donderdag 2 oktober 2014

Voorlezen


Het is Kinderboekenweek en vanuit groep 3 kwam de vraag wie er in de klas wilde komen voorlezen. En aangezien ik sinds ik me het super-schoolmoederschap heb laten ontglippen in een constante staat van wroeging en schuldgevoel verkeer, vulde ik als eerste mijn naam in op het lijstje. 

Morgen ga ik dus voorlezen, in de klas van Loïs.
Uit Bibi’s Bijzondere Beestenboek, van Bibi Dumon Tak, had ik bedacht.
Dat blijft immers het allerleukste boek om uit voor te lezen.


Achteraf bleek het een heel goede zet om me hiervoor aan te melden. Dan kan ik mooi nog even oefenen; inmiddels weet ik namelijk dat ik dinsdag óók moet voorlezen.
Maar dan op een podium, met een microfoon, voor een zaal vol grote mensen.
Onder wie Gerdi Verbeet.

Aan haar (leuk méns, hè?) wordt die dag het eerste exemplaar van een boek aangeboden: Anders werken – 50 verhalen over sociale innovatie, samengesteld door Aukje Nauta, Guurtje van Sloten en Cristel van de Ven, organisatiepsychologen bij Factor Vijf.

Terwijl ik me achter de schermen wat met dat boek aan het bemoeien was, kreeg ik de vraag om zelf ook een bijdrage in te sturen. Dat deed ik – want ik had best iets te melden over anders werken – en mijn bijdrage werd geselecteerd. Dat vond ik al hartstikke leuk en ik besloot dat ik naar de uitreiking zou gaan, in Maarssen.

Gisteren kreeg ik een mail met het verzoek of ik, naast nog 2 of 3 andere coauteurs, mijn verhaal wilde voorlezen tijdens de boekpresentatie.
Nee! Dacht ik. Nee, help! Ik ga écht niet op een podium mijn verhaal vertellen, dat durf ik helemaal niet!
Dus ik mailde terug: ‘Ja, natuurlijk wil ik dat. Hartstikke leuk!’

Nja. Zo doe ik het altijd maar.

Als ze mijn verhaal niet leuk vinden kan ik altijd nog een stukje uit Bibi’s Bijzondere Beestenboek voordragen.




dinsdag 30 september 2014

Een nieuwe mantra


Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. Alle situaties zijn neutraal. Hoe ik me ertoe verhoud bepaalt of iets negatief of positief is en in welke mate. 

Ik heb een nieuwe mantra.

Hij werkt goed, moet ik zeggen.
Gelukkig maar, want ik heb ook een puber.
We hebben een puber.
In huis. Ineens.
Komt het door de middelbare school?
Of slaan de hormonen gewoon plotseling toe?
Ja, dat laatste natuurlijk.
Dat gebeurt nou eenmaal dan. Als je twaalf, richting dertien bent.

Ik weet nog hoe het was, toen ik zelf in de brugklas zat.

Helaas helpt dat niet.

Toen ik baby’s kreeg wist ik zelf niet meer hoe het was om zelf een baby te zijn; aan je eigen babytijd bewaar je nou eenmaal geen herinneringen. Ik heb niet onthouden hoe het voelt om een luier om te krijgen.
Toen mijn kinderen naar de basisschool gingen tastte ik wat eigen ervaring betreft ook nog redelijk in het duister; hoe het voelde om vier te zijn wist ik ook niet meer, op enkele flarden na.
Nu mijn dochter twaalf is weet ik nog heel goed hoe het was om zelf twaalf te zijn.

Naarmate de tijd verstrijkt kom je dus in je beleving steeds dichter bij je kind.
Maar tegelijkertijd begrijp je er steeds minder van! 

Dat noem ik: de paradox van het grootbrengen.


