woensdag 17 december 2014

Chikungunya


Ik heb een nieuw woordje geleerd! Chikungunya.
Het lijkt eerst een beetje een moeilijk, maar als je het een keer of honderd hebt uitgesproken gaat het best.
Tsjie-koen-koen-ja.

Ik had er nooit van gehoord.
Tot iemand me dit nieuwsbericht stuurde, gisteren.




Dit heb ik weer, dacht ik
Want ik ga namelijk over tien dagen naar Curaçao. (Voor mijn werk!)

Ik ging ook eens naar Hawaii en toen vroeg iemand een week voor mijn vertrek of ik wel wist dat Noord Korea een atoombom op Hawaii wilde gooien.
Toen dacht ik ook: dat heb ik weer.

Nou was dat met die bom destijds alleszins meegevallen, dus ik besloot in eerste instantie dat het met die tijgermug ook wel zou loslopen.

Maar vandaag ging ik me toch maar even wat meer in verdiepen in de toestand en werd daar niet vrolijk van: de toeristenbranche probeert een en ander nog wat te verdoezelen, maar fokking bijna iedereen is ziek daaro! Of wordt het binnenkort.
Bijna al die klotemuggen dragen dat virus bij zich.
Dus als je geprikt wordt ben je de lul.
Oftewel, zoals het in plaatje hieronder staat geschreven, dan ben je flink aan de beurt.



Misschien vindt u het zeikerig, maar ik ben nogal bang voor ziek.
Ik kreeg eens een keer eerder een virus en lag vervolgens zeven jaar in bed.

Dus stel nou dat ik dit krijg – en dat is zeker niet ondenkbaar – en dat het dan ook meteen weer heel erg wordt (dat zul je namelijk weer net zien) en dat ik dan een jaar lang met vreselijke gewrichtspijn rondloop en weet ik veel wat voor andere shit. 
Dat zou toch minstens niet tof zijn! Want hoe moet dat dan? Ik heb geen baas bij wie ik me ziek kan melden. Ik heb als mini-zelfstandige geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. En wel drie kinderen, die me momenteel nogal hard nodig hebben.

Los daarvan: Hoe leuk ga ik het daar hebben? Als ik de hele dag bang moet zijn dat ik geprikt word?
Staat zo'n verblijf dan niet in het teken van de muggenparanoia?
Het beest steekt overdag dus er wordt aangeraden om tussen 11 en 17 uur bedekkende kleding en dichte schoenen te dragen.

Even kijken.
Ik ga naar Curaçao en neem mee: mijn bikini, een snorkel, zomerjurkjes en slippers. bedekkende kleding en dichte schoenen.

En je moet je de hele dag insmeren! Met eucalyptusolie. En deet.
(Daarmee komt het ineens weer goed uit dat je geen slippers mag dragen, want deet eet plastic! Zoiets las ik, vandaag, enfin.)

Ik las veel.
Alles wat ik maar kon vinden over Chikungunya.
Horror-stories voornamelijk, over helse pijn en jeuk en koorts en maandenlange ellende.
En ook een paar geruststellender berichten als stel je niet aan, kom lekker genieten en zorg gewoon dat je niet geprikt wordt.
Ik las dat de universiteit van Wageningen heeft ontdekt hoe het virus werkt, over kruidenvrouwtjes die papajabladeren gebruiken als alternatief medicijn en ook heel veel horror stories, over helse pijn en jeuk en koorts en maandenlange ellende.

 Zucht. Wat moet ik nou weer doen dan.

woensdag 26 november 2014

Canto Ostinato

Als ik niet in de jaren 70/80 op school had gezeten maar nu, dan was ik ongetwijfeld gediagnosticeerd geweest met ADHD.
Of met ADD in elk geval.
En dan had ik wellicht aan de Ritalin of iets dergelijks gezeten en had ik vast niet zo’n boeiend geestesleven gehad. (Ahum.)

Nee, onzin natuurlijk, maar ik heb inderdaad wel een beetje een lastig hoofd, dat moeite heeft met concentreren en makkelijk afgeleid raakt – en dan met name door interne processen.

Ook schijn ik regelmatig op mensen over te komen als vluchtig en ongeïnteresseerd.
En dat ís niet zo, ik ben wel degelijk (juist!) geïnteresseerd in mensen en hun verhalen, maar ik heb blijkbaar een nogal snelle processor: als iemand iets vertelt heb ik heel gauw het plaatje compleet; ik snap het, het is me duidelijk, dus hop, door met het volgende.
En dat resulteert er soms letterlijk in dat ik midden in een gesprek over iets anders begin, of – nog erger – me omdraai om met iemand anders te gaan praten.
Sinds mensen me hierop hebben gewezen probeer ik er bewust rekening mee te houden. Door gewoon wat langer aandacht te veinzen.

