vrijdag 13 februari 2015

De kat bij de Jumbo

Bij de entree van 'onze' Jumbo, zit op de inpakplank, boven de lege dozen, regelmatig een kat.
Dat is misschien een beetje vreemd, dat vond ik de eerste keer ook, maar mensen wennen over het algemeen snel aan nieuwe dingen, dus inmiddels is het een heel vertrouwd beeld.

Ik heb geconcludeerd dat het de kat van de straatkrantverkoper moet zijn. Dit aan de hand van de constatering dat de kat er nooit zit als de straatkrantverkoper er niet is, en andersom. (Er is een groot detective aan me verloren gegaan.)

Maar die kat gaat dus altijd met hem mee. Ik vind dat zo schattig! Hij blijft in de winkel rustig zitten wachten, tot het weer tijd is om weg te gaan. Af en toe krijgt hij een aai van een langslopende klant. (Dat denk ik tenminste; er zijn vast meer mensen die dat doen.)


Het is serieus de beste kat die ik ken. (Van de katten die momenteel in leven zijn, dan. Want de allerbeste kat ooit was natuurlijk Bram; mijn eerste grote liefde. Over wie ik na vijfentwintig jaar nog steeds niet kan vertellen zonder te snotteren. Want het liep niet zo goed af. Traumatisch, zelfs. Maar genoeg hierover.)

Als je hem over zijn kop aait, deze kat in de winkel, dan doet hij zijn ogen dicht. En dan voel je prr prr, onder je hand. Precies zoals een goede kat betaamt.



Sinds onze verhuizing, bijna een jaar geleden, doen we onze boodschappen in de Jumbo, hier om de hoek. Aan de rand van de Oosterparkwijk. Ik kende de Oosterparkwijk voorheen alleen van de reputatie; ik had er niet echt een beeld bij.
Nu wel.
De overstap van de door studenten en ‘binnenstadjers’ bevolkte Albert Heijn naar onze nieuwe supermarkt, was, hoe zal ik het zeggen, een soort antropologisch avontuur.
Het is echt wezenlijk anders. Je staat bij de kassa altijd wel achter iemand die alleen vijftien halve-literblikken bier afrekent en een bifiworstje.
En de stoep voor de ingang is een populaire hangplek van een groep alcoholisten.
De kinderen vonden dat in het begin nogal een uitdaging. (Maar mensen – en in het bijzónder kinderen – wennen over het algemeen snel aan nieuwe dingen, dus etc.)

Ik kan wel met ze. Ze vinden mijn fiets leuk. En ze weten inmiddels dat ze geen lege blikjes in mijn mand mogen gooien.

De straatkrantverkoper hoort er niet bij, hij staat een eindje verderop, dichter bij de deur. Hij hoort alleen bij zijn kat.


Ik ben dol op katten.

Daarmee ben ik niet uniek, dat weet ik, alleen al gezien het aantal kattenfilmpjes die voorbijkomen in mijn tijdlijnen. Na pornofilmpjes zijn kattenfilmpjes de meest bekeken filmpjes op het internet, las ik ergens. En ik geloof dat.

Wat me iets unieker maakt, is dat ik heel (heel heel) erg van katten hou, maar géén kat héb.
Sterker nog: ik mag het woord ‘kat’ eigenlijk niet eens hardop uitspreken, thuis.
Want daarmee kwets ik mijn man.
Henk is namelijk allergisch voor katten.
En omdat ik tweeëntwintig jaar geleden bij mijn volle verstand de keuze heb gemaakt voor een leven mét hem – en dus zónder katten – mag ik nu nooit meer zeuren.

En daar heeft hij natuurlijk wel een beetje een punt.
Maar ja: ik was jong en onbezonnen! 
En al meer dan twintig jaar heb ik mijn mond gehouden!
En nu kan ik het niet ineens niet meer onderdrukken: het moet eruit!


Ik denk dat het de midlifecrisis is.
De een gaat zijn motorrijbewijs halen, ik wil een kat.
Of zelfs: twee katten.
Twee jonge katjes.
Straks, in het voorjaar.
Het gaat heus niet gebeuren, dat snap ik ook wel, maar ik wil het, ik wil het, ik wil het.

