dinsdag 20 januari 2015

Karma Police



‘Jij rationeel?’ zei mijn vriendin E. ‘Hahahahaha.’
‘Ehm.’ zei ik. ‘Ja, toch?’
Ik heb een redelijk sceptische, zelfs cynische kijk op de wereld, dacht ik.
En ben best wel wars van melodrama en gewauwel en zweverig gedoe.

‘Hahaha.’ lachte E. nog eens wat.
‘Nee, sorry. Je bent wel cerebraal, je kunt logisch redeneren en dingen goed verwoorden. Maar dat moet je niet verwarren met ratio. Je bent echt niet rationeel.’
Oh.
E. moet u weten, is iemand wiens oordeel ik doorgaans nogal vertrouw en hoog acht.
Dus ik was even in de war.
‘Echt niet?’
‘Nee. Met je kosmos. En je karma.’


Waarschijnlijk heeft ze gelijk.
Ben ik helemaal niet rationeel.
Is het alleen een houding die ik aanneem ten opzichte van mezelf, om niet te verzuipen in alle emotionele chaos.
En ik geloof inderdaad stiekem in karma.
Niet dat ik daarbij dan een of andere hogere entiteit in gedachten heb, die vanaf een wolk punten uitdeelt, maar gewoon. Iets met energie. Als je lieve energie de ether in slingert, dat je dat dan terugkrijgt. Ofzoiets.

Na gisteren weet ik het eigenlijk niet meer zo goed.


Afgelopen vrijdag had ik een portemonnee op straat gevonden en was vervolgens de halve ochtend bezig met het opsporen van de eigenaar. (Gevonden voorwerpen naar het politiebureau brengen kan niet meer, tegenwoordig.)
Het lukte en het leverde me naast de evidente karmapunten ook nog eens 20 euro vindersloon op, die ik voor de zekerheid de volgende dag gebruikte om mijn vriendinnen en hun kinderen te trakteren op koffie en fristi.
Mij zou voorlopig niets gebeuren.



Maar gisteren fietste ik door een rood stoplicht.
Iets wat ik nooit doe.
Niet omdat ik zo braaf ben, of niet heus zelf wel kan inschatten wanneer ik veilig kan oversteken, maar omdat ik kinderen heb. Die ik moet leren voorzichtig te zijn en zich in het verkeer te gedragen als verantwoordelijke weggebruikers. (Totdat ze niet meer zo braaf zijn en 'heus zelf wel kunnen inschatten wanneer ze veilig kunnen oversteken', etc.)

Ik fiets dus sinds ik kinderen heb nooit meer door rood, ook niet - opdat ik me niet kan vergissen – als ze er niet bij zijn.
Hoewel, nu dan toch.
Per ongeluk.
Ik verwachtte dat het groen zou worden en begon alvast te fietsen. Toen ik mijn fout bemerkte was ik al halverwege de straat en fietste toen maar door.
Tsja. Foutje. Maar niet erg, want al het verkeer stond verder nog stil. Niets aan de hand, kortom.
Of toch.
Honderd meter verderop werd ik staande gehouden door de politie.
Neenee, dacht ik.
Neeneeneeneeneenee!
(Hallo? Karma?)

Ik begon te ratelen.
Over hoe ik echt nóóit door rood fiets maar nu per ongeluk dan toch maar dat het echt per óngeluk...
‘U krijgt een bekeuring van 90 euro. Wilt u nog een verklaring afleggen?’
Het bloed steeg naar mijn hoofd.
Négentig fokking euro!?
‘Wat een rotbaan heb jij,’ zei ik.
‘Nee hoor, mevrouw, helemaal niet.'
‘Nou, ik vind het maar gemeen. Een beetje zomaar 90 euro afpakken van onschuldige per ongeluk door het rood fietsende mensen. Ga toch boeven vangen, joh.’
Dat laatste zei ik natuurlijk niet.
Want dat is stom om te zeggen.
Maar ik wou het eigenlijk wel.

‘Het is voor uw eigen veiligheid, mevrouw.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik snap het. Nu ik weet dat het 90 euro kost, zal ik nooit meer per ongeluk door het rood fietsen.’

