, zoals dat boeken nogal eens vergaat.)

De Wand, heet het boek. Van Marlen Haushofer, een Oostenrijkse schrijfster. Ik vond het zo’n 25 jaar geleden in een antiquariaat; het was destijds al niet meer in de handel. Ik herkende de titel, omdat ik had onthouden wat mijn vriendin Geertje erover had verteld: zij was zo in de ban van het boek geweest, dat ze er op een nacht over droomde en vervolgens heel hard haar hoofd stootte aan een balk in de slaapkamer; iets dat nooit eerder was gebeurd in de twintig jaar dat ze er sliep.

Ook op mij maakte het boek veel indruk. Het is een verschrikkelijk eenzaam, beklemmend verhaal, maar op een gekke manier ook hoopvol. (Hoopvol-achtig.) Nou moet ik erbij zeggen dat ik destijds zelf ook heel eenzaam was, door een langdurige invaliderende ziekte; dat kan mijn perceptie hebben gekleurd.


Het gaat over een vrouw, die met een bevriend echtpaar mee gaat naar hun jachthuis in de bergen. Als ze er zijn aangekomen, besluit het echtpaar nog even met de auto naar het dorp te gaan voor wat boodschappen. De vrouw blijft achter, met de hond. Het echtpaar komt niet terug. Als de vrouw de volgende dag op onderzoek uitgaat, blijkt er iets totaal bizars te zijn gebeurd en moet ze accepteren dat ze alleen is. Helemaal alleen. Blijf je mens, als je de enige mens in je omgeving bent? En hoe dan? Wat maakt een mens een mens?

Ik besloot te gaan googlen en zag dat het opnieuw was uitgegeven, in 2012, maar inmiddels opnieuw niet meer verkrijgbaar. Maar…het bleek ook te zijn verfilmd, in 2003! Mijn lievelingsboek was verfilmd en ik had dat volledig gemist. (Maar ik was toen natuurlijk ook heel druk met baby’s enzo. En misschien is de film wel nooit in Nederland vertoond.)

Anyway, hij bleek te huur voor €2,99 bij Cinemien en ik ben onmiddellijk gaan kijken.
Het boek is waarschijnlijk beter – dat is het meestal – maar ik vond de film prachtig, hij gaf me het verhaal terug en bracht weer hetzelfde gevoel mee.


Maar het gekke is nu, dat ik steeds flashbacks naar de film blijf houden, wat een extra surreële dimensie geeft aan deze Corona-situatie, aan deze 'intelligente lockdown'-toestand, die toch al zo wonderlijk is. 

Wil je dit ook ervaren, of wil gewoon even een paar uur zwelgen in de eenzaamheid, zodat het daarna weer allemaal wat minder erg lijkt, hier is de link naar de film: https://cinemien.nl/film/die-wand/


zaterdag 25 augustus 2018

De egel


Het was een van de laatste nachten van de vakantie – we sliepen al een paar uur – toen plotseling mijn dochter van tien met grote haast uit haar slaapzak ontsnapte, de tent openritste en zichzelf naar buiten wierp. 
Nog voor ik goed en wel begreep wat er gebeurde – ik moest nog wakker worden – hoorde ik ze al, de braakgeluiden. En velen zullen dit beamen, dat zijn angstaanjagende geluiden voor de kamperende mens.
(O nee. Neeneenee. Geen. Buikgriep. Op de camping. P-p-please. )


Even later kwam ze weer naast me liggen.
‘Och liefje,’ zei ik. Schatje toch. Was je ineens misselijk? Goed zeg, dat je op tijd naar buiten ging! (DE DANKBAARHEID!) Gaat het nu weer een beetje?’

Het ging weer.
Ik omhelsde krampachtig de gedachte dat er gewoon iets niet goed gevallen was. Dat was eruit nu, dus hier zou het gewoon bij blijven. Toch? Ja.
Nee.
Natuurlijk niet.  
Wist ik heus wel.
Nog geen vijf minuten later vloog ze opnieuw als een haas de tent uit. Na de te verwachten geluiden – die al een stuk minder angstaanjagend klonken; ik leg mij als realist doorgaans snel bij de dingen neer – hoorde ik haar praten.