Zo bestaat mijn dagelijkse leven uit nog heel wat meer kunstgrepen.
Twintig jaar geleden ontdekte ik de Canto Ostinato, van Simeon ten Holt. Voor wie het niet kent; het is een moderne, minimalistische pianocompositie voor twee (of vier) piano’s met een nogal koppig (obstinaat) repeterend ritme dat stug vijfenzeventig minuten doorgaat - althans, op mijn cd. (Sinds zaterdag weet ik dat het stuk een variabele lengte heeft van één uur tot enkele uren, afhankelijk van hoe lang de pianisten in bepaalde secties blijven hangen.)

De Canto Ostinato is mijn ultieme 'lifehack'.
Hij is in staat om mijn gedachtenstromen te temperen, als ik dat zelf niet voor elkaar krijg, bijvoorbeeld in periodes van emotionele stress. Het is alsof het stuk precies het ritme heeft van mijn hersengolven, maar dan tegengesteld, als een soort anti-trilling, waardoor rust ontstaat.
Okee, dat klinkt tamelijk bullshitty, maar het is een feit dat als ik die muziek aanzet, ik ineens kan focussen. En dat kan heel handig zijn, als er – ik noem maar wat – geld verdiend moet worden met schrijven.


Afgelopen zaterdag heb ik de Canto Ostinato voor het eerst live gehoord en gezien.
In een prachtige kerk in Diever, waar hij werd gespeeld door Philine Coops en Afke Wiersma.
Ik gebruik het woord 'magisch' niet graag voor dingen die niets met tovenarij te maken hebben, maar dit was magisch.

Twee prachtige glimmende vleugels, midden in de kerk, die klanken verspreidden die ik zo goed ken en waar ik zo van hou.

Ik voelde me bijna een beetje schuldig; ik was eigenlijk vergeten hoe het was om er met volle aandacht naar te luisteren, nadat ik het de afgelopen honderd keer slechts had gebruikt als onrust-demper. Ik was vergeten wat een hypnotiserende trip het is, hoe het me door allerlei emoties trekt en me uiteindelijk als herboren, of hoe zeg je dat, gereinigd, achterlaat.

(Dit maakt me een ‘onderbuikse’ muziekgenieter, volgens Emanuel Overbeeke, die over de Canto zegt: ‘Dit is muziek voor overwegend twijfelende en sterk met de onderbuik voelende wezens, die eerder ontroering dan esthetiek zoeken, meer dan voor ‘bovenbuikse’ kunstgenieters.’ Nou, goed dan. (Haha: een twijfelend wezen.))

Visueel was het overigens ook fantastisch. Omdat de compositie veel vrijheid laat aan de musici (die zelf mogen bepalen waar ze accenten leggen, of ze bepaalde delen met één of twee handen spelen, maar ook hoe ze met herhalingen omgaan en waar de overgangen worden gemaakt) staat of valt de uitvoering met de communicatie tussen de pianisten. Die communicatie verloopt grotendeels via de muziek zelf, maar wordt aangevuld met minimaal oogcontact en hoofdbewegingen. Fascinerend. Sowieso al, om naar mensen te kijken die met een soort marathon bezig zijn, in opperste concentratie, bij wie je de spanning en ontspanning afwisselend over het gezicht ziet trekken – en soms zelfs verbazing; omdat er blijkbaar iets ontstond wat nog niet eerder gebeurde.


Ik was zo in vervoering, dat ik gewoon even naar adem moest happen toen na 110 minuten (bijna twee uur) het abrupte einde klonk.

En toen barstte een applaus los, van wel tien minuten. Een staande ovatie, door mensen die van pure verrukking opsprongen omdat ze gewoonweg niet kónden blijven zitten. (Om even het verschil aan te geven met de min of meer obligate staande ovatie die tegenwoordig de norm lijkt te zijn geworden in theaters.)


Het was een van de mooiste muzikale ervaringen van mijn leven.
Dus daarom, ook al denkt u waarschijnlijk mens, wat zit je nou toch lyrisch te wauwelen over een pianoconcert, moest ik het toch maar even vertellen.


woensdag 19 november 2014

Een kijkje achter de schermen van een handelsmerk


Achteraf zou je kunnen zeggen dat de dag dat mijn fiets gestolen werd, acht jaar geleden, mijn geluksdag was.