Als ik boos ben heb ik de neiging om nogal vervelend te worden. Dus ik deed er nog maar een schepje bovenop: Misschien dat het toch ook een klein beetje was om de politiekas te spekken?
Nee, hoe ik daar nou bij kwam.
‘Dus dan mag ik in dat geval ook die 90 euro aan een zwerver geven? Dan loop je even met me mee, dan ga ik pinnen en dan geven we samen 90 euro aan de verkoper van de straatkrant. Dan heb ik toch mijn straf gehad en maken we meteen iemand blij.’
Ik hoorde de karma-kassa alweer rinkelen, onverbeterlijk als ik ben.

Hij vond het niet leuk.
Maar ik ook niet!
Ik moest bijna huilen.
Heel rationeel.

Klik

zondag 4 januari 2015

Het nieuwe jaar beginnen met een dood paard is nooit grappig

Terwijl ik hier wat aan het afzien ben op Curaçao, in een heel naar en ellendig huis met zwembad aan zee, moet ik toch nog even wat vertellen over Oud&Nieuw.

Het was namelijk een van de raarste jaarwisselingen die ik ooit meemaakte.
De raarste, wilde ik eerst schrijven, maar dat is niet waar, want dertien jaar geleden werd in de betreffende feestnacht mijn dochter geboren, en dat was ook best apart.
Maar desalniettemin, het was raar.
En niet per se leuk.
Maar wel onvergetelijk.

We waren traditiegetrouw in Diever, bij onze lieve vrienden in hun fantastische huis aan de rand van het bos. Er waren nog wat mensen, waarmee ons gezelschap uit 7 volwassenen en 13 kinderen bestond. Dit is overigens niet relevant voor het verhaal, maar het schept even een kader.

Om een uur of 9 ‘s avonds gingen we met z’n allen naar buiten, om alvast wat sterretjes en klein vuurwerk af te steken. Een uur later ging een groot deel – met name de kleinere kinderen – weer naar binnen, om warm te worden bij de kachel en spelletjes te doen.
Een paar mensen bleven buiten, onder wie ik.
We hadden een vuurkorf op straat gezet en een driezitsbank uit de schuur gesleept en zaten heerlijk te praten bij het vuur, onder een dekentje, in ons coconnetje aan het einde van de wereld.

En toen.
Gebeurde er iets.
Het licht ging aan.
Aan de overkant van de weg.
Véél licht; het was de rijbakverlichting van het ernaast gelegen paardenpension.
Alsof we ineens op de tribune van een voetbalstadion zaten; heel surreëel.

Er klonken paniekerige stemmen en toen kwamen er mensen naar buiten met twee paarden.
Even nog dachten we dat ze gewoon wat onrustig waren geworden van het geknal in de omgeving en daarom uit de stal waren gehaald, maar al snel bleek dat een van de paarden koliek had; het andere paard was slechts mee ter geruststelling.
Koliek, bij een paard, is meestal niet zo'n goed ding. Dat wordt nogal eens veroorzaakt door een slag in de darm en dan betekent het vaak: einde oefening.
(Ik weet een beetje van paarden. Vanuit mijn jeugd. Nja.)
Het enige dat nog wel eens wil helpen is lopen, het dier in beweging houden, in de hoop dat de darm zich daardoor op de een of andere manier weer ontvouwt.

Daar zaten we dus plotseling, bij het vuur, op de bank, onder ons dekentje, naar de doodstrijd van een paard te kijken. Als ramptoeristen tegen wil en dank.
Het was echt afschuwelijk.
De pijn van dat paard.
Dat steeds door zijn benen wilde zakken om te gaan liggen, wat de mensen dan dus probeerden te voorkomen, tevergeefs, waarna men met man en macht probeerde het dier weer omhoog te krijgen, wat dan lukte, waarna het paard opnieuw wilde gaan liggen, etc, etc.

Het was niet om aan te zien.
Maar toch blijven kijken, hè.
En intussen van de zenuwen maar stomme grappen maken. Want dat soort mensen zijn we; situaties kunnen niet zo erg zijn of we kunnen er wel de slappe lach van krijgen.