Afgelopen zondag heb ik ‘een eerste keer’ meegemaakt.
Ik was naar de supermarkt geweest, vlakbij de circusvereniging waar Bo op dat moment aan het trainen was voor haar voorstelling (die op 2 november in première gaat in de Oosterpoort, voor de liefhebber).
Ik dacht: ik ga even kijken. (Wat, buiten dat het me gewoon leuk leek om een stukje van de repetitie te zien, ook heus verantwoord was, aangezien ik in het bestuur zit en er dus best iets te zoeken heb.)

Ik glipte de zaal in, nam plaats op een bankje naast de trainster en keek mee naar hoe de regisseur met de groep bezig was.
Na een minuut of tien, tijdens een scènewisseling, kwam mijn dochter naar me toe en siste tegen me: 'What the fuck doe jij hier!'

What the fuck doe jij hier.
Dat zei ze.
Ik was, serieus, totaal verbluft.
Met name ook omdat het het eerste was dat ze tegen me zei, nadat ik haar twee dagen niet had gezien omdat ze bij een vriendinnetje had gelogeerd.

'Ehm,' mummelde ik.

'Dit is toch gewoon hartstikke gênánt!' siste ze verder.
'"Kijk Bo, daar is je moeder," zeiden ze allemaal. Ik schaam me dóód.'

Joh.
Ja, ik schaamde me ook voor mijn ouders vroeger. Natuurlijk.
Maar dat was…. ánders…. toch?


Gisteren kwam ze thuis met twee mini-behaatjes. Had ze van een vriendin gekregen.
'Dus,’ zei ik, quasi beledigd, 'nu heb je me dat bijzondere moment, samen met mijn dochter naar de stad om haar eerste behaatje te kopen, door de neus geboord?'
De ironie ontging haar, uiteraard.
'Doe niet zo kínderachtig, mam!'

Pff. Het is begonnen.

En iets zegt me dat dit voorlopig wel eens het laatste logje over mijn oudste dochter kon zijn geweest. 

zaterdag 27 september 2014

Novy Zonder Naam


Ik heet Yvon, hoewel sommige mensen me Novy noemen. Dat is mijn eigen schuld, want toen ik op een bepaald moment in een opwelling een blog begon en even snel een alias moest verzinnen, draaide ik uit gemakzucht mijn naam om. Me niet realiserend dat zo’n pseudoniem vervolgens een heel eigen leven zou gaan leiden en mijn identiteit mede zou gaan bepalen.
Maar ik vind het prima, hoor.
Novy of Yvon, het maakt me niets uit, ik luister naar allebei.
En geschreven zie ik nauwelijks het verschil.
Dus.


Maar dan. De achternaam.
Ik héb geen achternaam.
Okee, ik ga momenteel door het leven als Mekkring.
Maar dat is de naam van Henk.
En die van de kinderen.
Dat we allemaal hetzelfde heten is reuze handig, zeg ik altijd. (Maar ik weet eigenlijk niet precies waarvoor.)

Ooit had ik natuurlijk wel een eigen achternaam.
Om eerlijk te zijn; die staat nog steeds op mijn paspoort, maar dat laat ik uiteraard nooit aan iemand zien, behalve op Schiphol.

Het is namelijk een vreselijke naam.
Echt. Ik ben zoveel gepest om mijn achternaam!
En volkomen terecht ook.

Wat niet meehielp: we verhuisden nogal vaak in mijn kinderjaren, waardoor ik me telkens opnieuw moest voorstellen op nieuwe scholen en bij nieuwe sportclubjes.
Náchtmerries had ik ervan.
De lachsalvo’s die steevast volgden op het noemen van mijn naam.

Soms probeerde ik het moment te vermijden door een en ander wat binnensmonds te mompelen, maar daar werd het alleen maar erger van, want dan riep er altijd wel iemand: ‘Yvon wát?’ en dan moest ik het nog een keer zeggen, maar nu heel luid en met ieders volle aandacht.
Haha.
Hoe zal ik het zeggen, met zo'n introductie heb je geen afwijkende uiterlijke kenmerken meer nodig. 

Wat haatte ik mijn naam!
Zoals andere kinderen misschien droomden dat ze kleinere voeten hadden of dunner waren, of net zulke mooie zwarte krullen hadden als Anita, of beter konden rekenen of van de hoge duikplank durfden, wenste ik ’s avonds in bed vurig dat ik gewoon Van Dijk heette.


