dinsdag 17 maart 2015

Beter bizar laat dan nooit

Soms kom je ergens pas bizar laat achter.

De Viva (jawel) heeft daar momenteel een item over onder het kopje: 'Laat gevallen kwartjes'.
Er verscheen een onthutsende rij bekentenissen op Facebook.
Van mensen die bijvoorbeeld opbiechtten dat ze pas heel laat beseften dat Horeca staat voor Hotel-Restaurant-Café. En dat Benelux een samenvoeging is van België, Nederland en Luxemburg.
Dat het een aard-appel is en geen aar-dappel.
Dat Brian Adams zong I got my first real 6-string en niet I got my first real sexdream. (?)
Dat Dikkertje Dap geen giraffe is en Berend Botje geen beer.
Heel leerzaam allemaal.


Ik heb ook iets waar ik pas heel laat achter kwam.

Nog maar heel recent.
Als in: eergisteren.

Komt ie:

Paolo Nutini is géén vertolker van het Italiaanse kwezellied, à la Eros Ramazotti. 


Nja. Een enorme vergissing, dat weet ik nu.
Maar dat dacht ik dus.

Het had te maken met mijn wekkerradio, die al een tijd kapot is waardoor ik ’s ochtends niet meer naar 3fm luister, maar vooral ook met het onfortuinlijke toeval dat het éérste van Paolo Nutini waarmee ik in aanraking kwam niet zijn stem was, of zijn fijne voorkomen, maar zijn naam.

En zeg nou zelf: Paolo Nutini, dat klinkt toch ook gewoon als het neefje van Laura Pausini.
Dus ik parkeerde hem gezellig bij de italopop en ging verder met mijn leven.


Wat misschien ook mee heeft gespeeld: ik heb helemaal niets met Italiaanse namen.
Ik vind ze altijd zo aanstellerig.
Leonardo di Caprio.
‘Giovanni, Delano, eten!’
Bruno Banani.

Kent u die? Bruno Banani?
Dat is een parfumlijn.
Toen ik de reclame voor het eerst op televisie zag dacht ik dat het een grapje was.
HAHA lachte ik.
HAHA.
Dat gaat toch niemand kopen!
Een geurtje dat Banani heet.

Maar ik had het weer eens mis, want de betreffende lijn bestaat nog steeds en heeft het zelfs tot in de Douglas geschopt.
Er zijn dus wél mensen die het kopen!
(Zijn dat mensen die zich kunnen losrukken van de associatie met de geur van bananenschuimpjes, of – de absurde gedachte – juist niet?)


Terug naar Paolo Nutini.

Man!
Paolo Nutini ís helemaal geen Italiaan! Ja, okee, hij heeft een Italiaanse vader, vandaar de naam en zijn zuidelijke uiterlijk, maar hij komt uit Schotland!
En hij zingt helegaar geen Italiaanse zeikliedjes, hij maakt prachtige, snijdende soul en nja… woah! 

Ik ben erachter.

En ik zeg altijd maar zo: beter bizar laat dan nooit.


woensdag 11 maart 2015

Zon, maan en sterren

We stonden te wachten bij de deur van de klas, een groepje vaders, moeders en oppassen.
De deur ging open en de kinderen kwamen naar buiten, met voorop Loïs en haar vriendinnenclubje, zichtbaar opgewonden.

‘Ik ben een zonnekind!’ riep vriendinnetje C. stralend uit.
Vier enthousiaste kinderstemmen vielen haar bij: ‘C. is een zonnekind!’

‘Natuurlijk, liefje, maar dat wísten we toch al,’ zei haar moeder, terwijl ze ons aankeek met opgetrokken wenkbrauwen.
Ik grapte tegen de andere kindjes: ‘Maar wat zijn jullie dan? Regenkinderen?’

Nee, zij waren gewóne kinderen: maankinderen.
‘C. Is een zonnekind, omdat ze heel goed kan lezen en haar Cito’s heel goed heeft gemaakt!’