(...)

Ik ben zelfs zover gegaan, dat ik man en zoon (want ja, die ook..) heb opgedragen toch nog een keer een allergietest te doen. (Misschien zijn ze er inmiddels overheen gegroeid…?)


Hopend op een wonder (playing the karma-card again) ga ik morgen maar eens een straatkrant kopen.



Kan ik meteen even een fotootje maken van de kat.
Want ik heb er nu alleen een van zijn lege plekje.

Kijk, daar zit ie dan, naast de infokiosk.

Zo heet zo’n ding. #wistjeniethe



dinsdag 10 februari 2015

Ik geef het meteen toe; ik heb graag gelijk.

Nee, dit wordt niet het zoveelste betweterige, pedanterige taallesje.

Ik voel alleen de sterke drang om even in de bres te springen voor een woord, dat op de lijst met vergeten woorden dreigt te belanden.
Ik heb het over: Meteen.
Met de betekenis: onmiddellijk, stante pede, op dit moment, subiet, ogenblikkelijk, dadelijk, direct.

Nu zegt u misschien: ‘Nah, hoezo? Meteen? Dat woord gebruik ik heel vaak, hoor.’
En dat wil ik dan best geloven, maar grote kans dat het toch niet waar is.


Ik hoorde het al een tijdje, maar tegenwoordig steeds vaker (en vaker):

‘Ik zal het gelijk even doen!’ 
‘Okee, de vijftiende om tien uur, ik zet het gelijk in mijn agenda.’ 
‘Het was zo glad vanmorgen, ik stapte naar buiten en ging gelijk op m’n bek.’

Dan denk ik altijd: wat nou gelijk?
Gelijk met wat?
Gelijk aan wat?


Even opzoeken in de Van Dale.




Gelijk heeft een heleboel betekenissen, maar geen daarvan is: onmiddellijk, stante pede, op dit moment, subiet, ogenblikkelijk, dadelijk of direct.

Voor gelijk heb je namelijk minstens twee dingen nodig. Die gelijk kunnen zijn.
(Behalve misschien voor gelijk in de betekenis van ‘gelijk hebben’, maar zelfs daar: iemand heeft immers gelijk als zijn mening samenvalt met de waarheid; ook twee dingen.)

Als je zegt: ‘Ik zal het gelijk even doen,’ dan slaat dat dus nergens op.
Want: gelijk met wat? Gelijk met…nu? Ofzo? 

Gelijk is geen synoniem van meteen!
Gewoon niet!

Hoewel synoniemenwoordenboeken het al wel vermelden. Tsja. En de Van Dale waarschijnlijk binnenkort ook.
Want zo gaat dat: iets sluipt de taal binnen, of dat nou een nieuw woord is of in dit geval een foutief gebruik van een bestaand woord, het slaat z’n tengels uit en gaat exponentieel groeien.
Er drijven een paar leliebladeren op het water en als je een paar dagen niet hebt gekeken ligt ineens de hele vijver vol.
Je houdt het niet tegen.

Ik snap alleen niet waaróm.
Gelijk, dat is namelijk best een lelijk woord.
Met zo’n ggg aan het begin.
En dan zo’n lelijke ij en dan kk op het eind. Kk!
Een woord dat je liever niet zou willen gebruiken, tenzij het echt moet.

En kijk dan eens naar meteen.
Dat is een fijn, zacht woord.
Het begint al met een lieve m. (De m is van mama. En de beginletter van de meeste voornamen in Nederland. Misschien zelfs van de wereld, dat weet ik niet zeker, maar het zou best kunnen, met alle Maria’s en Mohammeds.)

De vraag is: Waarom zijn we collectief een prima woord, dat heel goed zegt wat het zegt, langzamerhand aan het verruilen voor een lelijk woord, dat strikt bekeken niet eens hetzelfde betekent?

Ik snap dat niet.

Ik zou het leuk vinden zijn als we het proces nog een beetje konden vertragen. Dat iedereen, wanneer hij zichzelf gelijk (ggg kk!) hoort zeggen, even nadenkt of hij in dit geval niet liever meteen had gezegd?