Ik heb me er wel mee gered hoor, ik had ook weinig keus, maar toen op mijn vijfentwintigste duidelijk werd dat mijn vader mijn vader niet was – iets wat ik zelf altijd al had vermoed – heb ik stante pede afstand gedaan van de naam.
Weg ermee.
Het kwam heel goed uit dat ik toevallig de volgende dag ging trouwen; ik nam gewoon de naam van mijn echtgenoot.

Mekkring.
Heel eerlijk: dat vind ik ook niks.
Voor mij.
Het pást niet bij me.
Maar ja.
Het is allicht anoniemer.


Mijn echte, ‘biologische’, vader heette Hazeleger. Zo had ik dus kunnen heten.
Dat had ik best leuk gevonden.
Hazeleger is óók een rare naam, maar wel leuk raar.
Rabbit-army, zei mijn halfzusje vroeger altijd, toen we kinderen waren en ik nog niet wist dat ze mijn zusje was.


Mijn moeder heet Van Apeldoorn. Dat is eigenlijk de beste naam van allemaal.
Maar Yvon van Apeldoorn? Ik weet het niet. Dat vind ik ook weer gek. Te chic.


Ik ging maar het liefst achternaamloos door het leven.
Met Mekkring voor de situaties waarin men nou eenmaal een achternaam moet hebben.





Als je een encyclopedie hebt geschreven, bijvoorbeeld.
Sorry, slightly off topic, maar het blijft leuk: wereldwijd word ik in online bookstores vermeld als de auteur van de Larousse Wijn Encyclopedie. Wat natuurlijk kolder is, maar gezien de hoeveel bloed, zweet en tranen die de inhoudelijke redactie me heeft gekost, ook weer niet helemáál onterecht... (ik ben nog steeds benieuwd of iemand mijn naam nou eigenlijk per ongeluk of expres naar voren heeft geschoven.)

Het is trouwens best een mooi boek.
Heel dik ook.
En zwaar.
Met heel veel informatie.
Misschien een leuk idee voor Sinterklaas onder de kerstboom, straks?
Ik geef maar een tip.
En geheel belangeloos hè: ik krijg geen royalties.


Edit 29-9: Bizar. Ik wist het niet, maar op de dag dat ik dit schreef overleed mijn naamgenoot, de 'oom die mijn oom niet bleek te zijn', Ik heb hem nog eens geïnterviewd, in 1992. KLIK

woensdag 3 september 2014

Het is best een riskante onderneming om je kind een naam te geven


Er stond heel groot ISIS op de muur van de school geschreven. Met stoepkrijt.
Ik schrok.
En meteen daarna realiseerde ik me: Oja, er zit een Isis in groep 6.
En toen zag ik ook het hartje naast haar naam.
Er zitten hier heus geen ISIS sympathisanten op school, gekkie. 

Bovendien heet ISIS tegenwoordig IS.
Het blijft even gruwelijk wat ze doen, maar toch: fijn voor de Isissen op deze wereld.
Want ik moet bekennen dat ik de laatste tijd een kleine steek van medelijden voelde als ik de moeder van Isis zag, op het plein.
Zo heb ik het ook een tijd een beetje zielig gevonden voor mensen die Joran heetten.
En als iemand zich voorstelt als Martijn, moet ik altijd eerst even door die pedoclub heen.
(Zoals er, maar dat is van een wat andere orde, nog steeds als ik hoor dat iemand Tina heet, onwillekeurig door mijn hoofd schiet: ‘Was kosten die Kondome?’)

Het is, als je erover nadenkt, best een riskante onderneming om je kind een naam te geven.

Uiteraard: geen weldenkend mens noemt zijn kind Adolf.
Dat mag geloof ik zelfs niet, in Nederland.
Maar je kunt geen rekening houden met wat er gebeurt, nádat je de geboorte van je kind bij de burgerlijke stand hebt gemeld!
Je noemt je schattige baby’tje Tristan, en een paar jaar later schiet ene Tristan van der V het publiek van een winkelcentrum aan flarden.
Wel, gódver!