Een bizarre bijkomstigheid was dat er constant wensballonnen overvlogen.
Die waren zeker in de aanbieding geweest bij het plaatselijke warenhuis.
'Misschien dat iemand even kan gaan wensen dat dit paard het redt?' opperden we zo wat tegen elkaar. Maar het leek er meer op dat de mensen die de ballonnen oplieten collectief de wens ‘dood aan de paarden’ hadden uitgesproken.
Want het schouwspel werd almaar akeliger.

En toen was het ineens 12 uur.
En was onze dochter jarig.
En wensten we elkaar allemaal een gelukkig nieuwjaar.
Maar de sfeer bleef nogal bedrukt.

Om tien over twaalf zagen we hoe de veearts het paard uit zijn gruwelijke lijden verloste.
Het was in zekere zin een opluchting, maar ook nogal cru. In zo’n vers jaar.
En het is ook meteen zo véél, hè, wat er dan sterft. Zo’n heel paard.
Er werd een deken overheen gegooid en de mensen die zo hard had gevochten om het dier te redden, liepen naar binnen, verslagen, de hoofden gebogen, een waarachtige rouwstoet.

De voorstelling was afgelopen.
Maar het toneellicht bleef aan.
Zodat we nog een tijdje naar een soort Edward Hopper schilderij zaten te kijken, als luguber decor van het drama dat zich er zojuist had afgespeeld.






‘Jeetje man, een dood paard.’ 
‘Ja.’ 
(.....)
‘Moet je niet aan gaan trekken, hè.’ 
‘Nee.’ 
(.....)


zaterdag 27 december 2014

Van de vinger en de speld

Had ik de grap al verteld van de vrouw die haar vinger tussen de achterklep van haar auto kreeg? Omdat ze er in een vlaag van verstandsverbijstering vanuit ging dat hij die de klep dichtgooide wel zou zien dat ze nog even haar hand naar binnen stak om een omvallende tas recht te zetten? In het donker, langs een drukke weg in de stromende regen?
Ja.
Nou, dat deed dus pijn. Best wel.

Maar goed, hij zat er nog aan, de vinger, dus om hij die de klep dichtgooide zich niet al te lullig te laten voelen – en niet in de stress te brengen; hij die de klep dichtgooide was namelijk een opdrachtgever die me net gevraagd had een heleboel voor hem te gaan typen – kermde ik zo wat, maar reed toch dapper en grappend met hem door de avondspits naar het zwembad met achterin twee kindjes.
(Ik had een werkbespreking bedacht op de tribune bij de zwemles van mijn jongste dochter en haar vriendinnetje. Om een en ander wat te combineren. Dat lijkt misschien een beetje gek, maar in het licht van de onwaarschijnlijke hectiek van de laatste weken voor de kerstvakantie, lag het echt alleszins voor de hand.)

Maar goed, die vinger dus, die deed goed pijn. Werd ook meteen blauw en dik.

Inmiddels is dit ruim twee weken geleden.
Het doet niet echt pijn meer, behalve – en dan helaas ook meteen heel erg – als ik per ongeluk met mijn knokkel iets aanraak. Of als ik per ongeluk iets te stevig vastpak.
En ook al ben ik voorzichtig, het gebeurt toch steeds.
Gemiddeld 10 keer per dag ga ik 2 minuten lang het liefst dood.
En als ik naar buiten ga, en het is koud, dan wordt een heel gedeelte van mijn vinger spierwit.
Het is een 'vegetatieve ontregeling als gevolg van het trauma,' zegt de fysiotherapeut.
Bij wie ik overigens was voor mijn schouder, die ook pijn doet. Al maanden.
Haha.

Maar ik zie het maar zo: kan ik vast een beetje oefenen voor als ik straks misschien die knokkelkoorts oploop, of hoe heet die stomme ziekte.

Want ik ga natuurlijk gewoon hè, naar Curaçao. Duh.