Aha.
Zo.
Dus.
Ik moest er even van bijkomen.
Want wat kregen we nou?
Hoezo worden de kinderen in groep 3 ineens onderverdeeld in zonnekinderen en maankinderen?
Ik dacht dat ik zo’n beetje alles wel meegemaakt had, met twee kinderen die de basisschool helemaal en bijna hebben doorlopen.

Ik ging maar eens googlen.
En jawel: het is een bestaande onderwijsmethode. Naast zonnekinderen en maankinderen zijn er ook nog sterrenkinderen.
De methode hoort bij de boekjes ‘Veilig leren lezen’, die Bo en Merlijn volgens mij destijds ook gebruikten.

‘Hadden jullie dat ook, dat met die zonnekinderen enzo?’ vroeg ik.
Nee, zij hadden er net als ik nog nooit van gehoord.

Is dit nieuw? Doen ze dat nu ineens hier op school? Of is het een actie op eigen houtje, van deze specifieke juf?
Ik moest het morgen maar eens vragen.


Ja, ik weet het niet hoor, misschien ben ik overgevoelig, maar ik vind het gewoon een beetje raar.
Een plusgroepje, okee, snap ik.
Maar zonnekinderen en maankinderen?

Het blijft me bezighouden.

Telkens als ik C. nu zie op school denk ik: Hee, zonnekind!
En ik moet ook de hele tijd zo denken aan de Zonnekoning! 
Die goeie ouwe Lodewijk XIV.
Le roy soleil.
L‘enfant soleil.
Alles draait om de zon.
De zon straalt.
De maan reflecteert slechts haar schijnsel.

Nouja, enfin.


Wellicht, denkt u nu, ben ik wel gewoon een beetje jaloers.
Wou ik óók wel graag een zonnekind.
Haha. 
Echt niet.
Want ik héb toch al een zonnekind! Het zonnetje in huis.
Ons eigen lieve regenkind.
Oh nee, maankind.
Kind.


zondag 8 maart 2015

Occupational hazard/calculated risk

Drie weken geleden kocht ik een nieuwe fiets voor Merlijn.
Gisteren werd ie gestolen.
Bij de der AA kerk. (Waar Henk het kerkorgel aan het opnemen was, iets wat hier mee te maken heeft, maar dit terzijde.)

Merlijn baalde enorm. Want ook al was zijn nieuwe fiets dan geen Gazelle Chamonix T4 met een nexusnaaf en 24 versnellingen - maar gewoon een degelijke zwarte tweedehands omafiets, hij was er nógal blij mee. Geweest.

Ik besloot uiteraard het voorval te relativeren; fietsen kwijtraken aan fietsendieven is nou eenmaal een vorm van occupational hazard voor inwoners van een stad als Groningen.
Calculated risk.
Maar ik was er toch wat mopperig van.

Tegen beter weten besloot ik de tip van een vriendin op te volgen en maar eens op Marktplaats te kijken.
En jawel, nee maar: daar stond ie!
Voor 50 euro. (Maar liefst. Tsjonge, ik had er drie weken geleden nog meer dan het dubbele voor betaald.)



‘Jongens,’ riep ik. ‘Ik heb hem gevonden! Hij is vandaag op marktplaats gezet! Dat is hem toch, Merlijn? Ja kijk, die lamp en dat zadel en dat witte stuk hier…het ís hem.’
Er zat alleen geen slot meer op.
Dat was er afgezaagd; logisch.

Ik wilde onmiddellijk reageren.
‘Nee wacht,’ zei Henk. ‘We moeten de politie bellen.’
En voegde daad bij woord.
Hij vertelde het verhaal en gaf het advertentienummer door. Ze wisten wie het was en zouden er meteen induiken, maar wij mochten intussen geen actie ondernemen. Henk beloofde het.

Na het verversen van de pagina bleek de fiets nu ineens nog maar 40 euro te kosten.
De verkoper wilde er blijkbaar snel vanaf.
Ja hoor, dacht ik, gooi onze lieve fiets maar te grabbel.

