zondag 24 augustus 2014

Heeft u alles kunnen vinden?


Het was zo’n tweeëneenhalf jaar geleden dat het kassameisje van de Etos ineens aan mij vroeg toen ik wilde afrekenen: ‘Heeft u alles kunnen vinden?’
Ik gok dat ik toen iets heb geantwoord als: ‘Ja hoor.’
En misschien dacht ik: goh, wat vriendelijk.

Maar heel gek: de daaropvolgende keren dat ik bij de Etos was, gebeurde het opnieuw. Verschillende caissières, hetzelfde zinnetje.
Ik besefte: dat moeten ze tegenwoordig zeggen, van de marketingafdeling.


Omdat ik me van dit soort dingen altijd wat ongemakkelijk ga voelen – ik weet niet precies waarom, ik denk dat het een vorm van plaatsvervangende schaamte is – probeerde ik het voor mezelf maar een beetje leuk te maken, door er telkens anders op te reageren.
Om de kassameisjes een beetje te fucken. Door verwarring te zaaien.
(Ik schep een verontrustend genoegen in verwarring zaaien.)


‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Ja, álles.’ (Met een knikje naar het eenzame doosje paracetamol voor me op de toonbank.)

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nou, alles, alles… … alles is wel heel veel hè?’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee. Alleen dit.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee, helemaal niet. Wat zijn jullie slecht gesorteerd zeg. Ik ga de volgende keer naar de DA.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee. Ik wilde ook nog graag shampoo, lippenstift, vitaminepillen en pleisters. Maar dat kon ik allemaal niet vinden en ik durfde er niet naar te vragen. Dus wat fijn dat je erover begint.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nou….. het antwoord op de vraag: "Wat is de zin van het leven?" zag ik nergens. Is dat uitverkocht, of kijk ik in het verkeerde gangpad? Ik dacht, het ligt vast in de buurt van de babyvoeding, of niet?’

Haha. Dat is niet waar hoor. Dat laatste heb ik nooit gezegd. Zelfs mijn irritant-zijn kent grenzen.
Bovendien, hoe simpeler hoe leuker, heb ik gemerkt:

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Hoezo?’ 

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Wat bedoel je precies?’


Inmiddels is de lol eraf.
En kan ik er eigenlijk gewoon niet meer tegen.
Als ik mijn mandje op de toonbank heb gezet moet ik uit alle macht de impuls onderdrukken om mijn vingers in mijn oren te stoppen en heel hard LALALALALALA te zingen.

Want ik wil het niet meer horen.

Ik ben oprecht bang dat ik me op een dag niet meer kan beheersen en roep: ‘JA KUTTEKOP, IK HEB ALLES KUNNEN VINDEN! ZO MOEILIJK IS HET ALLEMAAL NIET! EN ALS IK IETS NIET HAD KUNNEN VINDEN DAN WAS JIJ DE EERSTE DIE HET HAD GEHOORD!’

Dat zou zielig zijn.
En het lijkt me al zo zielig, om zo’n ‘scripted job’ te hebben.
Waarbij tot in de kleinste details wordt voorgeschreven hoe je je werk moet doen, wat je aan moet en wanneer je wat wel en niet mag zeggen. En waarbij geen enkele eigen inbreng wordt gewaardeerd.
Misschien zie ik het verkeerd, maar dat is volgens mij de doodsteek voor je werkplezier.

En wat ik shocking vind: het dient blijkbaar een doel!
Want anders zouden ze het niet nog steeds doen, na tweeëneenhalf jaar.
Het werkt, dat kan niet anders. Uit de cijfers blijkt dat door het stellen van de vraag: ‘Heeft u alles kunnen vinden?’ de omzet is gestegen.

Daar kun je een aantal schrikbarende conclusies uit trekken.