Uiteraard vond ik dat eerst niet. Integendeel: ik was woedend! En dat werd nog erger toen ik in een steegje verderop de kinderzitjes terugvond, netjes gedemonteerd en wel.
Een fiets van een moeder jatten, tsk! Stelletje eikels.
Ik ben hem nog gaan zoeken in de stad, tegen beter weten in. En toen ik me erbij had neergelegd dat ik hem niet meer zou terugvinden, bedacht ik een list.
Omdenken heet dat tegenwoordig.
De dief had me een prachtige kans gegeven: ik mocht nu op zoek naar een leukere fiets. (Wat niet zo moeilijk was, want ook al was het gestolen object dan zo'n fancy 'mamafiets', het was eigenlijk maar een lelijk ding.)

Ik had nog geen idee hoe mijn leukere fiets eruit zou moeten zien, maar de volgende dag vond ik hem.
Tegen de gevel van de fietsenwinkel stond een groot, rood gevaarte met een stalen mand voorop met daarin een enorme plant. Als een soort uithangbord. Winkelpui-versiering.
'Ja,' zei ik. 'Die.'
'Jij bent gek,' zei Henk.
Gelukkig zag de meneer van de fietsenwinkel dat het menens was en was hij bereid de plant eruit te tillen en zijn decorstuk aan mij te verkopen.
Een waarachtig mooie daad: het was namelijk het begin van een grote liefde.


Mijn fiets is mijn logo geworden. Mijn handelsmerk.
Zowel op internet als in het fysieke leven.
Nog steeds, bijna dagelijks, wijzen mensen ernaar op straat, maken leuke opmerkingen of staan uitgebreid foto's te maken als ik even een winkel in ben geweest. (Dat heb ik serieus al drie keer beleefd en het waren elke keer Duitsers. Ik weet niet of dat iets betekent.)
En ja, dat blijft leuk. Ook al vind ik mijn fiets dan, hoewel nog steeds fantastisch, inmiddels doodnormaal; ik heb hem al acht jaar, tenslotte.

Naast leuk, is hij met name reuze handig. Zo is de ijzeren mand bijvoorbeeld bijna even groot als een winkelwagentje, zodat je in de supermarkt altijd weet hoeveel je kunt hamsteren. Bovendien kan ik er een, twee, drie, vier kindjes op vervoeren. En dat komt goed uit, met al die vriendinnetjes van Loïs.
Mijn fiets is een onmisbaar element in mijn leven.
Ik begrijp echt niet hoe andere mensen – mensen zonder mijn fiets – de dingen gedaan krijgen.

En er zijn meer voordelen! Ik kan hem altijd vinden. Ik ben hem nooit kwijt, bij de bioscoop of het zwembad.
En hij wordt nooit gestolen. Dat is tenminste tot nu toe gebleken. Ik heb besloten dat dat komt doordat hij A) loodzwaar is, B) nogal opvalt en C)  er op het eerste gezicht niet uitziet als iets waar je op durft te fietsen.


Een ode aan mijn fiets, in foto's.
Oftewel: Mijn fiets, door de jaren heen.


Merlijn, 3 jaar oud, slapend.
Maxicosi
Boodschappen
Boodschappen + kind

bike wash


winterbanden
Picknicken
Bezoek van de dokter


 En eigenlijk zijn dit de leukste foto's: waarop mijn fiets stiekem aan het photobomben is.








maandag 10 november 2014

Over een camper, een stommiteit en een dochter met humor




Ik deed weer eens iets doms.
Twee maanden geleden al, maar ik had nog geen zin om erover te vertellen, omdat ik hardnekkig in de ontkenning zat.
Inmiddels is het zo goed als opgelost, dus nu dan toch maar. Geen leuker vermaak dan leedvermaak, tenslotte.


Ik had een camper geleend, om mee naar een festival in een bos in Drenthe te rijden.
De camper was niet voor mij, maar voor hem en haar en hun kleine baby'tje.

(Zelf sliep ik in een mini-tentje ernaast. En de laatste twee nachten in onze eigen Volvo, toen mijn gezin zich bij me had gevoegd. Wat eigenlijk ook een fantastische kampeerwagen is, zo'n Volvo. Waarin gewoon twee matjes in de volle lengte naast elkaar kunnen liggen, als je de achterbank plat legt. Maar dit terzijde.)

Ik verbleef dus niet in de camper, maar mocht er wel in rijden! En dat is leuk, joh!
Zo'n rijdend huisje, met een keukentje en een bed, staat garant voor een instant vakantiegevoel.