Ik kon me niet beheersen en stuurde natuurlijk tóch een sms.
‘Ik heb interesse in je fiets. 40 euro klinkt prima.’
Ik kreeg onmiddellijk antwoord.
‘Dat is goed. Voor 5e extra kan ik hem bij je thuis brengen.’

Ik wist even niet of dat een goed idee was, dus ik hield me wat op de vlakte.
‘Ja, dat mag. Maar ik kan hem ook ergens ophalen hoor, zeg het maar.’
‘Over 20 minuten ben ik met de fiets bij de Mediamarkt. Daar kunnen we afspreken.’



Henk belde, zuchtend, opnieuw met de politie.
‘Sorry, ik heb mijn vrouw niet onder controle. Ze heeft een afspraak met hem gemaakt bij de Mediamarkt. Over twintig minuten.’

Haha.

Ik bleef thuis.
Henk ging op pad, met Merlijn – iemand zou tenslotte de fiets terug moeten fietsen, mocht de operatie lukken – én Bo, die uiteraard per se meewilde, om vanaf een afstandje alles te gaan filmen. 
Een politieman in burger zou ook ter plaatse komen.
Het was allemaal reuze spannend.

Na een kwartier belde Henk: ‘Ik heb nog niemand gezien. En ik vind het ineens eigenlijk helemaal niet leuk meer. Moet ik straks een arme junk laten oppakken.’
Ik begreep het.
Want ik vond het eigenlijk inmiddels ook zielig.
Het is raar, maar ik heb een beetje een zwak voor junks.
En dat is stom, want junks hebben geen zwak voor mij, dat weet ik ook wel.
Maar ja.

Meteen nadat ik had opgehangen ging de telefoon opnieuw. Het was de verkoper, met een onverwacht bericht: ‘Ik heb hem niet meer, de fiets. Ik was even bij een vriend en toen ik weer buiten kwam was hij weg. Gestolen.’
‘Joh,’ antwoordde ik, ‘hoe kan dat nou?’
‘Ja, fietsen worden vaak gejat in Groningen hè. Dat gebeurt. Ik had hem ook gewoon op slot gezet.’
(Waarbij ik moest grinniken om het woordje ‘ook.’ Klopt. Merlijn had hem óók gewoon op slot gezet.)

‘Oh,’ zei ik. ‘Nouja, niets aan te doen hè.’
Want wat kun je anders zeggen.

Dus ik belde Henk maar weer.
Die vervolgens – nadat er nog even een man onopvallend was langsgelopen en vanuit zijn hoodie had gefluisterd: ‘Niet gelukt?’, waarop Henk had teruggefluisterd tegen de agent: ‘Nee, niet gelukt.’ – onverrichter zake met de kinderen naar huis terugkeerde.

Vijf minuten later zag ik dat de fiets van marktplaats was verwijderd.
De dief/verkoper had blijkbaar (hoe dan ook?) nattigheid gevoeld.

Damn.

De fiets die we ’s middags al als verloren hadden beschouwd, maar die voor eventjes weer binnen handbereik had geleken, was nu voorgoed weg uit ons leven.


We hadden het misschien heel anders aan moeten pakken.
De politie erbuiten moeten laten.
Ik had gewoon meteen moeten zeggen: ‘Ja, kom maar brengen.’
En als hij dan met de fiets voor de deur had gestaan had ik gezegd: ‘Mooi, dank je. Ik betaal je geen 45 euro helaas, want het is de fiets die je vanmiddag van mijn zoon hebt gejat. Maar je hebt blijkbaar geld nodig, dus hier heb je een tientje.’

Zoiets.
Slaat ook nergens op, maar toch.

vrijdag 13 februari 2015

De kat bij de Jumbo

Bij de entree van 'onze' Jumbo, zit op de inpakplank, boven de lege dozen, regelmatig een kat.
Dat is misschien een beetje vreemd, dat vond ik de eerste keer ook, maar mensen wennen over het algemeen snel aan nieuwe dingen, dus inmiddels is het een heel vertrouwd beeld.

Ik heb geconcludeerd dat het de kat van de straatkrantverkoper moet zijn. Dit aan de hand van de constatering dat de kat er nooit zit als de straatkrantverkoper er niet is, en andersom. (Er is een groot detective aan me verloren gegaan.)