  • Het gebeurt dus best vaak dat mensen iets niet kunnen vinden in de Etos. 
  • Het gebeurt best vaak dat als mensen iets niet kunnen vinden in de Etos, ze dit niet uit zichzelf durven te zeggen tegen het winkelpersoneel.
  • Dit gebeurt zelfs zo vaak, dat de onvermijdelijke omzetdaling door het ergeren van je klanten (ik ga vanaf nu naar de DA, waar ik nog gewoon lekker zelf mag weten of ik alles heb kunnen vinden), niet opweegt tegen de omzetstijging door het ergeren van je klanten. 


Wat ik ook shocking vind is dat de gemiddelde winkelwerknemer zo volgzaam is.
Ik zou het na drie keer al niet meer uit mijn strot kunnen krijgen.
Ik zou me steeds willen verontschuldigen. (‘Heeft u alles kunnen vinden? – ja het spijt me, dat vroeg ik de vorige keer waarschijnlijk ook op dezelfde manier, maar dat moet nou eenmaal.’) 
Ik denk dat ik een button op mijn blauw gestreepte Etos-blouse zou spelden. Met de tekst:
Alles wat ik zeg en doe is me opgedragen door mijn baas, op straffe van ontslag. 
And he’s watching us.

Wat ik trouwens wél een leuke vraag zou vinden voor een drogisterijmedewerker – vroeger hoorde je dat nog wel eens – is: ‘Wilt u een dropje?’

dinsdag 19 augustus 2014

Een naheffingsaanslag


We hadden een bekeuring, vorige week.
Heel klassiek: er zat een bon onder de ruitenwisser van de auto. 
Gewoon voor ons eigen huis.
We wonen in een betaald-parkeren wijk en daarom hebben we een parkeervergunning: een kaartje van de gemeente, waar we een jaarlijks bedrag voor betalen en dat tegen de voorruit van de auto zit geplakt, zodat het goed te zien is voor een eventuele parkeerwachter.

Nou wil de situatie, dat náást onze parkeervergunning nóg een kaartje zit. Een zogenaamde bezoekerspas. Dat is een tweede kaartje, waarmee je 16 uur per week gratis je visite een parkeerplek mag aanbieden in de buurt. Je kunt de kaart aan- en afmelden per telefoon of internet.

Het betreft hier overigens niet onze eigen bezoekerspas (logisch ook, want je bent eigenlijk zelden bij jezelf op visite), maar die van (de parkeerzone van) mijn moeder. Die blijft vaak achter in onze auto, omdat wij eigenlijk de enigen zijn die er gebruik van maken.

Inducerend: wat is er gebeurd? De parkeerwachter keek met zijn neus, focuste zich alleen op de bezoekerspas, scande deze met zijn scanner en constateerde dat ie niet was aangemeld.

Dat durf ik tenminste op te maken uit de tekst op de bon:

Bezoekerspas niet aangemeld.

(Nee, sufferd. En bovendien van een andere wijk!) 

Heel even dacht ik nog naïef: ik bel wel even.
Maar dat kan natuurlijk niet. Bellen over een bekeuring. Gekkie.

Dus – zucht (gedoe weer) – schreef ik een bezwaarschrift.
Dat kan gelukkig tegenwoordig online, door gewoon een formuliertje in te vullen.
(En ergens ook een beetje helaas, want ik vind het dan ook wel weer leuk om volledig los te gaan in zo’n brief. Als het dan toch moet.)

Toen viel mijn oog op het zinnetje onderaan de bon.

Het indienen van een bezwaarschrift houdt niet in dat u uitstel van betaling heeft.

Ja, dacht ik, dat snap ik wel, dat het niet handig is, om telkens een bezwaarprocedure te moeten afwachten, maar hoe verhoudt zich dit eigenlijk met onze rechtsstaat?
Innocent-until-proven-guilty?
Kijk. Ik kan heus die €59,80 wel even voorschieten.
Ik krijg het vast wel weer eens terug.