En als u het niet voor mij wilt doen, dan toch: om een woord te redden.


En zo werd het toch een pedanterig, betweterig taallesje.

maandag 2 februari 2015

Ik heb een bloedhekel aan goochelaars


Ik zal waarschijnlijk op weinig bijval kunnen rekenen, gezien de populariteit van het programma Street Magic en de volle zalen van Hans Klok, maar ik ga het toch maar zeggen: Ik heb een bloedhekel aan goochelaars.
Echt, heel erg.
En al heel lang ook.
Al sinds de hoogtijdagen van Hans Kazan. Dan hebben we het over 1978. Ik bedoel maar.

Van kinderen met goocheldozen krijg ik ook al een beetje jeuk, maar dat komt voornamelijk omdat ik het geduld mis om tien keer achter elkaar naar dezelfde mislukkende truc te kijken, verder hebben die nog wel iets schattigs.
Mijn echte allergie betreft de goochelaars die het kúnnen.
De professionele goochelaars. (Die natuurlijk ook ooit met een goocheldoos zijn begonnen. Zo lees ik op Wikipedia over Hans Kazan: 'Op zijn negende kreeg hij een goocheldoos van Sinterklaas en vanaf die tijd is hij met goochelen bezig.' Ik word hier zo treurig van.)

Nog erger dan de profs, trouwens, zijn de fanatieke amateurs. Omdat je die in theorie zomaar op een feestje kunt tegenkomen.
Ik waarschuw: iemand die het ooit in zijn hoofd haalt om een muntje achter mijn oor te vinden, kan rekenen op een rechtse hoek. Echt, maak je geen illusies. (Haha. Woordgrapje. Illusies. Haha.)
Maar nee echt, flikker op joh met je truc! Loop naar de maan  – tenzij we gaan klaverjassen – met je pak speelkaarten!


Het is altijd hetzelfde.
De goochelaar laat je een kaart trekken.
Je wil niet, maar je doet het dan toch maar, want zo ben je: aardig.
Je neemt een kaart.
Dat is bijvoorbeeld de harten zeven.
De goochelaar zegt iets in de trant van: ‘Bekijk je kaart, onthoud hem goed, laat hem niet aan mij zien en stop hem dan terug tussen de andere kaarten.’
Op dat moment weet je genoeg.
De goochelaar gaat een of andere wazige routine opvoeren, die je niet kunt volgen, maar dat maakt niet uit, want je weet toch al hoe het afloopt: aan het eind van het riedeltje zal hij je jouw kaart, de harten zeven, tonen.

Nee.....het is ongelofelijk!
Hoe kan het?
‘Ja,’ roep je uit. ‘Dat was mijn kaart! Echt! Het was de harten zeven! Hoe wist je dat, hoe dééd je dat?’


Nou, en dat vertelt ie dan niet.

Want zo hoort dat, bij goochelen.


Het zal echt aan mij liggen, maar I just don’t get it.
Wat daar leuk aan is.
Misschien omdat ik altijd alles graag wil snappen.
Dat is zo’n beetje mijn drijfveer in het leven. Dus word ik zenuwachtig van iets waarbij het juist de bedoeling is dat je het niet snapt.


Goochelen, dat is alleen maar ter meerdere glorie van de goochelaar zelf.
Knap hoor. Heel knap. Hoe deed je dat? MAAR WAT HEB IK ERAAN?!
Goochelen is de meest egocentrische vorm van performance.
Goochelaars némen alleen maar.
Ze géven niets.
Behalve frustratie.




Dit ook, echt.
Niet te doen.
Haat.Haat.Haat.


dinsdag 20 januari 2015

Karma Police



‘Jij rationeel?’ zei mijn vriendin E. ‘Hahahahaha.’
‘Ehm.’ zei ik. ‘Ja, toch?’
Ik heb een redelijk sceptische, zelfs cynische kijk op de wereld, dacht ik.
En ben best wel wars van melodrama en gewauwel en zweverig gedoe.