Maar die kat gaat dus altijd met hem mee. Ik vind dat zo schattig! Hij blijft in de winkel rustig zitten wachten, tot het weer tijd is om weg te gaan. Af en toe krijgt hij een aai van een langslopende klant. (Dat denk ik tenminste; er zijn vast meer mensen die dat doen.)


Het is serieus de beste kat die ik ken. (Van de katten die momenteel in leven zijn, dan. Want de allerbeste kat ooit was natuurlijk Bram; mijn eerste grote liefde. Over wie ik na vijfentwintig jaar nog steeds niet kan vertellen zonder te snotteren. Want het liep niet zo goed af. Traumatisch, zelfs. Maar genoeg hierover.)

Als je hem over zijn kop aait, deze kat in de winkel, dan doet hij zijn ogen dicht. En dan voel je prr prr, onder je hand. Precies zoals een goede kat betaamt.



Sinds onze verhuizing, bijna een jaar geleden, doen we onze boodschappen in de Jumbo, hier om de hoek. Aan de rand van de Oosterparkwijk. Ik kende de Oosterparkwijk voorheen alleen van de reputatie; ik had er niet echt een beeld bij.
Nu wel.
De overstap van de door studenten en ‘binnenstadjers’ bevolkte Albert Heijn naar onze nieuwe supermarkt, was, hoe zal ik het zeggen, een soort antropologisch avontuur.
Het is echt wezenlijk anders. Je staat bij de kassa altijd wel achter iemand die alleen vijftien halve-literblikken bier afrekent en een bifiworstje.
En de stoep voor de ingang is een populaire hangplek van een groep alcoholisten.
De kinderen vonden dat in het begin nogal een uitdaging. (Maar mensen – en in het bijzónder kinderen – wennen over het algemeen snel aan nieuwe dingen, dus etc.)

Ik kan wel met ze. Ze vinden mijn fiets leuk. En ze weten inmiddels dat ze geen lege blikjes in mijn mand mogen gooien.

De straatkrantverkoper hoort er niet bij, hij staat een eindje verderop, dichter bij de deur. Hij hoort alleen bij zijn kat.


Ik ben dol op katten.

Daarmee ben ik niet uniek, dat weet ik, alleen al gezien het aantal kattenfilmpjes die voorbijkomen in mijn tijdlijnen. Na pornofilmpjes zijn kattenfilmpjes de meest bekeken filmpjes op het internet, las ik ergens. En ik geloof dat.

Wat me iets unieker maakt, is dat ik heel (heel heel) erg van katten hou, maar géén kat héb.
Sterker nog: ik mag het woord ‘kat’ eigenlijk niet eens hardop uitspreken, thuis.
Want daarmee kwets ik mijn man.
Henk is namelijk allergisch voor katten.
En omdat ik tweeëntwintig jaar geleden bij mijn volle verstand de keuze heb gemaakt voor een leven mét hem – en dus zónder katten – mag ik nu nooit meer zeuren.

En daar heeft hij natuurlijk wel een beetje een punt.
Maar ja: ik was jong en onbezonnen!
En al meer dan twintig jaar heb ik mijn mond gehouden!
En nu kan ik het niet ineens niet meer onderdrukken: het moet eruit!


Ik denk dat het de midlifecrisis is.
De een gaat zijn motorrijbewijs halen, ik wil een kat.
Of zelfs: twee katten.
Twee jonge katjes.
Straks, in het voorjaar.
Het gaat heus niet gebeuren, dat snap ik ook wel, maar ik wil het, ik wil het, ik wil het.

(...)

Ik ben zelfs zover gegaan, dat ik man en zoon (want ja, die ook..) heb opgedragen toch nog een keer een allergietest te doen. (Misschien zijn ze er inmiddels overheen gegroeid…?)


Hopend op een wonder (playing the karma-card again) ga ik morgen maar eens een straatkrant kopen.



Kan ik meteen even een fotootje maken van de kat.
Want ik heb er nu alleen een van zijn lege plekje.