‘Nee, niet de tent ingaan. Niet de tent ingaan. Nee.’


‘Tegen wie héb je het,’ fluisterde ik vanaf mijn matje – ik zat inmiddels rechtop en had mijn zaklamp aangeklikt, voor de morele steun, what more can you do.

‘Tegen een egel,’ antwoordde ze droog, terwijl ze weer binnenkwam en keurig de rits achter zich dichtdeed. ‘Toen ik net weer moest kotsen zat ik met mijn hand op een egel.’

‘Echt joh?’ zei ik, toen ze weer in haar slaapzak was gekropen. ‘Een egel?’
‘Ja. Maar het deed geen pijn.’


‘Jij maakt nog eens wat mee.’



(En zo begon op ludieke wijze een lange nacht met een emmer (beter!) en doekjes en een stoer, maar steeds zieliger meisje.)








zondag 20 mei 2018

Schipbreuk



Het schip was gezonken, maar ik zat er nog in. Ik was meegenomen naar de bodem en daar leefde ik verder, in een luchtbel in het wrak. Met de kinderen.
Na de eerste paniek, bleek het eigenlijk prima toeven in die luchtbel. We hadden zuurstof en genoeg te eten en drinken. En er was ook gewoon school en werk. En Netflix.

Ik wist heus wel dat we daar niet konden blijven. Ik wist heus wel dat ik dapper moest zijn, een grote hap lucht nemen, de luchtbel doorprikken en gáán. Zwemmen! Naar boven, naar het oppervlak. Ik zou het vast halen. Ik was sterk.


Maar voorlopig bleef ik nog even zitten. Eerst nog wat meer moed verzamelen. Zouden de kinderen het ook redden? Waren die sterk genoeg voor de stap in het diepe? We konden beter eerst een goed plan bedenken. Niet roekeloos paniekzwemmen, dat was dom. We hadden geen haast tenslotte; de lucht was nog lang niet op. En misschien gebeurde er wel snel een wonder! Iets dat alles opnieuw zou veranderen. Daar konden we maar beter even op wachten, zolang er toch nog geen goed plan was.


Alles went; ook het leven in een luchtbel. Langzaam begon ik te vergeten dat ik door miljoenen liters water gescheiden was van het echte leven. ‘Er moet iets gebeuren’ sluimerde nog slechts, als een licht oorsuizen dat je het meest van de tijd kan negeren. Soms laaide het even op, maar steeds sporadischer en minder fel.


Inmiddels zijn we twee jaar verder en ik zit nog steeds in de luchtbel. De zuurstof begint af te nemen, ik voel het; ik ben doodmoe. Het leven in de luchtbel is slopend.

Er is nog steeds geen plan.

Er is geen wonder gebeurd.

Er is geen hulp gekomen: er verschenen geen duikers met extra persluchtflessen en een drukcabine tegen de caissonziekte.


Ik had het fout.
Verraden en verlaten worden maakt je helemaal niet sterk, zoals ik dacht.
Het verzwakt en vernedert je en het slaat het fundament onder je voeten weg. 
Dat moet je blijkbaar eerst doorhebben. Pas daarna kun je gaan zwemmen.


woensdag 29 november 2017

Babylongen


Ik weet dat je blowt – ‘smoken’  noemen jij en je vrienden het. En ik weet dat je bier drinkt, af en toe. En rookt, achter de school. Je mag dat allemaal niet van mij. En van de wet ook niet. Nog lang niet. Je bent nog niet eens zestien! Het is gevaarlijk. Ik hoop in de godsnaam dat ik je nooit bewusteloos op de eerste hulp zal aantreffen. En het is zo slecht voor je. Zo ongezond. Mijn maag draait om als ik denk aan die vieze rook en chemicaliën in je mooie babylongen. (Ja, jij weet dat misschien niet, maar gisteren was je nog een baby.)