‘Hahaha.’ lachte E. nog eens wat.
‘Nee, sorry. Je bent wel cerebraal, je kunt logisch redeneren en dingen goed verwoorden. Maar dat moet je niet verwarren met ratio. Je bent echt niet rationeel.’
Oh.
E. moet u weten, is iemand wiens oordeel ik doorgaans nogal vertrouw en hoog acht.
Dus ik was even in de war.
‘Echt niet?’
‘Nee. Met je kosmos. En je karma.’


Waarschijnlijk heeft ze gelijk.
Ben ik helemaal niet rationeel.
Is het alleen een houding die ik aanneem ten opzichte van mezelf, om niet te verzuipen in alle emotionele chaos.
En ik geloof inderdaad stiekem in karma.
Niet dat ik daarbij dan een of andere hogere entiteit in gedachten heb, die vanaf een wolk punten uitdeelt, maar gewoon. Iets met energie. Als je lieve energie de ether in slingert, dat je dat dan terugkrijgt. Ofzoiets.

Na gisteren weet ik het eigenlijk niet meer zo goed.


Afgelopen vrijdag had ik een portemonnee op straat gevonden en was vervolgens de halve ochtend bezig met het opsporen van de eigenaar. (Gevonden voorwerpen naar het politiebureau brengen kan niet meer, tegenwoordig.)
Het lukte en het leverde me naast de evidente karmapunten ook nog eens 20 euro vindersloon op, die ik voor de zekerheid de volgende dag gebruikte om mijn vriendinnen en hun kinderen te trakteren op koffie en fristi.
Mij zou voorlopig niets gebeuren.



Maar gisteren fietste ik door een rood stoplicht.
Iets wat ik nooit doe.
Niet omdat ik zo braaf ben, of niet heus zelf wel kan inschatten wanneer ik veilig kan oversteken, maar omdat ik kinderen heb. Die ik moet leren voorzichtig te zijn en zich in het verkeer te gedragen als verantwoordelijke weggebruikers. (Totdat ze niet meer zo braaf zijn en 'heus zelf wel kunnen inschatten wanneer ze veilig kunnen oversteken', etc.)

Ik fiets dus sinds ik kinderen heb nooit meer door rood, ook niet - opdat ik me niet kan vergissen – als ze er niet bij zijn.
Hoewel, nu dan toch.
Per ongeluk.
Ik verwachtte dat het groen zou worden en begon alvast te fietsen. Toen ik mijn fout bemerkte was ik al halverwege de straat en fietste toen maar door.
Tsja. Foutje. Maar niet erg, want al het verkeer stond verder nog stil. Niets aan de hand, kortom.
Of toch.
Honderd meter verderop werd ik staande gehouden door de politie.
Neenee, dacht ik.
Neeneeneeneeneenee!
(Hallo? Karma?)

Ik begon te ratelen.
Over hoe ik echt nóóit door rood fiets maar nu per ongeluk dan toch maar dat het echt per óngeluk...
‘U krijgt een bekeuring van 90 euro. Wilt u nog een verklaring afleggen?’
Het bloed steeg naar mijn hoofd.
Négentig fokking euro!?
‘Wat een rotbaan heb jij,’ zei ik.
‘Nee hoor, mevrouw, helemaal niet.'
‘Nou, ik vind het maar gemeen. Een beetje zomaar 90 euro afpakken van onschuldige per ongeluk door het rood fietsende mensen. Ga toch boeven vangen, joh.’
Dat laatste zei ik natuurlijk niet.
Want dat is stom om te zeggen.
Maar ik wou het eigenlijk wel.

‘Het is voor uw eigen veiligheid, mevrouw.’
‘Ja,’ zei ik. ‘Ik snap het. Nu ik weet dat het 90 euro kost, zal ik nooit meer per ongeluk door het rood fietsen.’