De strijd om de beslissing werd uiteindelijk beslecht door een bizarre psychologische kronkel waar ik op stuitte.
Kijk.
De mensen met wie ik daar ga zijn en werken, die gaan namelijk gewoon wel.
En als ik zou besluiten om niet te gaan – naar dat lekker warme eiland in de Caraïben waar ik al heel lang dolgraag eens naartoe wil – dan zou ik waarschijnlijk best balen als ik naderhand zou horen: ‘Nou, niemand ziek geworden hoor en bijna geen mug gezien. Je had gewoon mee moeten gaan.’
Maar keer dat om, dan zou ik dus in feite hopen dat in elk geval een van hen ziek terug zou komen...? Om me bevestigd te zien in mijn keuze?

Dat vond ik zo’n onthutsende gedachte!
Dat zou me een heel naar mens maken! 

Dus daarom ga ik.
Ik kan er zelf geen speld tussen krijgen.


Een mooie jaarwisseling gewenst!
Tot volgend jaar!

woensdag 17 december 2014

Chikungunya


Ik heb een nieuw woordje geleerd! Chikungunya.
Het lijkt eerst een beetje een moeilijk, maar als je het een keer of honderd hebt uitgesproken gaat het best.
Tsjie-koen-koen-ja.

Ik had er nooit van gehoord.
Tot iemand me dit nieuwsbericht stuurde, gisteren.




Dit heb ik weer, dacht ik
Want ik ga namelijk over tien dagen naar Curaçao. (Voor mijn werk!)

Ik ging ook eens naar Hawaii en toen vroeg iemand een week voor mijn vertrek of ik wel wist dat Noord Korea een atoombom op Hawaii wilde gooien.
Toen dacht ik ook: dat heb ik weer.

Nou was dat met die bom destijds alleszins meegevallen, dus ik besloot in eerste instantie dat het met die tijgermug ook wel zou loslopen.

Maar vandaag ging ik me toch maar even wat meer in verdiepen in de toestand en werd daar niet vrolijk van: de toeristenbranche probeert een en ander nog wat te verdoezelen, maar fokking bijna iedereen is ziek daaro! Of wordt het binnenkort.
Bijna al die klotemuggen dragen dat virus bij zich.
Dus als je geprikt wordt ben je de lul.
Oftewel, zoals het in plaatje hieronder staat geschreven, dan ben je 'flink aan de beurt'.



Misschien vindt u het zeikerig, maar ik ben nogal bang voor ziek.
Ik kreeg eens een keer eerder een virus en lag vervolgens zeven jaar in bed.

Dus stel nou dat ik dit krijg – en dat is zeker niet ondenkbaar – en dat het dan ook meteen weer heel erg wordt (dat zul je namelijk weer net zien) en dat ik dan een jaar lang met vreselijke gewrichtspijn rondloop en weet ik veel wat voor andere shit. 
Dat zou toch minstens niet tof zijn! Want hoe moet dat dan? Ik heb geen baas bij wie ik me ziek kan melden. Ik heb als mini-zelfstandige geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. En wel drie kinderen, die me momenteel nogal hard nodig hebben.

Los daarvan: Hoe leuk ga ik het daar hebben? Als ik de hele dag bang moet zijn dat ik geprikt word?
Staat zo'n verblijf dan niet in het teken van de muggenparanoia?
Het beest steekt overdag dus er wordt aangeraden om tussen 11 en 17 uur bedekkende kleding en dichte schoenen te dragen.

Even kijken.
Ik ga naar Curaçao en neem mee: mijn bikini, een snorkel, zomerjurkjes en slippers. bedekkende kleding en dichte schoenen.

En je moet je de hele dag insmeren! Met eucalyptusolie. En deet.
(Daarmee komt het ineens weer goed uit dat je geen slippers mag dragen, want deet eet plastic! Zoiets las ik, vandaag, enfin.)

Ik las veel.
Alles wat ik maar kon vinden over Chikungunya.
Horror stories voornamelijk, over helse pijn en jeuk en koorts en maandenlange ellende.
En ook een paar geruststellender berichten als stel je niet aan, kom lekker genieten en zorg gewoon dat je niet geprikt wordt.
Ik las dat de universiteit van Wageningen heeft ontdekt hoe het virus werkt, over kruidenvrouwtjes die papajabladeren gebruiken als alternatief medicijn en ook heel veel horror stories, over helse pijn en jeuk en koorts en maandenlange ellende.