Ik was zelf ook vijftien toen ik begon met experimenteren. Of nou ja, het overkwam me; ineens was het er, alles tegelijk: alcohol, roken, seks. En ik wou het allemaal.
Een jaar eerder al was ik begonnen met het stelen van sigaretten uit het pakje van de schoonmaakster, als ze aan het stofzuigen was. Iedere week één. Die rookte ik dan stiekem ‘s avonds, uit mijn raam. Caballero zonder filter. Ik voelde me goed als ik dat deed. Groot, stoer, onafhankelijk. Ook al werd ik kotsmisselijk. Maar ik had zo’n drang naar….naar álles, naar het leven, naar vrijheid, naar nieuwe dingen, naar wat er allemaal kon.


Waarom zou dat bij jou anders zijn?

(Het is best gek, hoe je er als ouder voor het gemak vanuit gaat dat je kinderen ‘beter’ zullen zijn dan je zelf was. Verstandiger. En gelukkiger. Daar heb je tenslotte alles aan gedaan; je hebt ze opgevoed en alles gegeven; de béste normen en waarden, en bakken vol liefde en aandacht. Maar dat is natuurlijk een nogal ijdele gedachte: want hadden onze ouders dat niet ook gedaan – en gedacht?)


Natuurlijk ga jij de grenzen opzoeken. 
Ik snap het.
Het is logisch. (En dan heb ik het nog niet eens over genetische aanleg. En over het slechte voorbeeld dat ik ongetwijfeld heb gegeven door in jouw bijzijn wijn te drinken – teveel soms, op feestjes – en te roken – hoewel dat laatste gelukkig al lang niet meer.)


Maar toch vind ik het stom. En eng. En wil ik het niet. Mijn maag draait om als ik denk aan die vieze rook en chemicaliën in je mooie babylongen. (Ja, jij weet dat misschien niet, maar gisteren was je nog een baby.)




donderdag 2 november 2017

Warme dekens


Ik moest een blauw operatieschort aantrekken, met knoopjes op de rug, en strakke witte kousen, helemaal tot mijn liezen. Daarna werd ik met bed en al naar de operatieafdeling gereden. Het was er koud. Logisch; bij lagere temperaturen verspreiden bacteriën zich minder snel en het personeel blijft lekker alert. Denk ik. Maar ik wist het eigenlijk niet. Dat het er zó koud zou zijn.
Er stonden nog drie bedden in de ruimte, met mensen erin, die ook voorbereid werden op een operatie. Ik probeerde me voor hen te interesseren, maar het ging niet: ik was teveel met mezelf bezig.

Iemand probeerde een infuus in mijn linkerhand te prikken. Het deed pijn. Ik keek de andere kant op. Het duurde lang. ‘Lukt het?’ vroeg ik, met mijn hoofd nog steeds gedraaid. ‘Nee. De naald wil niet opschuiven. Ze moeten het straks op de OK maar doen.’
Het prikken hield op. Ik keek naar mijn hand, uit een gaatje liep een straaltje bloed. Ik kreeg een watje, dat ik er stevig op moest drukken.
Het begint al goed, dacht ik.
Ik lag inmiddels te rillen van de kou. Iemand kwam een deken over me heen leggen. Een voorverwarmde deken, alsof hij uit de oven kwam.
‘Lekker hè, die hebben we hier, warme dekens.’
De omgeving leek plotseling een stuk minder vijandig. Ik voelde me zo getroost door de warmte, dat ik bijna vergat dat alles nog moest beginnen.



Ineens was ik aan de beurt. Opnieuw werd mijn bed door een gang gereden, tot ik in een ruimte kwam waar twaalf ogen mij verwelkomden. Ik herkende de ogen van de chirurg.
‘Hoi,’ zei ik.
‘Hoi,’ zei hij.
Hij vertelde nog even wat hij ging doen – zodat daar geen misverstanden over konden bestaan – en toen kreeg ik een ruggenprik.
Vrijwillig en bij je volle verstand je onderlijf verlamd laten maken is best raar. (Dat hele ziekenhuisgedoe is één grote les in loslaten; je lichaam is even niet van jou, maar van hén. Er wordt in gesneden en voortdurend in geprikt, er wordt bloed uit gehaald en vloeistof in gespoten, er worden slangen in gepropt en er weer uit getrokken… je kijkt ernaar en je ondergaat het allemaal, alsof je je auto naar de garage brengt voor een reparatie en er zelf in moet blijven zitten. Althans, zo probeerde ik het maar te zien.)

