zaterdag 1 augustus 2015

Reizen en thuiskomen

Okee, even snel dan.

Eerst logeerden we bij Iben, in Roermond. (Ik ken Iben van het Internet, als collega-blogger.)
We werden onthaald met een feestmaal. En Susy kwam ook nog langs. En er was een dakterras en er was wijn en het werd allemaal reuze-gezellig en Bo, Merlijn en Loïs sliepen op de bank, met Ziggy, de hond.



De volgende dag vlogen we naar Málaga, vanaf Eindhoven. Daar namen we de trein naar Benalmádena. Dat is een halte verder dan Torremolinos; waar alle Nederlanders uitstapten. 
We liepen drie kilometer (met volle bepakking bij 38 graden) naar ons eerste airbnb adres.
Dat nogal…tsja…was. Maar met genoeg bedden en een douche en een wc en een koelkast en wat heb je tenslotte meer nodig en we bleven toch maar één nacht.
We huurden een auto. Een Volkswagen Polo.
Het had beter een Volkswagen Golf kunnen zijn, gezien ons tweede appartement, dat gesitueerd bleek in een enorme ‘gated community’ rond een aantal golfbanen.
Ik had even iets gemist, denk ik, in de omschrijving.
Maar oh, wat grappig. Zaten we ineens in een volledig marmeren appartement, met twee badkamers en een vaatwasser en een zwembad in de gemeenschappelijke tuin.
Op een godbetert golfresort! Haha!
Gelukkig was er een dubbele bodem; via de kast konden we naar Narnia. Er was een paadje, vanaf het huis, langs een meertje met duizend kikkers, door een houten tunnel onder de golfbaan door, dat leidde naar het strand. Waar niemand was. (Want iedereen was aan het golfen, natuurlijk.)
Een prachtig, leeg, stuk strand, met een waanzinnig uitzicht op Gibraltar.



We gingen een dagje naar Gilbraltar.
Ik ontdekte dat ik Gibraltar leuker vond vanaf ons strand.
(Het hoogtepunt was eigenlijk dat Bo nu eindelijk die foto kon laten maken in een Engelse telefooncel. Oja en ik had natuurlijk een aap op mijn schouder. Wat heel anders was dan ik dacht. Niet zwaar en ruw en stinkend, zo’n aap, maar lief en licht en met heel zachte handjes.)




We gingen zwemmen in een riviertje.
En ik sprong van een rots.




Na vijf dagen leverden we de auto in en namen de bus naar Tarifa.
Oh Tarifa!
Where the hippies meet the hipsters.
Ik wil er helemaal hippe dingen van gaan zeggen, als ‘wat een goeie vibe’ enzo, maar echt: wat een goeie vibe!
Houten beachbarretjes met surfplanken tegen de muur, bevolkt door kitesurfers uit alle windstreken, maar ook busjes met peacetekens en schelpen op het dashboard. Wonderlijk bijna, dat er aan de Spaanse kust zo’n leuke badplaats bestaat, zonder hoogbouw en betaalde strandbedjes en waterfietsen en bananen achter speedboten, maar met gewoon, een strand zoals op Vlieland. Maar dan zonder storm.

We woonden elf dagen pal aan zee.





We gingen walvissen en dolfijnen en orka’s spotten, met een boot. Lois werd zeeziek. We zagen alleen dolfijnen. En grienden, die in het Engels Pilot Whales heten (en wier soortgenoten een week later bruut werden afgeslacht op de Faroereilanden vanuit een jaarlijkse traditie die ik als buitenstaander niet begrijp en (dus?) slechts afschuwelijk vind – helemaal nu, want ik heb ze gezien en nu zijn het mijn vrienden).




Aan de overkant van het water was Afrika.
’s Avonds zagen we de lichtjes van Tanger.
We gingen een dagje naar Tanger.
Ik ontdekte dat ik Tanger leuker vond vanaf ons balkonnetje.




Na elf dagen namen we de bus naar Algeciras en daarna nog een bus, terug naar Benalmádena. Waar appartementje nummer 1 in al zijn schamelheid op ons wachtte en het even voelde alsof we nooit waren weggeweest.
En na ons nog even twee dagen te hebben volgestopt met tapas – wat anders kun je doen aan zo’n boulevard – was het voorbij.
En misten we bijna ons vliegtuig.









Maar! 
Terwijl wij weg waren – en dit is eigenlijk een veel leuker verhaal – vierden ándere mensen vakantie in ons huis, in Groningen. 
Mensen uit Nieuw-Zeeland. 
Een vriend van vroeger – ik zag hem voor het laatst vijfentwintig jaar geleden, maar vond hem terug op Facebook – wilde met vriendin en dochtertje naar Nederland komen om familie te bezoeken en zocht onderdak, liefst in de stad. Misschien wist ik iets, of kende ik mensen die iemand zochten om op hun huis te passen? 
Nou, heus wel. 

Het was heel grappig om in Spanje af en toe onze tuin en mijn fiets voorbij te zien komen op Facebook. 