 Zucht. Wat moet ik nou weer doen dan.

woensdag 26 november 2014

Canto Ostinato

Als ik niet in de jaren 70/80 op school had gezeten maar nu, dan was ik ongetwijfeld gediagnosticeerd geweest met ADHD.
Of met ADD in elk geval.
En dan had ik wellicht aan de Ritalin of iets dergelijks gezeten en had ik vast niet zo’n boeiend geestesleven gehad. (Ahum.)

Nee, onzin natuurlijk, maar ik heb inderdaad wel een beetje een lastig hoofd, dat moeite heeft met concentreren en makkelijk afgeleid raakt – en dan met name door interne processen.

Ook schijn ik regelmatig op mensen over te komen als vluchtig en ongeïnteresseerd.
En dat ís niet zo, ik ben wel degelijk (juist!) geïnteresseerd in mensen en hun verhalen, maar ik heb blijkbaar een nogal snelle processor: als iemand iets vertelt heb ik heel gauw het plaatje compleet; ik snap het, het is me duidelijk, dus hop, door met het volgende.
En dat resulteert er soms letterlijk in dat ik midden in een gesprek over iets anders begin, of – nog erger – me omdraai om met iemand anders te gaan praten.
Sinds mensen me hierop hebben gewezen probeer ik er bewust rekening mee te houden. Door gewoon wat langer aandacht te veinzen.

Zo bestaat mijn dagelijkse leven uit nog heel wat meer kunstgrepen.
Twintig jaar geleden ontdekte ik de Canto Ostinato, van Simeon ten Holt. Voor wie het niet kent; het is een moderne, minimalistische pianocompositie voor twee (of vier) piano’s met een nogal koppig (obstinaat) repeterend ritme dat stug vijfenzeventig minuten doorgaat - althans, op mijn cd. (Sinds zaterdag weet ik dat het stuk een variabele lengte heeft van één uur tot enkele uren, afhankelijk van hoe lang de pianisten in bepaalde secties blijven hangen.)

De Canto Ostinato is mijn ultieme 'lifehack'.
Hij is in staat om mijn gedachtenstromen te temperen, als ik dat zelf niet voor elkaar krijg, bijvoorbeeld in periodes van emotionele stress. Het is alsof het stuk precies het ritme heeft van mijn hersengolven, maar dan tegengesteld, als een soort anti-trilling, waardoor rust ontstaat.
Okee, dat klinkt tamelijk bullshitty, maar het is een feit dat als ik die muziek aanzet, ik ineens kan focussen. En dat kan heel handig zijn, als er – ik noem maar wat – geld verdiend moet worden met schrijven.


Afgelopen zaterdag heb ik de Canto Ostinato voor het eerst live gehoord en gezien.
In een prachtige kerk in Diever, waar hij werd gespeeld door Philine Coops en Afke Wiersma.
Ik gebruik het woord 'magisch' niet graag voor dingen die niets met tovenarij te maken hebben, maar dit was magisch.

Twee prachtige glimmende vleugels, midden in de kerk, die klanken verspreidden die ik zo goed ken en waar ik zo van hou.

Ik voelde me bijna een beetje schuldig; ik was eigenlijk vergeten hoe het was om er met volle aandacht naar te luisteren, nadat ik het de afgelopen honderd keer slechts had gebruikt als onrust-demper. Ik was vergeten wat een hypnotiserende trip het is, hoe het me door allerlei emoties trekt en me uiteindelijk als herboren, of hoe zeg je dat, gereinigd, achterlaat.

(Dit maakt me een ‘onderbuikse’ muziekgenieter, volgens Emanuel Overbeeke, die over de Canto zegt: ‘Dit is muziek voor overwegend twijfelende en sterk met de onderbuik voelende wezens, die eerder ontroering dan esthetiek zoeken, meer dan voor ‘bovenbuikse’ kunstgenieters.’ Nou, goed dan. (Haha: een twijfelend wezen.))