Ik moest op de rand van de operatietafel komen zitten en voorover leunen, in de armen van een operatieassistent met de liefste ogen die ik ooit zag. Ze stelde zich voor en ik was van plan haar naam te onthouden, maar dat is mislukt.
Het deed geen pijn. Er gingen alleen een paar griezelige elektrische schokken door mijn linkerbeen. ‘Het lijkt of ik onder stroom sta,’ piepte ik.
Ja, dat kwam vaker voor.
Toen voelde ik mijn benen warm en raar worden. Ik werd neergelegd en door vier mensen een eindje naar beneden verplaatst. En weer omhoog, want te ver – en weer naar beneden, want weer te ver. Ik moest erom lachen.
Vlak voor ik mijn lenzen uitdeed en het slaapmiddel toegediend kreeg  – zodat ik er maar niets van mee zou krijgen – vroeg de chirurg me nog iets, waaruit ik opmaakte dat hij mijn tweet van de avond tevoren had gelezen.

In die verwarring viel ik in slaap. 








Daar ben ik weer, geloof ik.
O nee, niet.
O ja, toch wel.
Een stem, die zegt dat de operatie is geslaagd.
Dat is fijn.

Hee, waar was ik?
Waar ben ik nu weer?
Er loopt iemand om mijn bed. Een kleine donkere vrouw. Ze praat tegen me. 
Heb ik pijn? Ik weet het niet. Ja, ja ik heb pijn. Heel erg zelfs! Cijfer? Negen! Negenenhalf!
Ik snap niet zo goed wat de pijn is, het zit helemaal onderin mijn buik, maar weet ik veel, ik slaap nog. Laat me slapen. Ik heb het zo koud. 
Ik krijg weer zo’n deken. En nog een. En nog een. Ik lig onder drie warme dekens uit de deken-oven.
Je krijgt morfine, zegt de vrouw. Ik kan haar niet goed zien; ik heb geen lenzen in – en -10.  Ik merk dat ze iets op mijn infuus in mijn rechterhand klikt. Meteen daarna voelt het alsof er een olifant op mijn borstkas gaat zitten en mijn rechterarm begint ZO ERG TE JEUKEN! Ik gil en steek mijn arm omhoog, die onmiddellijk knalrode strepen vertoont, die zelfs ik kan zien.



Allergisch voor morfine.
Haha.
Dat heb ik weer.
Het was het enige waarop ik me nog een beetje had 'verheugd'.
Nou ja.
Het kwam weer goed. Ik kreeg een andere pijnstiller in mijn infuus en viel weer in slaap.


Een paar uur later werd ik teruggereden naar de verpleegafdeling, waar ik die ochtend was begonnen. Kijk, daar stond mijn tas en daar was mijn telefoon en daar waren mijn vriendinnen met bloemen, en mijn kinderen, ik was euforisch: het was achter de rug! Het was doodeng geweest, maar goed gegaan, ik was een held, yeah!

Nadat iedereen weer weg was en ik had gegeten, sloeg ik, nog steeds nogal hyper, mijn laptop open met het plan om te twitteren over hoe zielig ik was en over hoe áángerand je je voelt de hele tijd, in zo’n ziekenhuis, met al die naalden en slangen.


En toen las ik dat Anne Faber was gevonden.


En was het allemaal ineens weer relatief.
Zó aangerand was ik nou ook weer niet.
En ik leefde nog, bovendien.


vrijdag 6 oktober 2017

Een liesbreukoperatie?


‘Ik zou gewoon maar tegen iedereen zeggen dat je een liesbreukoperatie krijgt,’ adviseerde een vriendin.

‘Echt, hè,’ zei ik. 

Want ik wist het natuurlijk wel: het is een taboe.
Ik kan niet gewoon vertellen over de operatie die ik moet ondergaan.
Omdat het een ‘vrouwenoperatie’ is. Met baarmoedergedoe en bekkenbodemdinges. Daar praat je niet over. Want het is niet sexy. Iets wat ik in mijn nieuwe status als single natuurlijk juist wél moet zijn.