Als ik boos ben heb ik de neiging om nogal vervelend te worden. Dus ik deed er nog maar een schepje bovenop: Misschien dat het toch ook een klein beetje was om de politiekas te spekken?
Nee, hoe ik daar nou bij kwam.
‘Dus dan mag ik in dat geval ook die 90 euro aan een zwerver geven? Dan loop je even met me mee, dan ga ik pinnen en dan geven we samen 90 euro aan de verkoper van de straatkrant. Dan heb ik toch mijn straf gehad en maken we meteen iemand blij.’
Ik hoorde de karma-kassa alweer rinkelen, onverbeterlijk als ik ben.

Hij vond het niet leuk.
Maar ik ook niet!
Ik moest bijna huilen.
Heel rationeel.

Klik

zondag 4 januari 2015

Het nieuwe jaar beginnen met een dood paard is nooit grappig

Terwijl ik hier wat aan het afzien ben op Curaçao, in een heel naar en ellendig huis met zwembad aan zee, moet ik toch nog even wat vertellen over Oud&Nieuw.

Het was namelijk een van de raarste jaarwisselingen die ik ooit meemaakte.
De raarste, wilde ik eerst schrijven, maar dat is niet waar, want dertien jaar geleden werd in de betreffende feestnacht mijn dochter geboren, en dat was ook best apart.
Maar desalniettemin, het was raar.
En niet per se leuk.
Maar wel onvergetelijk.

We waren traditiegetrouw in Diever, bij onze lieve vrienden in hun fantastische huis aan de rand van het bos. Er waren nog wat mensen, waarmee ons gezelschap uit 7 volwassenen en 13 kinderen bestond. Dit is overigens niet relevant voor het verhaal, maar het schept even een kader.

Om een uur of 9 ‘s avonds gingen we met z’n allen naar buiten, om alvast wat sterretjes en klein vuurwerk af te steken. Een uur later ging een groot deel – met name de kleinere kinderen – weer naar binnen, om warm te worden bij de kachel en spelletjes te doen.
Een paar mensen bleven buiten, onder wie ik.
We hadden een vuurkorf op straat gezet en een driezitsbank uit de schuur gesleept en zaten heerlijk te praten bij het vuur, onder een dekentje, in ons coconnetje aan het einde van de wereld.

En toen.
Gebeurde er iets.
Het licht ging aan.
Aan de overkant van de weg.
Véél licht; het was de rijbakverlichting van het ernaast gelegen paardenpension.
Alsof we ineens op de tribune van een voetbalstadion zaten; heel surreëel.

Er klonken paniekerige stemmen en toen kwamen er mensen naar buiten met twee paarden.
Even nog dachten we dat ze gewoon wat onrustig waren geworden van het geknal in de omgeving en daarom uit de stal waren gehaald, maar al snel bleek dat een van de paarden koliek had; het andere paard was slechts mee ter geruststelling.
Koliek, bij een paard, is meestal niet zo'n goed ding. Dat wordt nogal eens veroorzaakt door een slag in de darm en dan betekent het vaak: einde oefening.
(Ik weet een beetje van paarden. Vanuit mijn jeugd. Nja.)
Het enige dat nog wel eens wil helpen is lopen, het dier in beweging houden, in de hoop dat de darm zich daardoor op de een of andere manier weer ontvouwt.

Daar zaten we dus plotseling, bij het vuur, op de bank, onder ons dekentje, naar de doodstrijd van een paard te kijken. Als ramptoeristen tegen wil en dank.
Het was echt afschuwelijk.
De pijn van dat paard.
Dat steeds door zijn benen wilde zakken om te gaan liggen, wat de mensen dan dus probeerden te voorkomen, tevergeefs, waarna men met man en macht probeerde het dier weer omhoog te krijgen, wat dan lukte, waarna het paard opnieuw wilde gaan liggen, etc, etc.

Het was niet om aan te zien.
Maar toch blijven kijken, hè.
En intussen van de zenuwen maar stomme grappen maken. Want dat soort mensen zijn we; situaties kunnen niet zo erg zijn of we kunnen er wel de slappe lach van krijgen.