Er was me natuurlijk van alles uitgelegd. Over de elektra, de werking van het kraantje, hoe het dak omhoog moest, het bed uitgeklapt, enzovoort. En ik had heel goed opgelet; het was namelijk hartstikke lief dat ik die camper zomaar mocht lenen, ik wilde er heel voorzichtig mee zijn.
En het ging ook allemaal heel goed!

Tot op de terugweg.
Toen we stopten om te tanken.

Context-informatie: Ik was erg blij en gelukkig en nog behoorlijk onder de indruk en in de ban van een geweldig leuk en mooi festival. Ik zweefde, zogezegd.

Ik zweefde dus naar buiten, draaide de tankdop open, stak het dieselpistool naar binnen en kneep erin.
Gek.
Er gebeurde niets; de meter ging niet lopen.
Dus ik kneep nog maar eens.
Niets.

Toen viel mijn oog op nóg een tankdop.
Kut, dacht ik.
En kwam met een klap terug op aarde.
Snel herstelde ik mijn fout, schroefde de juiste dop open en terwijl bij het tanken nu wél de meter ging lopen, dacht ik koortsachtig na.
Dan was die andere vast van het water.
Ja, ik wist het weer. De grijze dop, die was van de watertank.

Paniek en ontkenning vochten om voorrang.
Het is vast niet zo erg, hield ik mezelf rustig. Er is vast niets in het water terechtgekomen. Of in elk geval niet meer dan een klein beetje; het tanken lukte immers niet.
Maar tegelijkertijd snapte ik natuurlijk heus wel dat, ook al ging het maar om één druppel, het hartstikke mis was. Want diesel, dat is vreselijk vies vettig rotspul.
Ruikt ook nogal sterk.
Wil je niet in je drinkwater.

(Zeg nou zelf, het ís toch ook ingewikkeld!)

De ontkenning won. Nipt, maar desalniettemin. Ik weigerde gewoon om het mooie festival te laten bezoedelen!
Ik zou dat varkentje gewoon even wassen. Gewoon even door de zure appel heen bijten; bij het retourneren van de camper eerlijk opbiechten wat er is gebeurd, beloven dat het goed komt en het dan gewoon even oplossen.

Oplossen begint tegenwoordig bij Google.
(En je vindt er nog gratis troost ook! Want als je ziet dat er discussieplatforms bestaan met titels als: 'Diesel in de watertank van de camper. Wat nu?' dan weet je dat je niet de enige sukkel bent.)
Ik leerde dat er meerdere remedies waren, te weten:
- Iets heel duurs, dat volgens de gebruikersrecensies heel goed werkte;
- Iets veel goedkopers, dat volgens de gebruikersrecensies ook heel goed werkte;
- Steradent.

Ik voelde onmiddellijk voor de Steradent (zoals een wijs mens ooit zei: 'De beste oplossingen voor een probleem binnen een bepaald vakgebied zijn vaak te vinden in een ander vakgebied,') maar besloot in overleg met de eigenaar van de camper eerst de officiële (niet zo dure) watertankreiniger te proberen.
Ik bestelde een flesje, dat na een paar dagen werd bezorgd, en in het eerstvolgende weekend haalde ik de camper op en gingen we voortvarend aan de slag. (We, ja. Want Henk ging me vanzelfsprekend helpen. In voor- en tegenspoed, hè. In gemeenschap van goederen én stommiteiten.)

Het procedé was simpel. Gewoon het flesje leeggieten in een driekwart gevulde watertank en dan een eindje gaan rijden. Beetje veel remmen en optrekken en scherpe bochten maken en voilà: alles brandschoon. Like magic.

Ik had zo mijn twijfels.
Want terwijl we de tank hadden laten leeglopen op de stoep voor ons huis, waren we erachter gekomen dat er misschien toch een beetje méér diesel in het water zat dan die ene druppel waarop ik mijn hoop had gevestigd.
Maar, wie weet.

We gingen dus een eindje rijden, Bo en ik.
Eerst vijf rondjes rond de rotonde (ik kon de neiging onderdrukken om daarna nog vijf rondjes in de andere richting te rijden) en toen de stad uit.
En ook al had ik een hard hoofd in de effectiviteit van de expeditie, het was opnieuw leuk om met de camper op pad te zijn. We waren weer even op vakantie, ditmaal in het Groninger Ommeland. Met een heel nostalgisch cassettebandje van Van Dik Hout in de autoradio.