Maar trek dit nou eens door naar de doodstraf?
Okee, hebben we niet in Nederland, verkeerd voorbeeld, maar toch, voor het plaatje:

‘Ik zie dat u bezwaar heeft gemaakt. U zegt dat u onschuldig bent en daar bewijzen voor heeft, en u heeft misschien best een sterk punt, maar hangende het onderzoek hakken we toch vast even uw hoofd af. Blijkt later dat u inderdaad in uw recht stond, dan sturen we het naar uw huisadres.’ 

Daarom heet zo’n parkeerboete natuurlijk: 'naheffingsaanslag'.
Dat klinkt veel minder alsof het een straf is.

Ik ontving hem vandaag trouwens al, de naheffingsaanslag.
En opnieuw was ik verbaasd over het onderste zinnetje:

Het bedrag dat op de acceptgiro staat vermeld moet direct na ontvangst van de acceptgiro worden voldaan. 

Wuh?
Diréct?
Ik betaal nooit een rekening direct.
En al helemaal niet als ik er zo weinig zin in heb als nu.

Wat is er gebeurd met de minimale betalingstermijn van 30 dagen?
Die geldt dus blijkbaar niet tussen private personen en de overheid?

Nah.

Ze staan gewoon boven de wet, die gemeentelui.
Daar hoor je nou nooit eens iemand over.

maandag 11 augustus 2014

Schoolspullen kopen


Misschien had ik nattigheid moeten voelen toen ik het berichtje las van een vriendin wier dochter ook over twee weken aan de middelbare school begint. ('Vanmiddag schoolspullen gekocht met Vera. Totaal kapot nu.')
Maar ik was naïef en dacht: hoeveel gedoe zou het nou helemaal zijn?
Zo'n paar van die dingetjes kopen?
Gewoon even het lijstje dat we van de school hebben gekregen afwerken?


'Het mag zeker niet bij de Action hè?' informeerde ik nog even voor de zekerheid.
Nee, het mocht niet bij de Action.
We moesten naar de V&D.
Naar de schoolcampus. Natuurlijk.


Wat een crime.
Ik had weer eens iets danig onderschat, bleek.


'Zoek jij even een etui en een paar leuke mappen uit, dan doe ik de saaie dingen wel,' begon ik voortvarend en griste nonchalant een geodriehoek uit een rek.
Wat ook meteen het enige item van de lijst was dat ik op die manier nonchalant kon grissen. Daarna werd het al lastig: zou ik het H3 potlood nemen met de rode achterkant, of die met de groene? Dat moest ik toch eerst even met Bo overleggen.

Maar die had intussen eigen problemen.
‘Hoe kan ik nou ooit kiezen uit drieduizend etuis!' riep ze vertwijfeld, toen ze mij in haar gangpad ontwaarde.
Het arme kind. Behept met haar moeders onvermogen tot beslissen.
En misschien moet het ook allemaal niet onderschat worden hè; de importantie van het selecteren van de juiste schoolspullen. Je hebt er tenslotte een heel imago mee neer te zetten.


Goed, om kort te gaan, twee uur later stapten we met een volle V&D-tas de rugzakkenwinkel binnen. Die hadden we tot het laatst bewaard. Ik ging er maar even bij zitten. En keek toe hoe mijn dochter onverwacht doortastend de keuze vrij snel terugbracht tot twee exemplaren.
Dat schiet op, dacht ik nog.
Maar vervolgens zat het muurvast.
Geen beweging meer in te krijgen.

Het was het moment om een hulplijn in te schakelen.
Ik maakte een foto van de twee rugzakken, plaatste hem op Facebook en nog geen vijf minuten later kon ik melden: 'Facebook zegt links. Die met de sterren.'



Het is zo makkelijk.
Dat internet.
Of je het nou leuk vindt of niet.
Het verandert alles.
Voorgoed.
De muziekindustrie, de boekenmarkt, de hotelbusiness, het bankwezen. Alles.
Alles ís al veranderd.


Behalve het onderwijs dan.