Kijk, daar zit ie dan, naast de infokiosk.

Zo heet zo’n ding. #wistjeniethe






Edit 4 maart:




dinsdag 10 februari 2015

Ik geef het meteen toe; ik heb graag gelijk.

Nee, dit wordt niet het zoveelste betweterige, pedanterige taallesje.

Ik voel alleen de sterke drang om even in de bres te springen voor een woord, dat op de lijst met vergeten woorden dreigt te belanden.
Ik heb het over: Meteen.
Met de betekenis: onmiddellijk, stante pede, op dit moment, subiet, ogenblikkelijk, dadelijk, direct.

Nu zegt u misschien: ‘Nah, hoezo? Meteen? Dat woord gebruik ik heel vaak, hoor.’
En dat wil ik dan best geloven, maar grote kans dat het toch niet waar is.


Ik hoorde het al een tijdje, maar tegenwoordig steeds vaker (en vaker):

‘Ik zal het gelijk even doen!’ 
‘Okee, de vijftiende om tien uur, ik zet het gelijk in mijn agenda.’ 
‘Het was zo glad vanmorgen, ik stapte naar buiten en ging gelijk op m’n bek.’

Dan denk ik altijd: wat nou gelijk?
Gelijk met wat?
Gelijk aan wat?


Even opzoeken in de Van Dale.




Gelijk heeft een heleboel betekenissen, maar geen daarvan is: onmiddellijk, stante pede, op dit moment, subiet, ogenblikkelijk, dadelijk of direct.

Voor gelijk heb je namelijk minstens twee dingen nodig. Die gelijk kunnen zijn.
(Behalve misschien voor gelijk in de betekenis van ‘gelijk hebben’, maar zelfs daar: iemand heeft immers gelijk als zijn mening samenvalt met de waarheid; ook twee dingen.)

Als je zegt: ‘Ik zal het gelijk even doen,’ dan slaat dat dus nergens op.
Want: gelijk met wat? Gelijk met…nu? Ofzo? 

Gelijk is geen synoniem van meteen!
Gewoon niet!

Hoewel synoniemenwoordenboeken het al wel vermelden. Tsja. En de Van Dale waarschijnlijk binnenkort ook.
Want zo gaat dat: iets sluipt de taal binnen, of dat nou een nieuw woord is of in dit geval een foutief gebruik van een bestaand woord, het slaat z’n tengels uit en gaat exponentieel groeien.
Er drijven een paar leliebladeren op het water en als je een paar dagen niet hebt gekeken ligt ineens de hele vijver vol.
Je houdt het niet tegen.

Ik snap alleen niet waaróm.
Gelijk, dat is namelijk best een lelijk woord.
Met zo’n ggg aan het begin.
En dan zo’n lelijke ij en dan kk op het eind. Kk!
Een woord dat je liever niet zou willen gebruiken, tenzij het echt moet.

En kijk dan eens naar meteen.
Dat is een fijn, zacht woord.
Het begint al met een lieve m. (De m is van mama. En de beginletter van de meeste voornamen in Nederland. Misschien zelfs van de wereld, dat weet ik niet zeker, maar het zou best kunnen, met alle Maria’s en Mohammeds.)

De vraag is: Waarom zijn we collectief een prima woord, dat heel goed zegt wat het zegt, langzamerhand aan het verruilen voor een lelijk woord, dat strikt bekeken niet eens hetzelfde betekent?

Ik snap dat niet.

Ik zou het leuk vinden zijn als we het proces nog een beetje konden vertragen. Dat iedereen, wanneer hij zichzelf gelijk (ggg kk!) hoort zeggen, even nadenkt of hij in dit geval niet liever meteen had gezegd?

En als u het niet voor mij wilt doen, dan toch: om een woord te redden.


En zo werd het toch een pedanterig, betweterig taallesje.

maandag 2 februari 2015

Ik heb een bloedhekel aan goochelaars


Ik zal waarschijnlijk op weinig bijval kunnen rekenen, gezien de populariteit van het programma Street Magic en de volle zalen van Hans Klok, maar ik ga het toch maar zeggen: Ik heb een bloedhekel aan goochelaars.
Echt, heel erg.
En al heel lang ook.
Al sinds de hoogtijdagen van Hans Kazan. Dan hebben we het over 1978. Ik bedoel maar.