Hierna werd het trouwens allengs minder.
Na een paar uur kwamen we terug en lieten – immer nog hopend op een wonder – de tank leeglopen.
Helaas: we tapten nog steeds dieselwater.
Optimistisch besloten we nog dat alles heus goed zou komen als we gewoon nog een paar keer de tank zouden doorspoelen en toen …… deed ineens het kraantje het niet meer.
De pomp had het begeven.
Natuurlijk.
Zo gaan die dingen.
De moed zonk me in de schoenen.

Ik keek naar die camper, die al de hele dag op de stoep stond, naar de tuinslang door het huis naar de kraan in de keuken… alles was nat en stonk naar diesel…. en na een hele dag klooien was alles alleen maar erger geworden. (En ik had eerlijk gezegd ook nog een beetje een kater, want het was de dag na het verjaardagsfeest van Henk.)

Net toen ik overwoog om een zenuwinzinking te krijgen, redde Bo het moment met de opmerking: 'Misschien moeten we Petrus Campersingel veranderen in Petrus Campersingel.'

Haha.

Als je een dochter hebt met humor, dan hoef je nooit ergens bang voor te zijn.
Dus ik herpakte mezelf en we gaven niet op.
We (we = Henk) demonteerden de watertank om het project rustig voort te zetten in de badkamer. Waar we uiteindelijk de diesellucht bedwongen met… Steradent.


(Het is best grappig, trouwens, 30 buisjes Steradent kopen bij de supermarkt. En dat de kassière dan gewoon, met een stalen gezicht, 30 keer bliep doet. Zonder iets te vragen.)






Eergisteren haalde ik de camper weer op en plaatsten we de tank terug.
Nu alleen nog even een nieuw pompje bestellen en klaar.
Hèhè.
Pff.


(Misschien hadden we Loïs meteen vanaf het begin de leiding moeten geven.)

Je zou denken dat ik inmiddels geen camper meer kan zien.
Maar integendeel, ik wil nu eigenlijk zelf een camper.
Ik woon niet voor niets aan de Petrus Campersingel.
En ik weet ook al in welk gat de diesel moet.

dinsdag 28 oktober 2014

Het magazijn


Vorige week waren we in Amsterdam voor de cursus Leer mediteren in 1 dag, van Robert Bridgeman, een bijzondere man met een bijzonder verhaal, die op een totaal niet goeroe-achtige manier zijn ervaring, kennis en inzichten deelt.

We hadden hem leren kennen op een festival in het bos in Drenthe, vorige maand. Eigenlijk bij toeval belandden we daar bij hem in een sessie; een bijna letterlijk mindblowing experience, waarbij ik – hoe zal ik het zeggen – een glimp heb opgevangen van wat er mogelijk is; waar geest en lichaam toe in staat zijn.

(Bridgeman zelf beklom dit jaar samen met Wim Hof (The Iceman) en een groep patiënten van allerlei pluimage, de Kilimanjaro. In een korte broek, met ontbloot bovenlijf en binnen 48 uur. Zonder te bevriezen van de kou (-20˚ C is het daar boven) en zonder last te krijgen van hoogteziekte, dankzij meditatie en bepaalde ademhalingstechnieken. Ik bedoel, dat is best opmerkelijk, toch?)

Omdat een aantal enthousiast geworden mensen waaronder Henk en ik hier meer van wilden weten, besloten we met z’n allen naar die dag in Amsterdam te gaan.
(En dat is best grappig, als je weet dat ik tot voor kort iemand was die alleen al van het woord yoga de slappe lach kreeg – wat dat betreft ben ik een echte Nederlander, het schijnt namelijk dat Nederland het land op de wereld is met het hoogste wantrouwen jegens meditatie en aanverwante zaken.)

Inmiddels weet ik: meditatie is helemaal niet zweverig.
Integendeel. De zegen komt niet van boven, maar van binnen.
Het gaat erom dat je bewust wordt van je lichaam en je brein. Van de processen die er zich afspelen. En dan is het uiteindelijk de bedoeling dat je zo ver naar binnen gaat dat je eenheid ervaart. Met alles. (Maar dat is voor gevorderden.)
Waar het in principe om gaat is het volgende (en dat is tevens de definitie van 'mindfulness'):

Volledig aanwezig zijn in het nu,
zonder oordeel, aandacht geven aan wat er gebeurt.