Ja, sorry; eigenlijk was het hele stuk hierboven slechts de opmaat naar iets anders. Ik heb namelijk ergens een probleem mee. Ik hou helemaal niet van moeilijk doen, maar er druist momenteel iets heel erg tegen mijn gezond verstand in.

Naast de geodriehoek, de passer, de etui, de rekenmachine, de pennen, kleurpotloden, viltstiften en 23-rings multomappen stonden er nog een aantal dingen op het lijstje.
Zoals: een drietal woordenboeken. 
En: de 54ste druk van de Grote Geïllustreerde Bosatlas (à €70).

Pfff. Woordenboeken? Een atlas?

Ik heb serieus een paar maanden geleden, ten tijde van de verhuizing, al mijn woordenboeken naar de kringloop gebracht. Allemaal.
Ja, want wat een ballast in de kast, zeg. Waar je nooit iets mee doet.
En ik kan dat weten, want ik gebruik namelijk heel vaak woordenboeken.
Voor vertalingen. En om te weten of een bepaald zelfstandig naamwoord vrouwelijk dan wel mannelijk is, teneinde het juiste betrekkelijk voornaamwoord op te schrijven. En om synoniemen te vinden als ik niet drie keer hetzelfde woord wil gebruiken in een zin.
Echt: ik gebruik heel vaak woordenboeken.
Maar dan wel: ONLINE woordenboeken.
Duh! Het is 2014!

Het alfabetisch bladeren in een woordenboek is een uitstervende vaardigheid.
Waarom zouden we die onze kinderen in de godsnaam nog moeten leren?
Uit misplaatste nostalgie?
Of voor als er straks ineens geen internet meer is?
Haha.
Haha.

Om het over die atlas nog maar helemaal niet te hebben. Want wie van beneden de 80 haalt het nog in zijn hoofd om op te zoeken waar Vladivostok ligt in een fokking átlas?
Daar hebben we toch al lang google maps voor!
Dat wisten mijn kinderen al toen ze drie waren.

Een atlas is een totaal achterhaald medium.
Tegen de tijd dat de nieuwste druk in de winkel ligt heeft er zich alweer ergens een staatje afgescheiden of is er juist weer iets geannexeerd of heeft een nieuwe naam gekregen.....

'Jaja, onderbrak Bo me. 'Maar in de klas heb ik toch geen computer?'

Oké, daar had ze een punt.
En ik dacht: Waarom hebben we niet toch voor die 'laptopschool' gekozen?
En daarna dacht ik: Waarom zijn alle middelbare scholen tegenwoordig geen 'laptopscholen'?

Want…want….. het onderwijs moet kinderen toch klaarstomen voor de maatschappij? Sterker nog: een generatie opleiden die straks de maatschappij draaiend moet houden?
Dan zou het onderwijs toch juist vooróp moeten lopen?
En toch vooral niet achter de feiten aan?

Hallo? Iemand?


Ik capituleerde uiteraard (‘Bo Mekkring, waar is jouw woordenboek?’ ‘Ehm, ik mag geen woordenboeken kopen van mijn moeder, mevrouw.’ Nee. Haha. Dat kan niet.) en stond natuurlijk uiteindelijk toch met de Van Dales bij de kassa.

Maar die atlas? Ik vertik het.
Als ze echt zo’n ding nodig heeft dan gebruikt ze mijn exemplaar maar, uit 1983.
Die is gedateerd, ja.
Maar dat is de 54ste druk ook.


vrijdag 8 augustus 2014

I won the cool kids lottery



Het was een intense en bijzondere vakantie, van uitersten.
Zo zaten we deels (een soort van illegaal, maar het voert te ver om dit uit te leggen) in de meest luxe villa in de Algarve, met uitzicht op zee, een privézwembad en mooi betegelde badkamers, en trokken we deels op primitieve wijze half Portugal door waarbij we ons per trein, bus, boot en al liftend verplaatsten en ’s morgens niet wisten waar we ’s avonds zouden slapen.
Echt heel Interrail 1990.
Maar dan met kinderen.
Wat natuurlijk even een experimentje was, maar als zodanig geslaagd.
En hoe!
Volgend jaar wil ik drie maanden naar India.