Een bizarre bijkomstigheid was dat er constant wensballonnen overvlogen.
Die waren zeker in de aanbieding geweest bij het plaatselijke warenhuis.
'Misschien dat iemand even kan gaan wensen dat dit paard het redt?' opperden we zo wat tegen elkaar. Maar het leek er meer op dat de mensen die de ballonnen oplieten collectief de wens ‘dood aan de paarden’ hadden uitgesproken.
Want het schouwspel werd almaar akeliger.

En toen was het ineens 12 uur.
En was onze dochter jarig.
En wensten we elkaar allemaal een gelukkig nieuwjaar.
Maar de sfeer bleef nogal bedrukt.

Om tien over twaalf zagen we hoe de veearts het paard uit zijn gruwelijke lijden verloste.
Het was in zekere zin een opluchting, maar ook nogal cru. In zo’n vers jaar.
En het is ook meteen zo véél, hè, wat er dan sterft. Zo’n heel paard.
Er werd een deken overheen gegooid en de mensen die zo hard had gevochten om het dier te redden, liepen naar binnen, verslagen, de hoofden gebogen, een waarachtige rouwstoet.

De voorstelling was afgelopen.
Maar het toneellicht bleef aan.
Zodat we nog een tijdje naar een soort Edward Hopper schilderij zaten te kijken, als luguber decor van het drama dat zich er zojuist had afgespeeld.






‘Jeetje man, een dood paard.’ 
‘Ja.’ 
(.....)
‘Moet je niet aan gaan trekken, hè.’ 
‘Nee.’ 
(.....)


zaterdag 27 december 2014

Van de vinger en de speld

Had ik de grap al verteld van de vrouw die haar vinger tussen de achterklep van haar auto kreeg? Omdat ze er in een vlaag van verstandsverbijstering vanuit ging dat hij die de klep dichtgooide wel zou zien dat ze nog even haar hand naar binnen stak om een omvallende tas recht te zetten? In het donker, langs een drukke weg in de stromende regen?
Ja.
Nou, dat deed dus pijn. Best wel.

Maar goed, hij zat er nog aan, de vinger, dus om hij die de klep dichtgooide zich niet al te lullig te laten voelen – en niet in de stress te brengen; hij die de klep dichtgooide was namelijk een opdrachtgever die me net gevraagd had een heleboel voor hem te gaan typen – kermde ik zo wat, maar reed toch dapper en grappend met hem door de avondspits naar het zwembad met achterin twee kindjes.
(Ik had een werkbespreking bedacht op de tribune bij de zwemles van mijn jongste dochter en haar vriendinnetje. Om een en ander wat te combineren. Dat lijkt misschien een beetje gek, maar in het licht van de onwaarschijnlijke hectiek van de laatste weken voor de kerstvakantie, lag het echt alleszins voor de hand.)

Maar goed, die vinger dus, die deed goed pijn. Werd ook meteen blauw en dik.

Inmiddels is dit ruim twee weken geleden.
Het doet niet echt pijn meer, behalve – en dan helaas ook meteen heel erg – als ik per ongeluk met mijn knokkel iets aanraak. Of als ik per ongeluk iets te stevig vastpak.
En ook al ben ik voorzichtig, het gebeurt toch steeds.
Gemiddeld 10 keer per dag ga ik 2 minuten lang het liefst dood.
En als ik naar buiten ga, en het is koud, dan wordt een heel gedeelte van mijn vinger spierwit.
Het is een 'vegetatieve ontregeling als gevolg van het trauma,' zegt de fysiotherapeut.
Bij wie ik overigens was voor mijn schouder, die ook pijn doet. Al maanden.
Haha.

Maar ik zie het maar zo: kan ik vast een beetje oefenen voor als ik straks misschien die knokkelkoorts oploop, of hoe heet die stomme ziekte.

Want ik ga natuurlijk gewoon hè, naar Curaçao. Duh.

De strijd om de beslissing werd uiteindelijk beslecht door een bizarre psychologische kronkel waar ik op stuitte.
Kijk.
De mensen met wie ik daar ga zijn en werken, die gaan namelijk gewoon wel.
En als ik zou besluiten om niet te gaan – naar dat lekker warme eiland in de Caraïben waar ik al heel lang dolgraag eens naartoe wil – dan zou ik waarschijnlijk best balen als ik naderhand zou horen: ‘Nou, niemand ziek geworden hoor en bijna geen mug gezien. Je had gewoon mee moeten gaan.’
Maar keer dat om, dan zou ik dus in feite hopen dat in elk geval een van hen ziek terug zou komen...? Om me bevestigd te zien in mijn keuze?