Ik heb het een tijdje serieus overwogen.
Maar…. een liesbreukoperatie?
Dat zou dan op zijn minst een heel gecomplicéérde liesbreukoperatie moeten zijn, want hoe ga ik anders aannemelijk maken dat ik wekenlang niet veel meer kan dan voetje voor voetje door het huis schuifelen? Met morfine, en als het tegenzit een fucking plaskatheter?



Het zit zo. Bij mijn eerste bevalling ging het een en ander mis. Ik zal het even snel en zakelijk vertellen. (Omdat u anders denkt: bij die Novy is alles altijd net een tikkeltje dramatischer dan bij andere mensen.)

Na drieënveertig (!) weken zwangerschap en zeventien uur in de hel, besefte men dat de baby te groot was voor het geboortekanaal en dat er een keizersnee moest plaatsvinden. 
En juist op dat moment, stopte het ongeboren hartje. (We hoopten nog even dat een losgeraakt draadje de flatline op de monitor veroorzaakte, maar nee.)
Toen ging alles snel. Daar was ineens de gynaecoloog, op wie we al tien uur wachtten. Hij aarzelde geen moment en trok met een vacuümpomp en een ketting en veel gekraak en geweld onze dochter ter wereld, wat mij een gebroken bekken, een totaalruptuur en een gescheurde bekkenbodemspier opleverde.


Ze werd gereanimeerd, met succes - thank god – en na een paar angstige dagen aan de hartbewaking, waarin wij herhaaldelijk werden gewezen op de mogelijke gevolgen van het zuurstoftekort, werd ze eindelijk in mijn armen gelegd. Ze was prachtig. En alles was goed.

In de week dat ik in het ziekenhuis lag (met onbeschrijflijk veel pijn; de eerste dagen kon ik mijn lichaam nog geen centimeter bewegen - en ik ben heus geen watje) verschenen er mensen aan mijn bed. Met excuses. Dat er een inschattingsfout was gemaakt. Dat ze veel eerder hadden moeten besluiten tot een keizersnee. Dat ze onderbezet waren in de betreffende nieuwjaarsnacht. Pas later begreep ik dat ze waarschijnlijk bang waren dat ik een klacht zou indienen. Misschien had ik dat ook moeten doen, maar daar was ik totaal niet mee bezig. Ik had een kind! Een levend, gezond kind! Ik zat met mijn gebroken bekken keihard op een roze wolk.



En dan. Tsja, zo’n bekken groeit weer aan elkaar. En zonder bekkenbodemspier valt prima te leven: vijftien jaar lang, in mijn geval, zonder problemen. (Waarin ik zelfs nóg twee kinderen heb gekregen - vraag niet hoe ik dat durfde.)
Dat ik niet zoveel weeg heeft vast ook meegeholpen.
Maar inmiddels is dan toch het moment gekomen dat er herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Om mijn organen ook in de tweede helft van mijn leven nog wat op hun plek te houden.
Dat is het wel zo’n beetje.

En dat klinkt best simpel.
Maar het is een nogal pittige ingreep. Met honderdduizend hechtingen enzo. En een lange, pijnlijke herstelperiode. Zo’n ingreep waarbij de chirurg je medelijdend toespreekt: ‘Het zal u gaan tegenvallen.’  Wat bevestigd werd door een aantal vrouwen met wie ik heb gesproken die gelijksoortige behandelingen hebben ondergaan (want die zijn er dus, maar dat wéét niemand).


Ik vind het doodeng.
Het is volgende week al.
Ik ben echt bang.
En misschien dat er ook wel een klein traumaatje wordt opgerakeld.

En het wordt een hoop gedoe, sowieso. Met drie kinderen. En hun vader die nog steeds niet zeker weet of hij en hoe lang hij verlof kan krijgen om voor ze te zorgen.
En ik kan en mag dus echt niks, hè. Wekenlang. Niet fietsen of autorijden, niet eens de vaatwasser uitruimen of de was ophangen.

En dan mag ik er óók nog eens niet over vertellen. Want het is een taboe. En niet sexy.