Aanwezig zijn in het nu, dat doe je in eerste instantie door je te concentreren op je ademhaling. Dat is een handige truc, want gedachten hebben vaak betrekking op het verleden of de toekomst, maar ademen doe je altijd ‘nu’.
En ik dacht dus altijd dat je vervolgens je hoofd moest leegmaken.
En dat leek me zo’n gedoe!
Ik zou dan de hele tijd gaan zitten denken over het leegmaken van mijn hoofd.
(‘Ojee, nou denk ik weer dat ik niet mag denken dat ik denk’, dat idee.)
Maar gelukkig heb ik nu geleerd: Je mag best denken, want ja: denken is er nou eenmaal.
Het gaat er alleen om dat je een gedachte herkent als zodanig, denkt: Hee, een gedachte! en haar vervolgens weer loslaat en terugkeert naar je ademhaling.
En dan schijnt het dus zo te zijn dat je na enige oefening gedachtes al kan zien aankomen voor je ze daadwerkelijk hebt en dat ze uiteindelijk – maar dat is voor échte gevorderden – helemaal verdwijnen tijdens het mediteren.

Het logo van de Bridgeman Methode is de olifant. Die staat symbool voor het onderbewuste; dat grote ding, dat 95% van je brein uitmaakt, en waar je gevoelens en verlangens zitten. Dit limbisch systeem – een oeroud systeem; primitieve zoogdieren in de prehistorie hadden het al – is in feite maar op één ding ingesteld: genot zoeken en pijn vermijden. En dat genot zoeken en pijn vermijden willen we nog steeds, maar omdat we inmiddels ook een ontwikkelde cortex bezitten, kunnen we nadenken en andere beslissingen maken, omdat we bijvoorbeeld weten dat nu genot zoeken niet handig is voor later. (De olifant wil een pak chocoladekoekjes leegeten, maar je doet het niet omdat je weet dat je dan straks misselijk bent.)

Ik ben over het algemeen veel te soft voor mijn olifant. Ik mag van mezelf drinken en roken en ik hoef niet te sporten en niet zo vaak te stofzuigen.
En ik dacht altijd dat dat gewoon lui en dom was, maar het zit dus anders: ik geef mijn olifant gewoon teveel zijn zin. En waarom doe ik dat eigenlijk? Ik ben toch de baas?

Nja, als ik het zo opschrijf is het nogal een open deur, maar de metafoor maakte het ineens zo inzichtelijk!

Met meditatie train je dus onder andere om je olifant de baas te worden. (En niet met de zweep, maar liefdevol. Want je houdt natuurlijk van je olifant: het is jouw olifant tenslotte. En het is net als met een huisdier; een opgevoede hond is een veel leukere hond.)
Tijdens het mediteren zit je heel lang in één houding.
En dat is ergens best ongemakkelijk, vooral in het begin.
Er komt altijd een moment dat je denkt: Au, ik krijg pijn in mijn rug. Of: mijn voet ligt niet lekker. 
Dan wil je eigenlijk gaan verzitten. Oftewel: je olifant (pijn vermijden!) wil dat je gaat verzitten.
Maar dat hoef je niet te doen! Nee! Je kunt ook gewoon denken: Hee, ik heb pijn in mijn rug. Er is pijn. Dat mag er zijn.
Of je krijgt ineens kriebel aan je wang. Je olifant wil dat je gaat krabben. Maar dat hoeft niet! Je kunt ook gewoon denken: Hee, er is jeuk. Dat mag er zijn. (Dat magazijn, versta ik steeds.)

Maar goed. Het is dus nu de bedoeling dat we het geleerde in praktijk gaan brengen. Thuis. Volgens een vierweeks programma, om mee te beginnen.
Om elkaar wat te motiveren hebben we een whatsapp-groep opgericht.
En tsja.
Hoe zal ik het zeggen: de anderen doen het iets beter dan ik.
Ik heb nogal een sterke olifant, denk ik. En die heeft helemaal geen zin om een kwartier stil te zitten. Ik heb al vier van de negen dagen overgeslagen.
En als ik het wel braaf deed, bereikte het niet helemaal het juiste doel, geloof ik. Want als het belletje gaat en je je bij het openen van je ogen realiseert dat je heerlijk een kwartier hebt zitten nadenken over wat je allemaal nog moet doen, dan gaat er iets niet helemaal goed.
Haha.
Het zal nog even duren eer ik verlicht ben, vrees ik.


Maar vanochtend was ik bij de mondhygiëniste. En terwijl ik achterover lag in de stoel besloot ik maar eens wat te oefenen met het een en ander.
Ik concentreerde me op mijn ademhaling. Op het rijzen en dalen van mijn buik.
Ik probeerde volledig aanwezig te zijn in het toen.
En zonder oordeel, aandacht te geven aan wat er gebeurde.