Je zwarte Suzuki kun je nog verkopen, of overspuiten, maar je kind een andere naam geven omdat er van de ene op de andere dag een (breed maatschappelijk gedragen) nare associatie aan kleeft, dat doe je niet snel.

Dus wat doe je dan wel, als ouder, in zo’n geval?
Of wat doe je zelf, als je eigen naam in meer of mindere mate bezoedeld wordt?
Dan sta je daar bóven.

Natuurlijk.
Want duh.

Daarom hoef ik ook geen medelijden met de moeder van Isis te hebben.
Dat is zelfs redelijk aanmatigend, goed bekeken.


En daar dacht ik zo eens wat over na.

zondag 24 augustus 2014

Heeft u alles kunnen vinden?


Het was zo’n tweeëneenhalf jaar geleden dat het kassameisje van de Etos ineens aan mij vroeg toen ik wilde afrekenen: ‘Heeft u alles kunnen vinden?’
Ik gok dat ik toen iets heb geantwoord als: ‘Ja hoor.’
En misschien dacht ik: goh, wat vriendelijk.

Maar heel gek: de daaropvolgende keren dat ik bij de Etos was, gebeurde het opnieuw. Verschillende caissières, hetzelfde zinnetje.
Ik besefte: dat moeten ze tegenwoordig zeggen, van de marketingafdeling.


Omdat ik me van dit soort dingen altijd wat ongemakkelijk ga voelen – ik weet niet precies waarom, ik denk dat het een vorm van plaatsvervangende schaamte is – probeerde ik het voor mezelf maar een beetje leuk te maken, door er telkens anders op te reageren.
Om de kassameisjes een beetje te fucken. Door verwarring te zaaien.
(Ik schep een verontrustend genoegen in verwarring zaaien.)


‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Ja, álles.’ (Met een knikje naar het eenzame doosje paracetamol voor me op de toonbank.)

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nou, alles, alles… … alles is wel heel veel hè?’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee. Alleen dit.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee, helemaal niet. Wat zijn jullie slecht gesorteerd zeg. Ik ga de volgende keer naar de DA.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nee. Ik wilde ook nog graag shampoo, lippenstift, vitaminepillen en pleisters. Maar dat kon ik allemaal niet vinden en ik durfde er niet naar te vragen. Dus wat fijn dat je erover begint.’

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Nou….. het antwoord op de vraag: "Wat is de zin van het leven?" zag ik nergens. Is dat uitverkocht, of kijk ik in het verkeerde gangpad? Ik dacht, het ligt vast in de buurt van de babyvoeding, of niet?’

Haha. Dat is niet waar hoor. Dat laatste heb ik nooit gezegd. Zelfs mijn irritant-zijn kent grenzen.
Bovendien, hoe simpeler hoe leuker, heb ik gemerkt:

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Hoezo?’ 

‘Heeft u alles kunnen vinden?’
‘Wat bedoel je precies?’


Inmiddels is de lol eraf.
En kan ik er eigenlijk gewoon niet meer tegen.
Als ik mijn mandje op de toonbank heb gezet moet ik uit alle macht de impuls onderdrukken om mijn vingers in mijn oren te stoppen en heel hard LALALALALALA te zingen.

Want ik wil het niet meer horen.

Ik ben oprecht bang dat ik me op een dag niet meer kan beheersen en roep: ‘JA KUTTEKOP, IK HEB ALLES KUNNEN VINDEN! ZO MOEILIJK IS HET ALLEMAAL NIET! EN ALS IK IETS NIET HAD KUNNEN VINDEN DAN WAS JIJ DE EERSTE DIE HET HAD GEHOORD!’