Ik heb stapels verhalen, maar laat ik me beperken tot het onbetwiste hoogtepunt van de vakantie: de beste vierentwintig uur die ik ooit op een strand heb doorgebracht.

Door een samenloop van omstandigheden waren we uitgenodigd om met een vriendengroep uit Lissabon mee te gaan op hun jaarlijkse kampeeruitje op het schiereiland Tróia, rondom ‘o concurso coelho.’
The rabbit contest.
Een konijnenproeverij. 
Op het strand.
(Die Paulo Coelho, die heet dus gewoon Paul Konijn.)

Ja, ik begreep het eerst ook niet, hoor.
Maar het is gewoon een enigszins bizarre traditie van een groep mensen, die dit al sinds 1988 doet en inmiddels logischerwijs is uitgebreid met kinderen van allerlei leeftijden.
En dit jaar werden ze dus voor het eerst vergezeld door een op zich ook al wonderlijk gezelschap, bestaande uit een stelletje Nederlanders en een handjevol ‘Hawaïanen’ (mijn zusje was er ook met man en kind!!).

Maar zeg, hee. Hoe. Gaaf.
Aan het eind van de middag liepen we met onze rugzakken een heel eind het strand op en zetten vlak voordat het donker werd onze tentjes op.





Intussen werden er tafels neergezet waarop alle gerechten werden uitgestald. Er waren pasteitjes, stoofpotten, quiches, salades ... je kunt het zo gek niet verzinnen. Allemaal van en met konijn.
En wijn was er natuurlijk ook.
Heel veel wijn.
En toen iedereen was uitgegeten moest er gestemd worden, om te beslissen wie het beste konijnengerecht had gemaakt.
Want dat hoort erbij. Bij de traditie.

En daarna was er natuurlijk een kampvuur, en werden er Portugese liedjes gezongen en een groepje mannen was aan het vissen, met verlichte hengels, we zaten onder de allermooiste sterrenhemel (want echt ver van de bewoonde wereld) en de mensen waren zo leuk….. het was nógal mooi allemaal.

En toen kwam, na een paar niet perse heel comfortabele uurtjes in ons tentje, de zon op.
En dat is dus magisch hè: wakker worden op het strand. Bij de zee.
Ik deed dat al eens vaker, maar ik weet het weer, het is echt….. het allerbeste.




We gingen ontbijten, zwemmen, tentje inpakken, nog wat zwemmen, bodyboarden op de onwaarschijnlijk hoge golven, weer eens wat eten, een beetje in de zon liggen… en namen aan het eind van de middag innig afscheid van de groep om, zanderig en moe van zo’n hele dag op het strand, naar Lissabon te vertrekken.
En na een heus heftig tripje (eerst opgepropt in een busje en vervolgens met de boot, de trein, nog een boot, de metro én de bus) kwamen we diep in de nacht aan bij ons logeeradres. (Leve de airbnb app! Geen reizende nomade kan meer zonder!).





Maar die kinderen hè. Die gaven geen kik. Ze vonden het alleen maar leuk. Ook de Loïs van zes, met haar groene rugzakje.
(Waardoor ik, toen we op een bepaald moment ’s avonds laat door iets stoms een uur vastzaten in het metrostation, enorm hard op mijn tong heb moeten bijten om zelf niet te gaan zeuren.)


* De titel is een variatie op een zin uit het geniale dankwoord in dit fantastische Amerikaanse kinderboek:







maandag 30 juni 2014

Melancholy to the max!

Ik was er even niet.
Tijdje.
Best lang.
Ik dacht zelfs af en toe vertwijfeld: ik ben blogger-af!
Maar dat was misschien voorbarig.

Het ging gewoon even niet; life got me by the balls.
(Ja, dat kán: ik ben namelijk 87% man, bleek laatst uit een testje op Facebook.)