Visueel was het overigens ook fantastisch. Omdat de compositie veel vrijheid laat aan de musici (die zelf mogen bepalen waar ze accenten leggen, of ze bepaalde delen met één of twee handen spelen, maar ook hoe ze met herhalingen omgaan en waar de overgangen worden gemaakt) staat of valt de uitvoering met de communicatie tussen de pianisten. Die communicatie verloopt grotendeels via de muziek zelf, maar wordt aangevuld met minimaal oogcontact en hoofdbewegingen. Fascinerend. Sowieso al, om naar mensen te kijken die met een soort marathon bezig zijn, in opperste concentratie, bij wie je de spanning en ontspanning afwisselend over het gezicht ziet trekken – en soms zelfs verbazing; omdat er blijkbaar iets ontstond wat nog niet eerder gebeurde.


Ik was zo in vervoering, dat ik gewoon even naar adem moest happen toen na 110 minuten (bijna twee uur) het abrupte einde klonk.

En toen barstte een applaus los, van wel tien minuten. Een staande ovatie, door mensen die van pure verrukking opsprongen omdat ze gewoonweg niet kónden blijven zitten. (Om even het verschil aan te geven met de min of meer obligate staande ovatie die tegenwoordig de norm lijkt te zijn geworden in theaters.)


Het was een van de mooiste muzikale ervaringen van mijn leven.
Dus daarom, ook al denkt u waarschijnlijk mens, wat zit je nou toch lyrisch te wauwelen over een pianoconcert, moest ik het toch maar even vertellen.


woensdag 19 november 2014

Een kijkje achter de schermen van een handelsmerk


Achteraf zou je kunnen zeggen dat de dag dat mijn fiets gestolen werd, acht jaar geleden, mijn geluksdag was.

Uiteraard vond ik dat eerst niet. Integendeel: ik was woedend! En dat werd nog erger toen ik in een steegje verderop de kinderzitjes terugvond, netjes gedemonteerd en wel.
Een fiets van een moeder jatten, tsk! Stelletje eikels.
Ik ben hem nog gaan zoeken in de stad, tegen beter weten in. En toen ik me erbij had neergelegd dat ik hem niet meer zou terugvinden, bedacht ik een list.
Omdenken heet dat tegenwoordig.
De dief had me een prachtige kans gegeven: ik mocht nu op zoek naar een leukere fiets. (Wat niet zo moeilijk was, want ook al was het gestolen object dan zo'n fancy 'mamafiets', het was eigenlijk maar een lelijk ding.)

Ik had nog geen idee hoe mijn leukere fiets eruit zou moeten zien, maar de volgende dag vond ik hem.
Tegen de gevel van de fietsenwinkel stond een groot, rood gevaarte met een stalen mand voorop met daarin een enorme plant. Als een soort uithangbord. Winkelpui-versiering.
'Ja,' zei ik. 'Die.'
'Jij bent gek,' zei Henk.
Gelukkig zag de meneer van de fietsenwinkel dat het menens was en was hij bereid de plant eruit te tillen en zijn decorstuk aan mij te verkopen.
Een waarachtig mooie daad: het was namelijk het begin van een grote liefde.


Mijn fiets is mijn logo geworden. Mijn handelsmerk.
Zowel op internet als in het fysieke leven.
Nog steeds, bijna dagelijks, wijzen mensen ernaar op straat, maken leuke opmerkingen of staan uitgebreid foto's te maken als ik even een winkel in ben geweest. (Dat heb ik serieus al drie keer beleefd en het waren elke keer Duitsers. Ik weet niet of dat iets betekent.)
En ja, dat blijft leuk. Ook al vind ik mijn fiets dan, hoewel nog steeds fantastisch, inmiddels doodnormaal; ik heb hem al acht jaar, tenslotte.

Naast leuk, is hij met name reuze handig. Zo is de ijzeren mand bijvoorbeeld bijna even groot als een winkelwagentje, zodat je in de supermarkt altijd weet hoeveel je kunt hamsteren. Bovendien kan ik er een, twee, drie, vier kindjes op vervoeren. En dat komt goed uit, met al die vriendinnetjes van Loïs.
Mijn fiets is een onmisbaar element in mijn leven.
Ik begrijp echt niet hoe andere mensen – mensen zonder mijn fiets – de dingen gedaan krijgen.