Dus toen de mondhygiëniste haar haakje op een bepaald moment wel erg diep in mijn tandvlees stak, dacht ik: hee, er is pijn. Maar dat mag er zijn!
En toen ze even daarna haar zuigapparaat zo diep achter in mijn keel stak dat het een kokhalsreflex opwekte, dacht ik: hee, een kokhalsreflex! Daar hoef ik niks mee. Het mag er zijn!

donderdag 23 oktober 2014

Hoe ik ruzie kreeg met mijn moeder over Zwarte Piet


Ik was afgelopen maandag met de kinderen op bezoek bij mijn moeder en bladerde door de Volkskrant. Dat doe ik altijd als ik daar ben; ik vind het fijn om af en toe nog eens door een krant te bladeren, nu ik thuis het nieuws alleen online lees.

Mijn oog viel op een column van René Cuperus, met de titel: 'Zwarte Piet vermoordt Sinterklaas.' Verdorie, dacht ik. Daar gaat iemand met mijn grapje aan de haal.
Hetzelfde zinnetje had ik pas ook bedacht, namelijk. Het had een leuke blogtitel kunnen zijn, als ik niet had besloten niets over Zwarte Piet en die hele toestand te schrijven.

Want wat zou het toevoegen. Alles is er inmiddels wel over gezegd. Alle argumenten en drogredenen zijn voorbij gekomen, historici hebben zich ermee bemoeid en BN-ers en onpartijdige allochtonen, er zijn Kamervragen geweest, er zijn (letterlijk) misselijkmakende compromissen bedacht in de vorm van stroopwafelpieten, iedere mogelijke woordspeling is gemaakt (al zie ik helaas weinig gesodemijter langs komen), het is een herhaling van zetten.
En het heeft allemaal geen zin.

Nico Dijkshoorn deed in DWDD nog een dappere poging de focus te verleggen, wat érg leuk was – ik blijf voor me zien hoe Nico z’n knie kapot valt – maar minstens zo vergeefs.
Het komt niet meer goed. We zitten in een impasse.
Een patstelling, waar voorlopig geen beweging meer in te krijgen is.
Cuperus besluit zijn overigens scherpe analyse met de oplossing: Makkers staakt uw wild geraas. Als slotzinnetje geslaagd, maar inhoudelijk een beetje te makkelijk: het geraas gaat natuurlijk niet gestaakt worden.
En zeker niet meer voor december.

‘De wereld staat in brand, er is Ebola en IS en wij maken ons hier een beetje druk om de kleur van een fantasiefiguur.’ Dat vind ik ook nogal een dooddoener, eerlijk gezegd.
Het klopt, het ís bizar, maar intussen hebben we er wel last van!
De middenstand zit met de handen in het haar, een heleboel ouders van kleine kinderen weten het ook allemaal niet meer zo goed, en onschuldig is het al lang niet meer: lees maar eens de reacties onder een willekeurig artikel over het onderwerp, dan kun je griezelen!
Er komen ineens een heleboel onderliggende gevoelens van medelanders aan het licht.
Tot voor kort had Zwarte Piet niets met discriminatie te maken; het overgrote deel van de Sinterklaasvierende Nederlanders – waaronder ik - was zich daar althans niet van bewust. Maar inmiddels legt ie wel als een soort excuusnegertje het smeulend racisme in ons land bloot.

Zwarte Piet heeft zijn onschuld verloren. De Zwarte Piet van vóór de discussie had van mij best mogen blijven, maar de lading die hij onderhand heeft gekregen maakt dat ie wat mij betreft nu weg moet.
(Het is geloof ik nog simpeler: er komt zoveel lelijke, ongenuanceerde schreeuwerigheid uit het pro-kamp, daar wil ik gewoon niet bij horen.)

Hoe de meningen verdeeld zijn laat zich overigens niet makkelijk voorspellen, heb ik gemerkt.
Mijn gewoonte om op het gebied van normen, waarden en overtuigingen de mensheid grofweg in te delen in ‘OSM’ en ‘hullie’ gaat ineens niet op in deze. Het is misschien niet heel sterk, maar als ik een mening ben toegedaan, dan word ik daarin graag bevestigd door mijn 'peergroup' – en ik kwam al een paar keer bedrogen uit.
Toen ik hoorde dat de Hema Zwarte Piet in de ban ging doen dacht ik: Mooi. Ik hou van de Hema, de Hema denkt er net zo over als ik, dus de wereld klopt.
De pro-Zwarte Piet-column van Herman Sandman, een schrijver wiens stukjes ik graag lees omdat hij een ‘mooie kijk op de mensen en de dingen heeft', bracht die wereld weer aan het wankelen.