Van kinderen met goocheldozen krijg ik ook al een beetje jeuk, maar dat komt voornamelijk omdat ik het geduld mis om tien keer achter elkaar naar dezelfde mislukkende truc te kijken, verder hebben die nog wel iets schattigs.
Mijn echte allergie betreft de goochelaars die het kúnnen.
De professionele goochelaars. (Die natuurlijk ook ooit met een goocheldoos zijn begonnen. Zo lees ik op Wikipedia over Hans Kazan: 'Op zijn negende kreeg hij een goocheldoos van Sinterklaas en vanaf die tijd is hij met goochelen bezig.' Ik word hier zo treurig van.)

Nog erger dan de profs, trouwens, zijn de fanatieke amateurs. Omdat je die in theorie zomaar op een feestje kunt tegenkomen.
Ik waarschuw: iemand die het ooit in zijn hoofd haalt om een muntje achter mijn oor te vinden, kan rekenen op een rechtse hoek. Echt, maak je geen illusies. (Haha. Woordgrapje. Illusies. Haha.)
Maar nee echt, flikker op joh met je truc! Loop naar de maan  – tenzij we gaan klaverjassen – met je pak speelkaarten!


Het is altijd hetzelfde.
De goochelaar laat je een kaart trekken.
Je wil niet, maar je doet het dan toch maar, want zo ben je: aardig.
Je neemt een kaart.
Dat is bijvoorbeeld de harten zeven.
De goochelaar zegt iets in de trant van: ‘Bekijk je kaart, onthoud hem goed, laat hem niet aan mij zien en stop hem dan terug tussen de andere kaarten.’
Op dat moment weet je genoeg.
De goochelaar gaat een of andere wazige routine opvoeren, die je niet kunt volgen, maar dat maakt niet uit, want je weet toch al hoe het afloopt: aan het eind van het riedeltje zal hij je jouw kaart, de harten zeven, tonen.

Nee.....het is ongelofelijk!
Hoe kan het?
‘Ja,’ roep je uit. ‘Dat was mijn kaart! Echt! Het was de harten zeven! Hoe wist je dat, hoe dééd je dat?’


Nou, en dat vertelt ie dan niet.

Want zo hoort dat, bij goochelen.


Het zal echt aan mij liggen, maar I just don’t get it.
Wat daar leuk aan is.
Misschien omdat ik altijd alles graag wil snappen.
Dat is zo’n beetje mijn drijfveer in het leven. Dus word ik zenuwachtig van iets waarbij het juist de bedoeling is dat je het niet snapt.


Goochelen, dat is alleen maar ter meerdere glorie van de goochelaar zelf.
Knap hoor. Heel knap. Hoe deed je dat? MAAR WAT HEB IK ERAAN?!
Goochelen is de meest egocentrische vorm van performance.
Goochelaars némen alleen maar.
Ze géven niets.
Behalve frustratie.




Dit ook, echt.
Niet te doen.
Haat.Haat.Haat.


dinsdag 20 januari 2015

Karma Police



‘Jij rationeel?’ zei mijn vriendin E. ‘Hahahahaha.’
‘Ehm.’ zei ik. ‘Ja, toch?’
Ik heb een redelijk sceptische, zelfs cynische kijk op de wereld, dacht ik.
En ben best wel wars van melodrama en gewauwel en zweverig gedoe.

‘Hahaha.’ lachte E. nog eens wat.
‘Nee, sorry. Je bent wel cerebraal, je kunt logisch redeneren en dingen goed verwoorden. Maar dat moet je niet verwarren met ratio. Je bent echt niet rationeel.’
Oh.
E. moet u weten, is iemand wiens oordeel ik doorgaans nogal vertrouw en hoog acht.
Dus ik was even in de war.
‘Echt niet?’
‘Nee. Met je kosmos. En je karma.’