Dat vond ik zo’n onthutsende gedachte!
Dat zou me een heel naar mens maken! 

Dus daarom ga ik.
Ik kan er zelf geen speld tussen krijgen.


Een mooie jaarwisseling gewenst!
Tot volgend jaar!

woensdag 17 december 2014

Chikungunya


Ik heb een nieuw woordje geleerd! Chikungunya.
Het lijkt eerst een beetje een moeilijk, maar als je het een keer of honderd hebt uitgesproken gaat het best.
Tsjie-koen-koen-ja.

Ik had er nooit van gehoord.
Tot iemand me dit nieuwsbericht stuurde, gisteren.




Dit heb ik weer, dacht ik
Want ik ga namelijk over tien dagen naar Curaçao. (Voor mijn werk!)

Ik ging ook eens naar Hawaii en toen vroeg iemand een week voor mijn vertrek of ik wel wist dat Noord Korea een atoombom op Hawaii wilde gooien.
Toen dacht ik ook: dat heb ik weer.

Nou was dat met die bom destijds alleszins meegevallen, dus ik besloot in eerste instantie dat het met die tijgermug ook wel zou loslopen.

Maar vandaag ging ik me toch maar even wat meer in verdiepen in de toestand en werd daar niet vrolijk van: de toeristenbranche probeert een en ander nog wat te verdoezelen, maar fokking bijna iedereen is ziek daaro! Of wordt het binnenkort.
Bijna al die klotemuggen dragen dat virus bij zich.
Dus als je geprikt wordt ben je de lul.
Oftewel, zoals het in plaatje hieronder staat geschreven, dan ben je 'flink aan de beurt'.



Misschien vindt u het zeikerig, maar ik ben nogal bang voor ziek.
Ik kreeg eens een keer eerder een virus en lag vervolgens zeven jaar in bed.

Dus stel nou dat ik dit krijg – en dat is zeker niet ondenkbaar – en dat het dan ook meteen weer heel erg wordt (dat zul je namelijk weer net zien) en dat ik dan een jaar lang met vreselijke gewrichtspijn rondloop en weet ik veel wat voor andere shit. 
Dat zou toch minstens niet tof zijn! Want hoe moet dat dan? Ik heb geen baas bij wie ik me ziek kan melden. Ik heb als mini-zelfstandige geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. En wel drie kinderen, die me momenteel nogal hard nodig hebben.

Los daarvan: Hoe leuk ga ik het daar hebben? Als ik de hele dag bang moet zijn dat ik geprikt word?
Staat zo'n verblijf dan niet in het teken van de muggenparanoia?
Het beest steekt overdag dus er wordt aangeraden om tussen 11 en 17 uur bedekkende kleding en dichte schoenen te dragen.

Even kijken.
Ik ga naar Curaçao en neem mee: mijn bikini, een snorkel, zomerjurkjes en slippers. bedekkende kleding en dichte schoenen.

En je moet je de hele dag insmeren! Met eucalyptusolie. En deet.
(Daarmee komt het ineens weer goed uit dat je geen slippers mag dragen, want deet eet plastic! Zoiets las ik, vandaag, enfin.)

Ik las veel.
Alles wat ik maar kon vinden over Chikungunya.
Horror stories voornamelijk, over helse pijn en jeuk en koorts en maandenlange ellende.
En ook een paar geruststellender berichten als stel je niet aan, kom lekker genieten en zorg gewoon dat je niet geprikt wordt.
Ik las dat de universiteit van Wageningen heeft ontdekt hoe het virus werkt, over kruidenvrouwtjes die papajabladeren gebruiken als alternatief medicijn en ook heel veel horror stories, over helse pijn en jeuk en koorts en maandenlange ellende.

 Zucht. Wat moet ik nou weer doen dan.