En er zijn meer voordelen! Ik kan hem altijd vinden. Ik ben hem nooit kwijt, bij de bioscoop of het zwembad.
En hij wordt nooit gestolen. Dat is tenminste tot nu toe gebleken. Ik heb besloten dat dat komt doordat hij A) loodzwaar is, B) nogal opvalt en C)  er op het eerste gezicht niet uitziet als iets waar je op durft te fietsen.


Een ode aan mijn fiets, in foto's.
Oftewel: Mijn fiets, door de jaren heen.


Merlijn, 3 jaar oud, slapend.
Maxicosi
Boodschappen
Boodschappen + kind

bike wash


winterbanden
Picknicken
Bezoek van de dokter


 En eigenlijk zijn dit de leukste foto's: waarop mijn fiets stiekem aan het photobomben is.








maandag 10 november 2014

Over een camper, een stommiteit en een dochter met humor




Ik deed weer eens iets doms.
Twee maanden geleden al, maar ik had nog geen zin om erover te vertellen, omdat ik hardnekkig in de ontkenning zat.
Inmiddels is het zo goed als opgelost, dus nu dan toch maar. Geen leuker vermaak dan leedvermaak, tenslotte.


Ik had een camper geleend, om mee naar een festival in een bos in Drenthe te rijden.
De camper was niet voor mij, maar voor hem en haar en hun kleine baby'tje.

(Zelf sliep ik in een mini-tentje ernaast. En de laatste twee nachten in onze eigen Volvo, toen mijn gezin zich bij me had gevoegd. Wat eigenlijk ook een fantastische kampeerwagen is, zo'n Volvo. Waarin gewoon twee matjes in de volle lengte naast elkaar kunnen liggen, als je de achterbank plat legt. Maar dit terzijde.)

Ik verbleef dus niet in de camper, maar mocht er wel in rijden! En dat is leuk, joh!
Zo'n rijdend huisje, met een keukentje en een bed, staat garant voor een instant vakantiegevoel.

Er was me natuurlijk van alles uitgelegd. Over de elektra, de werking van het kraantje, hoe het dak omhoog moest, het bed uitgeklapt, enzovoort. En ik had heel goed opgelet; het was namelijk hartstikke lief dat ik die camper zomaar mocht lenen, ik wilde er heel voorzichtig mee zijn.
En het ging ook allemaal heel goed!

Tot op de terugweg.
Toen we stopten om te tanken.

Context-informatie: Ik was erg blij en gelukkig en nog behoorlijk onder de indruk en in de ban van een geweldig leuk en mooi festival. Ik zweefde, zogezegd.

Ik zweefde dus naar buiten, draaide de tankdop open, stak het dieselpistool naar binnen en kneep erin.
Gek.
Er gebeurde niets; de meter ging niet lopen.
Dus ik kneep nog maar eens.
Niets.

Toen viel mijn oog op nóg een tankdop.
Kut, dacht ik.
En kwam met een klap terug op aarde.
Snel herstelde ik mijn fout, schroefde de juiste dop open en terwijl bij het tanken nu wél de meter ging lopen, dacht ik koortsachtig na.
Dan was die andere vast van het water.
Ja, ik wist het weer. De grijze dop, die was van de watertank.

Paniek en ontkenning vochten om voorrang.
Het is vast niet zo erg, hield ik mezelf rustig. Er is vast niets in het water terechtgekomen. Of in elk geval niet meer dan een klein beetje; het tanken lukte immers niet.
Maar tegelijkertijd snapte ik natuurlijk heus wel dat, ook al ging het maar om één druppel, het hartstikke mis was. Want diesel, dat is vreselijk vies vettig rotspul.
Ruikt ook nogal sterk.
Wil je niet in je drinkwater.

(Zeg nou zelf, het ís toch ook ingewikkeld!)

De ontkenning won. Nipt, maar desalniettemin. Ik weigerde gewoon om het mooie festival te laten bezoedelen!
Ik zou dat varkentje gewoon even wassen. Gewoon even door de zure appel heen bijten; bij het retourneren van de camper eerlijk opbiechten wat er is gebeurd, beloven dat het goed komt en het dan gewoon even oplossen.