Dat zou zielig zijn.
En het lijkt me al zo zielig, om zo’n ‘scripted job’ te hebben.
Waarbij tot in de kleinste details wordt voorgeschreven hoe je je werk moet doen, wat je aan moet en wanneer je wat wel en niet mag zeggen. En waarbij geen enkele eigen inbreng wordt gewaardeerd.
Misschien zie ik het verkeerd, maar dat is volgens mij de doodsteek voor je werkplezier.

En wat ik shocking vind: het dient blijkbaar een doel!
Want anders zouden ze het niet nog steeds doen, na tweeëneenhalf jaar.
Het werkt, dat kan niet anders. Uit de cijfers blijkt dat door het stellen van de vraag: ‘Heeft u alles kunnen vinden?’ de omzet is gestegen.

Daar kun je een aantal schrikbarende conclusies uit trekken.

  • Het gebeurt dus best vaak dat mensen iets niet kunnen vinden in de Etos. 
  • Het gebeurt best vaak dat als mensen iets niet kunnen vinden in de Etos, ze dit niet uit zichzelf durven te zeggen tegen het winkelpersoneel.
  • Dit gebeurt zelfs zo vaak, dat de onvermijdelijke omzetdaling door het ergeren van je klanten (ik ga vanaf nu naar de DA, waar ik nog gewoon lekker zelf mag weten of ik alles heb kunnen vinden), niet opweegt tegen de omzetstijging door het ergeren van je klanten. 


Wat ik ook shocking vind is dat de gemiddelde winkelwerknemer zo volgzaam is.
Ik zou het na drie keer al niet meer uit mijn strot kunnen krijgen.
Ik zou me steeds willen verontschuldigen. (‘Heeft u alles kunnen vinden? – ja het spijt me, dat vroeg ik de vorige keer waarschijnlijk ook op dezelfde manier, maar dat moet nou eenmaal.’) 
Ik denk dat ik een button op mijn blauw gestreepte Etos-blouse zou spelden. Met de tekst:
Alles wat ik zeg en doe is me opgedragen door mijn baas, op straffe van ontslag. 
And he’s watching us.

Wat ik trouwens wél een leuke vraag zou vinden voor een drogisterijmedewerker – vroeger hoorde je dat nog wel eens – is: ‘Wilt u een dropje?’

dinsdag 19 augustus 2014

Een naheffingsaanslag


We hadden een bekeuring, vorige week.
Heel klassiek: er zat een bon onder de ruitenwisser van de auto. 
Gewoon voor ons eigen huis.
We wonen in een betaald-parkeren wijk en daarom hebben we een parkeervergunning: een kaartje van de gemeente, waar we een jaarlijks bedrag voor betalen en dat tegen de voorruit van de auto zit geplakt, zodat het goed te zien is voor een eventuele parkeerwachter.

Nou wil de situatie, dat náást onze parkeervergunning nóg een kaartje zit. Een zogenaamde bezoekerspas. Dat is een tweede kaartje, waarmee je 16 uur per week gratis je visite een parkeerplek mag aanbieden in de buurt. Je kunt de kaart aan- en afmelden per telefoon of internet.

Het betreft hier overigens niet onze eigen bezoekerspas (logisch ook, want je bent eigenlijk zelden bij jezelf op visite), maar die van (de parkeerzone van) mijn moeder. Die blijft vaak achter in onze auto, omdat wij eigenlijk de enigen zijn die er gebruik van maken.

Inducerend: wat is er gebeurd? De parkeerwachter keek met zijn neus, focuste zich alleen op de bezoekerspas, scande deze met zijn scanner en constateerde dat ie niet was aangemeld.

Dat durf ik tenminste op te maken uit de tekst op de bon:

Bezoekerspas niet aangemeld.

(Nee, sufferd. En bovendien van een andere wijk!) 

Heel even dacht ik nog naïef: ik bel wel even.
Maar dat kan natuurlijk niet. Bellen over een bekeuring. Gekkie.

Dus – zucht (gedoe weer) – schreef ik een bezwaarschrift.
Dat kan gelukkig tegenwoordig online, door gewoon een formuliertje in te vullen.
(En ergens ook een beetje helaas, want ik vind het dan ook wel weer leuk om volledig los te gaan in zo’n brief. Als het dan toch moet.)