Blogger-af of niet, ik moet natuurlijk wel even wat schrijven over het naderende afscheid.
Van groep 8.
De klas van Bo.
Die over 3 dagen niet meer bestaat.
(Want dan is het vakantie en ná de vakantie vliegt iedereen zo’n beetje uit naar verschillende middelbare scholen; daar zijn er namelijk nogal veel van in Groningen.)

Die klas dus, die groep 8, is echt de leukste van de wereld. Vind ik.
Het is zo’n klas waar je een film over wilt maken. Met allemaal verschillende kinderen die, als het erop aan komt, allemaal voor elkaar zorgen en opkomen, die vanaf groep 4 van alles met elkaar hebben mee gemaakt en één hechte groep vormen.

Nja, misschien bekijk ik het nu wel wat te roze allemaal, van een sentimenteel afstandje.
Hoe dan ook, ik bender een beetje emotioneel van.

Het begon met het schoolkamp, naar Schier.
En eergisteren haar laatste basisschoolfeest.
Gisteren een groeps-afscheidsfeest op de waterskiclub.
Morgen en overmorgen de eindshow (waar keihard aan gewerkt is en die echt supergaaf wordt!)
De kinderen zijn zo intensief met elkaar bezig, je voelt het; de dynamiek in de groep gaat echt naar een climax.

Woensdag is de laatste schooldag.
Dan gaan ze huilen.
Dat is traditie.
Schijnt.
Haha.
Ik vind het mooi.


Terwijl ik me dat dus totaal niet herinner van toen ik de zesde klas verliet. Ik was wel blij dat ik van de club af was, geloof ik. Ik kan me in elk geval geen emotionele taferelen voor de geest halen.
Nja.
Tijden veranderen.
Of misschien heeft mijn dochter gewoon meer mazzel.
Kan ook.

Maar fijn, hè. De basisschool is lief voor haar geweest.



dinsdag 27 mei 2014

Doorgaan is het doel


Het leven is een aaneenschakeling van problemen die opgelost moeten worden.

Net als in dat spelletje Highway, kent u dat nog? Het was een van de allereerste mini-computerspelletjes, uit het begin van de jaren 80.
Een naïef spelletje, net een stapje geavanceerder dan Pong, waarbij je met een autootje een drietal verschillende obstakels – boomtakken, honden en wegwijzers (waarvan ik me altijd heb afgevraagd wat die midden op de weg deden) – moest zien te ontwijken.
De enige tools die je daartoe tot je beschikking had waren twee knopjes, waarmee je het autootje respectievelijk naar rechts en naar links kon laten springen.
En dat deed je dan dus, maniakaal, want je had geen keus.
Nou ja; je kon het natuurlijk ook niet doen, maar dan hield het op.
Game over.

Zo is het ook in het leven. Voortdurend ben je bezig met het ontwijken van obstakels en het oplossen van problemen. Om door te kunnen gaan.

Doorgaan is het doel.
Problemen oplossen, het middel.


(Er zijn natuurlijk ook problemen die niet op te lossen zijn. Die vallen uiteen in twee categorieën; problemen die rechtstreeks leiden naar ‘game over’ en problemen die resulteren in ‘doorgaan met handicap’.)


Zo, ik verslik me weer eens danig in de inleiding, zeg!

Ik wou eigenlijk alleen even vertellen dat ik mijn fietssleutel gisteren ineens kwijt was.
En dat ik dus een probleem had, dat moest worden opgelost en snel een beetje.
Ik heb mijn fiets namelijk nodig, niet alleen als transportmiddel, maar ook op existentieel niveau; mijn fiets is een cruciaal onderdeel van mijn imago.
Maar daar weet u alles van. 




Zondagmiddag lag de sleutel gewoon nog hier, op het plankje in het halletje, naast de zonnebril van Bo. (Als ik door mijn wimpers naar de foto tuur zie ik hem zelfs nog liggen.)