Oplossen begint tegenwoordig bij Google.
(En je vindt er nog gratis troost ook! Want als je ziet dat er discussieplatforms bestaan met titels als: 'Diesel in de watertank van de camper. Wat nu?' dan weet je dat je niet de enige sukkel bent.)
Ik leerde dat er meerdere remedies waren, te weten:
- Iets heel duurs, dat volgens de gebruikersrecensies heel goed werkte;
- Iets veel goedkopers, dat volgens de gebruikersrecensies ook heel goed werkte;
- Steradent.

Ik voelde onmiddellijk voor de Steradent (zoals een wijs mens ooit zei: 'De beste oplossingen voor een probleem binnen een bepaald vakgebied zijn vaak te vinden in een ander vakgebied,') maar besloot in overleg met de eigenaar van de camper eerst de officiële (niet zo dure) watertankreiniger te proberen.
Ik bestelde een flesje, dat na een paar dagen werd bezorgd, en in het eerstvolgende weekend haalde ik de camper op en gingen we voortvarend aan de slag. (We, ja. Want Henk ging me vanzelfsprekend helpen. In voor- en tegenspoed, hè. In gemeenschap van goederen én stommiteiten.)

Het procedé was simpel. Gewoon het flesje leeggieten in een driekwart gevulde watertank en dan een eindje gaan rijden. Beetje veel remmen en optrekken en scherpe bochten maken en voilà: alles brandschoon. Like magic.

Ik had zo mijn twijfels.
Want terwijl we de tank hadden laten leeglopen op de stoep voor ons huis, waren we erachter gekomen dat er misschien toch een beetje méér diesel in het water zat dan die ene druppel waarop ik mijn hoop had gevestigd.
Maar, wie weet.

We gingen dus een eindje rijden, Bo en ik.
Eerst vijf rondjes rond de rotonde (ik kon de neiging onderdrukken om daarna nog vijf rondjes in de andere richting te rijden) en toen de stad uit.
En ook al had ik een hard hoofd in de effectiviteit van de expeditie, het was opnieuw leuk om met de camper op pad te zijn. We waren weer even op vakantie, ditmaal in het Groninger Ommeland. Met een heel nostalgisch cassettebandje van Van Dik Hout in de autoradio.


Hierna werd het trouwens allengs minder.
Na een paar uur kwamen we terug en lieten – immer nog hopend op een wonder – de tank leeglopen.
Helaas: we tapten nog steeds dieselwater.
Optimistisch besloten we nog dat alles heus goed zou komen als we gewoon nog een paar keer de tank zouden doorspoelen en toen …… deed ineens het kraantje het niet meer.
De pomp had het begeven.
Natuurlijk.
Zo gaan die dingen.
De moed zonk me in de schoenen.

Ik keek naar die camper, die al de hele dag op de stoep stond, naar de tuinslang door het huis naar de kraan in de keuken… alles was nat en stonk naar diesel…. en na een hele dag klooien was alles alleen maar erger geworden. (En ik had eerlijk gezegd ook nog een beetje een kater, want het was de dag na het verjaardagsfeest van Henk.)

Net toen ik overwoog om een zenuwinzinking te krijgen, redde Bo het moment met de opmerking: 'Misschien moeten we Petrus Campersingel veranderen in Petrus Campersingel.'

Haha.

Als je een dochter hebt met humor, dan hoef je nooit ergens bang voor te zijn.
Dus ik herpakte mezelf en we gaven niet op.
We (we = Henk) demonteerden de watertank om het project rustig voort te zetten in de badkamer. Waar we uiteindelijk de diesellucht bedwongen met… Steradent.


(Het is best grappig, trouwens, 30 buisjes Steradent kopen bij de supermarkt. En dat de kassière dan gewoon, met een stalen gezicht, 30 keer bliep doet. Zonder iets te vragen.)






Eergisteren haalde ik de camper weer op en plaatsten we de tank terug.
Nu alleen nog even een nieuw pompje bestellen en klaar.
Hèhè.
Pff.


(Misschien hadden we Loïs meteen vanaf het begin de leiding moeten geven.)

Je zou denken dat ik inmiddels geen camper meer kan zien.
Maar integendeel, ik wil nu eigenlijk zelf een camper.
Ik woon niet voor niets aan de Petrus Campersingel.
En ik weet ook al in welk gat de diesel moet.