Toen viel mijn oog op het zinnetje onderaan de bon.

Het indienen van een bezwaarschrift houdt niet in dat u uitstel van betaling heeft.

Ja, dacht ik, dat snap ik wel, dat het niet handig is, om telkens een bezwaarprocedure te moeten afwachten, maar hoe verhoudt zich dit eigenlijk met onze rechtsstaat?
Innocent-until-proven-guilty?
Kijk. Ik kan heus die €59,80 wel even voorschieten.
Ik krijg het vast wel weer eens terug.

Maar trek dit nou eens door naar de doodstraf?
Okee, hebben we niet in Nederland, verkeerd voorbeeld, maar toch, voor het plaatje:

‘Ik zie dat u bezwaar heeft gemaakt. U zegt dat u onschuldig bent en daar bewijzen voor heeft, en u heeft misschien best een sterk punt, maar hangende het onderzoek hakken we toch vast even uw hoofd af. Blijkt later dat u inderdaad in uw recht stond, dan sturen we het naar uw huisadres.’ 

Daarom heet zo’n parkeerboete natuurlijk: 'naheffingsaanslag'.
Dat klinkt veel minder alsof het een straf is.

Ik ontving hem vandaag trouwens al, de naheffingsaanslag.
En opnieuw was ik verbaasd over het onderste zinnetje:

Het bedrag dat op de acceptgiro staat vermeld moet direct na ontvangst van de acceptgiro worden voldaan. 

Wuh?
Diréct?
Ik betaal nooit een rekening direct.
En al helemaal niet als ik er zo weinig zin in heb als nu.

Wat is er gebeurd met de minimale betalingstermijn van 30 dagen?
Die geldt dus blijkbaar niet tussen private personen en de overheid?

Nah.

Ze staan gewoon boven de wet, die gemeentelui.
Daar hoor je nou nooit eens iemand over.

maandag 11 augustus 2014

Schoolspullen kopen


Misschien had ik nattigheid moeten voelen toen ik het berichtje las van een vriendin wier dochter ook over twee weken aan de middelbare school begint. ('Vanmiddag schoolspullen gekocht met Vera. Totaal kapot nu.')
Maar ik was naïef en dacht: hoeveel gedoe zou het nou helemaal zijn?
Zo'n paar van die dingetjes kopen?
Gewoon even het lijstje dat we van de school hebben gekregen afwerken?


'Het mag zeker niet bij de Action hè?' informeerde ik nog even voor de zekerheid.
Nee, het mocht niet bij de Action.
We moesten naar de V&D.
Naar de schoolcampus. Natuurlijk.


Wat een crime.
Ik had weer eens iets danig onderschat, bleek.


'Zoek jij even een etui en een paar leuke mappen uit, dan doe ik de saaie dingen wel,' begon ik voortvarend en griste nonchalant een geodriehoek uit een rek.
Wat ook meteen het enige item van de lijst was dat ik op die manier nonchalant kon grissen. Daarna werd het al lastig: zou ik het 3h potlood nemen met de rode achterkant, of die met de groene? Dat moest ik toch eerst even met Bo overleggen.

Maar die had intussen eigen problemen.
‘Hoe kan ik nou ooit kiezen uit drieduizend etuis!' riep ze vertwijfeld, toen ze mij in haar gangpad ontwaarde.
Het arme kind. Behept met haar moeders onvermogen tot beslissen.
En misschien moet het ook allemaal niet onderschat worden hè; de importantie van het selecteren van de juiste schoolspullen. Je hebt er tenslotte een heel imago mee neer te zetten.


Goed, om kort te gaan, twee uur later stapten we met een volle V&D-tas de rugzakkenwinkel binnen.
Die hadden we tot het laatst bewaard.
Ik ging er maar even bij zitten. En keek toe hoe mijn dochter onverwacht doortastend de keuze vrij snel terugbracht tot twee exemplaren.
Dat schiet op, dacht ik nog.
Maar vervolgens zat het muurvast.
Geen beweging meer in te krijgen.