Maar maandagochtend was hij ineens weg.

En wat doe je dan? (Nadat je uiteraard hebt gevloekt en getierd en ge-'maandagochtend wat maak je me nou'-d?) Dan breng je je kind naar school, staand achterop de vouwfiets, als een soort aap op je rug (wat veiligheidshalve vast niet verantwoord was, maar desalniettemin prima ging) en daarna ga je zoeken.
En als zoeken niet helpt, dan ga je mensen whatsappen met de vraag of ze misschien per ongeluk na het feestje van Loïs je fietssleutel hebben meegenomen.
En als je daar maar weer mee ophoudt omdat het stom is, dan heb je gelukkig altijd nog......
Good Old Google!

De woorden 'fietssleutel', 'kwijt' en 'Groningen' boden onmiddellijk soelaas.
(Dat is het leuke hè, van deze tijd. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het bestaat – zelfs dingen die je niet kunt verzinnen bestaan – en je kunt er meestal nog zomaar over beschikken ook! Het wachten is nu nog even op de teleporteermachine.)


Een fietsenmaker op locatie. Bestaat gewoon!
Die kun je bellen, als je pech hebt met je fiets, onderweg of thuis.
En dan komt ie eraan. Om je ketting te repareren, of je band te plakken. Of je slot door te zagen, dus.
Ja, en zónder dat je dus eerst een of ander duur lidmaatschap moet aangaan. Ik bedoel maar, daar kan de wegenwacht nog wat van leren.

Daar was hij al, mijn redder in nood, met een fiets bijna net zo leuk als de mijne. Hij flexte mijn slot open, leende me zijn eigen kettingslot en komt morgen terug om een nieuwe axa-unit te monteren.





En door.



zondag 18 mei 2014

Margriet More

Ik vond een mailtje in mijn inbox met de mededeling dat mijn blog aangeprezen gaat worden in de Margriet More, vergezeld van de vraag of ik t.z.t. een exemplaar wil ontvangen en zo ja, op welk adres.
Het tekstje dat erbij komt, bleek geschreven door iemand die mij behoorlijk goed begrepen heeft. Met juist geciteerde zinnen die ik zelf ook best grappig vond toen ik ze schreef. En als favoriet aangemerkte stukjes die ik zelf ook zou aanbevelen.
Dus ik was wel even in mijn nopjes.
(En voelde ook meteen weer de druk van te weinig bloggen de laatste tijd, maar dat terzijde.)


Maar toen dacht ik vervolgens: de Margriet More? Wát is nou weer de Margriet More?
Margriet dé Moor, die ken ik wel. Haha. Haha.
Flauw.
Natuurlijk, de Margriet, het tijdschrift ken ik heus ook.
Nog altijd in één adem genoemd met de Libelle. Ze zaten vroeger samen in de leesportefeuille van de buurvrouw. Het waren truttige tijdschriften. Misschien dat ze tegenwoordig een stuk hipper zijn geworden, wie weet.
Ik niet, ik ben geen tijdschriftenlezer. Ik lees nooit tijdschriften, behalve een sporadische Linda van een vriendin op het strand en, vooruit, het Volkskrant magazine – als je dat eigenlijk een tijdschrift mag noemen.

Goed, de Margriet weet ik dus.
Maar wat is dan de Margriet More?
Is dat een soort extra Margriet? Wat staat daar dan in dat weer niet in de gewone Margriet kan? (Dat vraag je je dan toch af?)
Of is het een themabijlage?
Een speciale editie voor de Margrietlezer met een maatje meer? (Pitch voor de redactie van Libelle: Plus Size Libelle.)

Ik kan het natuurlijk gewoon even googlen. Ga ik ook doen zo.
Maar ik vond het eerst wel even leuk om er slap over te ouwehoeren.


Eind augustus, dan staat mijn blog in de Margriet More!
Koopt hem allen!
Dan wordt u misschien op een leuk blog gewezen.

Goed verhaal dit.
Doei.
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...