Waarschijnlijk heeft ze gelijk.
Ben ik helemaal niet rationeel.
Is het alleen een houding die ik aanneem ten opzichte van mezelf, om niet te verzuipen in alle emotionele chaos.
En ik geloof inderdaad stiekem in karma.
Niet dat ik daarbij dan een of andere hogere entiteit in gedachten heb, die vanaf een wolk punten uitdeelt, maar gewoon. Iets met energie. Als je lieve energie de ether in slingert, dat je dat dan terugkrijgt. Ofzoiets.

Na gisteren weet ik het eigenlijk niet meer zo goed.


Afgelopen vrijdag had ik een portemonnee op straat gevonden en was vervolgens de halve ochtend bezig met het opsporen van de eigenaar. (Gevonden voorwerpen naar het politiebureau brengen kan niet meer, tegenwoordig.)
Het lukte en het leverde me naast de evidente karmapunten ook nog eens 20 euro vindersloon op, die ik voor de zekerheid de volgende dag gebruikte om mijn vriendinnen en hun kinderen te trakteren op koffie en fristi.
Mij zou voorlopig niets gebeuren.



Maar gisteren fietste ik door een rood stoplicht.
Iets wat ik nooit doe.
Niet omdat ik zo braaf ben, of niet heus zelf wel kan inschatten wanneer ik veilig kan oversteken, maar omdat ik kinderen heb. Die ik moet leren voorzichtig te zijn en zich in het verkeer te gedragen als verantwoordelijke weggebruikers. (Totdat ze niet meer zo braaf zijn en 'heus zelf wel kunnen inschatten wanneer ze veilig kunnen oversteken', etc.)

Ik fiets dus sinds ik kinderen heb nooit meer door rood, ook niet - opdat ik me niet kan vergissen – als ze er niet bij zijn.
Hoewel, nu dan toch.
Per ongeluk.
Ik verwachtte dat het groen zou worden en begon alvast te fietsen. Toen ik mijn fout bemerkte was ik al halverwege de straat en fietste toen maar door.
Tsja. Foutje. Maar niet erg, want al het verkeer stond verder nog stil. Niets aan de hand, kortom.
Of toch.
Honderd meter verderop werd ik staande gehouden door de politie.
Neenee, dacht ik.
Neeneeneeneeneenee!
(Hallo? Karma?)

Ik begon te ratelen.
Over hoe ik echt nóóit door rood fiets maar nu per ongeluk dan toch maar dat het echt per óngeluk...
‘U krijgt een bekeuring van 90 euro. Wilt u nog een verklaring afleggen?’
Het bloed steeg naar mijn hoofd.
Négentig fokking euro!?
‘Wat een rotbaan heb jij,’ zei ik.
‘Nee hoor, mevrouw, helemaal niet.'
‘Nou, ik vind het maar gemeen. Een beetje zomaar 90 euro afpakken van onschuldige per ongeluk door het rood fietsende mensen. Ga toch boeven vangen, joh.’
Dat laatste zei ik natuurlijk niet.
Want dat is stom om te zeggen.
Maar ik wou het eigenlijk wel.

‘Het is voor uw eigen veiligheid, mevrouw.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik snap het. Nu ik weet dat het 90 euro kost, zal ik nooit meer per ongeluk door het rood fietsen.’

Als ik boos ben heb ik de neiging om nogal vervelend te worden. Dus ik deed er nog maar een schepje bovenop: Misschien dat het toch ook een klein beetje was om de politiekas te spekken?
Nee, hoe ik daar nou bij kwam.
‘Dus dan mag ik in dat geval ook die 90 euro aan een zwerver geven? Dan loop je even met me mee, dan ga ik pinnen en dan geven we samen 90 euro aan de verkoper van de straatkrant. Dan heb ik toch mijn straf gehad en maken we meteen iemand blij.’
Ik hoorde de karma-kassa alweer rinkelen, onverbeterlijk als ik ben.

Hij vond het niet leuk.
Maar ik ook niet!
Ik moest bijna huilen.
Heel rationeel.

Klik