Het was het moment om een hulplijn in te schakelen.
Ik maakte een foto van de twee rugzakken, plaatste hem op Facebook en nog geen vijf minuten later kon ik melden: 'Facebook zegt links. Die met de sterren.'



Het is zo makkelijk.
Dat internet.
Of je het nou leuk vindt of niet.
Het verandert alles.
Voorgoed.
De muziekindustrie, de boekenmarkt, de hotelbusiness, het bankwezen. Alles.
Alles ís al veranderd.


Behalve het onderwijs dan.


Ja, sorry; eigenlijk was het hele stuk hierboven slechts de opmaat naar iets anders. Ik heb namelijk ergens een probleem mee. Ik hou helemaal niet van moeilijk doen, maar er druist momenteel iets heel erg tegen mijn gezond verstand in.

Naast de geodriehoek, de passer, de etui, de rekenmachine, de pennen, kleurpotloden, viltstiften en 23-rings multomappen stonden er nog een aantal dingen op het lijstje.
Zoals: een drietal woordenboeken. 
En: de 54ste druk van de Grote Geïllustreerde Bosatlas (à €70).

Pfff. Woordenboeken? Een atlas?

Ik heb serieus een paar maanden geleden, ten tijde van de verhuizing, al mijn woordenboeken naar de kringloop gebracht. Allemaal.
Ja, want wat een ballast in de kast, zeg. Waar je nooit iets mee doet.
En ik kan dat weten, want ik gebruik namelijk heel vaak woordenboeken.
Voor vertalingen. En om te weten of een bepaald zelfstandig naamwoord vrouwelijk dan wel mannelijk is, teneinde het juiste betrekkelijk voornaamwoord op te schrijven. En om synoniemen te vinden als ik niet drie keer hetzelfde woord wil gebruiken in een zin.
Echt: ik gebruik heel vaak woordenboeken.
Maar dan wel: ONLINE woordenboeken.
Duh! Het is 2014!

Het alfabetisch bladeren in een woordenboek is een uitstervende vaardigheid.
Waarom zouden we die onze kinderen in de godsnaam nog moeten leren?
Uit misplaatste nostalgie?
Of voor als er straks ineens geen internet meer is?
Haha.
Haha.

Om het over die atlas nog maar helemaal niet te hebben. Want wie van beneden de 80 haalt het nog in zijn hoofd om op te zoeken waar Vladivostok ligt in een fokking átlas?
Daar hebben we toch al lang google maps voor!
Dat wisten mijn kinderen al toen ze drie waren.

Een atlas is een totaal achterhaald medium.
Tegen de tijd dat de nieuwste druk in de winkel ligt heeft er zich alweer ergens een staatje afgescheiden of is er juist weer iets geannexeerd of heeft een nieuwe naam gekregen.....

'Jaja, onderbrak Bo me. 'Maar in de klas heb ik toch geen computer?'

Oké, daar had ze een punt.
En ik dacht: Waarom hebben we niet toch voor die 'laptopschool' gekozen?
En daarna dacht ik: Waarom zijn alle middelbare scholen tegenwoordig geen 'laptopscholen'?

Want…want….. het onderwijs moet kinderen toch klaarstomen voor de maatschappij? Sterker nog: een generatie opleiden die straks de maatschappij draaiend moet houden?
Dan zou het onderwijs toch juist vooróp moeten lopen?
En toch vooral niet achter de feiten aan?

Hallo? Iemand?


Ik capituleerde uiteraard (‘Bo Mekkring, waar is jouw woordenboek?’ ‘Ehm, ik mag geen woordenboeken kopen van mijn moeder, mevrouw.’ Nee. Haha. Dat kan niet.) en stond uiteindelijk toch met de Van Dales bij de kassa.

Maar die atlas? Ik vertik het.
Als ze echt zo’n ding nodig heeft dan gebruikt ze mijn exemplaar maar, uit 1983.
Die is gedateerd, ja.
Maar dat is de 54ste druk ook.


Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...