Maar het ging nog veel dichterbij mis.


‘Nah,’ zei ik. ‘Daar gaat iemand met mijn grapje aan de haal. Zwarte Piet vermoordt Sinterklaas. Dat had ik ook bedacht.’

‘Ja, belachelijk, hè,’ zei mijn moeder. 'Dat gedoe.'
‘Ja,’ zei ik. Nietsvermoedend.
En toen kwam het.
‘Zwarte Piet heeft toch helemaal niets met slavernij te maken!’
‘Huh?’ zei ik. ‘Natuurlijk heeft zwarte Piet wel met slavernij te maken! Niet bewust met racisme ofzo, maar écht wel met slavernij!’
En toen kregen we een ordinaire ruzie.
Waarbij het Suikerfeest ook nog om de hoek kwam kijken (‘Mam! Hallo? Het zijn niet de moslims die zich gediscrimineerd voelen, maar de mensen met Afrikaanse roots.’) en ik haar adviseerde om vooral maar op Wilders te gaan stemmen en zij logischerwijs boos werd omdat ik haar rechts noemde want ze las heus een linkse krant en ‘Sylvia Witteman is ook niet anti-Zwarte Piet’ (‘Nou, op Twitter anders wel!’) etc. Nja, het was niet heel elegant allemaal.

Maar ik stond ook echt perplex! Niet eens zozeer omdat we het meestal wel redelijk met elkaar eens zijn en nu ineens niet, maar vanwege het vuur waarmee ze Zwarte Piet verdedigde!
Terwijl ik me niet bepaald kan herinneren dat het Sinterklaasfeest in ons gezin vroeger nou zo’n big deal was. Ja hoor, we vierden pakjesavond en ik zette mijn schoen, maar dat was het dan wel.
(Ik ben Sinterklaas pas echt leuk gaan vinden in mijn studententijd – mijn hoogtijdagen op het gebied van surprises en gedichten.) 


‘Waarom was je nou zo boos op oma?’ vroegen de kinderen in de auto terug.
‘Omdat ik oma nog serieus neem, jongens.’
En dat vond ik best een goed antwoord, maar tegelijkertijd ook een beetje arrogant.
Want eigenlijk was het gewoon stom.
Wie gaat er nou ruzie maken over Zwarte Piet.
(...)

Sorry, mam.


donderdag 2 oktober 2014

Voorlezen


Het is Kinderboekenweek en vanuit groep 3 kwam de vraag wie er in de klas wilde komen voorlezen. En aangezien ik sinds ik me het super-schoolmoederschap heb laten ontglippen in een constante staat van wroeging en schuldgevoel verkeer, vulde ik als eerste mijn naam in op het lijstje. 

Morgen ga ik dus voorlezen, in de klas van Loïs.
Uit Bibi’s Bijzondere Beestenboek, van Bibi Dumon Tak, had ik bedacht.
Dat blijft immers het allerleukste boek om uit voor te lezen.


Achteraf bleek het een heel goede zet om me hiervoor aan te melden. Dan kan ik mooi nog even oefenen; inmiddels weet ik namelijk dat ik dinsdag óók moet voorlezen.
Maar dan op een podium, met een microfoon, voor een zaal vol grote mensen.
Onder wie Gerdi Verbeet.

Aan haar (leuk méns, hè?) wordt die dag het eerste exemplaar van een boek aangeboden: Anders werken – 50 verhalen over sociale innovatie, samengesteld door Aukje Nauta, Guurtje van Sloten en Cristel van de Ven, organisatiepsychologen bij Factor Vijf.

Terwijl ik me achter de schermen wat met dat boek aan het bemoeien was, kreeg ik de vraag om zelf ook een bijdrage in te sturen. Dat deed ik – want ik had best iets te melden over anders werken – en mijn bijdrage werd geselecteerd. Dat vond ik al hartstikke leuk en ik besloot dat ik naar de uitreiking zou gaan, in Maarssen.

Gisteren kreeg ik een mail met het verzoek of ik, naast nog 2 of 3 andere coauteurs, mijn verhaal wilde voorlezen tijdens de boekpresentatie.
Nee! Dacht ik. Nee, help! Ik ga écht niet op een podium mijn verhaal vertellen, dat durf ik helemaal niet!
Dus ik mailde terug: ‘Ja, natuurlijk wil ik dat. Hartstikke leuk!’

Nja. Zo doe ik het altijd maar.

Als ze mijn verhaal niet leuk vinden kan ik altijd nog een stukje uit Bibi’s Bijzondere Beestenboek voordragen.