En toen kwamen we thuis. 
Ik ben serieus nog nooit zó leuk thuisgekomen van vakantie!

Ten eerste was daar natuurlijk de nieuwe koelkast – die ik vanuit Tarifa met mijn iPhone bij de Wehkamp had besteld na het bericht dat ons 30 jaar oude bakbeest het had begeven – maar tot onze verbazing was die helemaal gevuld! Met wijn en bier en fruit en kaas en allemaal lekkers. 
Er stonden bloemen op tafel. En potten lavendel op ons terras. 
De badkamer vol met nieuwe badproducten. 
Overal in het (bizar schone) huis stuitten we op verrassingen en cadeautjes. 

(Of ze zijn gewoon heel erg veel vergeten, dat kan ook.)




zondag 21 juni 2015

Her Royal Catness

En dan was er dus nog de kat.

De kat met het kokertje – dat ik na een paar dagen natuurlijk toch maar heb opengemaakt.

Op het briefje stond een naam: Lotje. En een telefoonnummer en een adres.
Het bleek te gaan om de straat hierachter. Ze woont hier vlakbij, zoals we al vermoedden.

Ik stuurde een berichtje naar het telefoonnummer. Hallo, uw kat Lotje is de laatste tijd heel veel bij ons. Dat vinden we heel gezellig, hoor, dus no problem, maar dan weet u waar ze uithangt.
En ondertekende met mijn naam en adres.

Ik kreeg vrijwel onmiddellijk antwoord.
Fijn om te horen, ze is inderdaad geregeld op pad. Graag niet voeren, ze krijgt thuis meer dan genoeg.

Nou, dat leek me een prima deal.
Iets met lusten en lasten; gezellig af en toe een kat om mee te knuffelen en te kletsen, maar geen kattenvoer op het boodschappenlijstje.
En intussen moesten we dan maar wel proberen om met z’n allen iets minder stukjes kaas op de grond te laten vallen.


Omdat we krampachtig blijven geloven dat het zomer is en dus regelmatig de deur naar de tuin openzetten, komt Lotje (zoals we haar nu maar noemen, naast 'Poez' en ‘Her Royal Catness’) steeds vaker ook echt binnen.
Ze neemt gewoon haar intrek in ons gezin.
We staan erbij en kijken ernaar.
Ze heeft een lievelingsplekje gevonden op de bank in de geluidsstudio boven, en toen ik op de ochtend van mijn verjaardag cadeautjes uitpakte zat ze óók op het bed, en speelde met de proppen inpakpapier.

’s Avonds zetten we haar uiteraard buiten.
Maar steeds vaker vinden we haar de volgende ochtend op de stoel onder het afdakje bij de keukendeur.
De laatste tijd leek ze er wel continu te zijn.
Ze zou toch nog wel naar huis gaan om te eten? Zouden haar baasjes haar niet missen?

Ah kijk, daar kwam al een berichtje.
Lotje is al drie dagen niet thuis geweest, is ze misschien weer bij jullie? We maken ons een beetje zorgen…

Ik typte terug: Ze is inderdaad veel hier. Ik weet ook niet waarom. We geven haar geen eten. (Ik vermeldde maar even niet dat ze op mijn verjaardag, in een onbewaakt ogenblik – we moeten nog wat groeien in het kattenpleegouderschap – de brie en de roomkaas heeft opgegeten en een stuk cheesecake). Ze slaapt op een stoel onder ons afdak. Ik snap dat jullie haar missen. Wat te doen?

Het baasje was opgelucht dat er niet iets ergs met haar kat was gebeurd, maar zag tevens het probleem en ging erover nadenken.

Wij denken er ook over na.
Hadden we haar moeten wegjagen? Was dat the right thing to do geweest?
Moeten we haar alsnog wegjagen?
Maar dat kán helemaal niet meer, want we zijn al vrienden!
Ook al is het dan maar een ontrouw loedertje.

Ik probeerde het me voor te stellen hoe het zou zijn als het andersom was en omdat ik geen kat heb, verplaatste ik het voor het gemak maar even naar mijn kinderen.
Ik stelde me voor dat Merlijn steeds vaker en langer op pad zou zijn en uiteindelijk helemaal niet meer thuis zou komen. En dat we dan een sms kregen:

Jullie zoon hè, die is steeds hier. Hij vindt het hier blijkbaar leuker. Sorry! Ik weet ook niet wat ik eraan moet doen. Wij vinden hem lief, dus het is prima dat hij hier is. Gezellig zelfs! We geven hem geen eten, daarvoor moet ie maar naar jullie, maar er valt natuurlijk wel eens wat van het aanrecht. 

Hm.
Beetje dubieus, wel.
Haha.

Maar ja!

Toen ik op Facebook een foto postte met de bijpassende tekst: ‘het is niet mijn kat, maar ze zit intussen wel op mijn toetsenbord,’ was een van de reacties:

Jij bent wel haar mens. En daar heb je niets over te zeggen.



Wordt vervolgd.

vrijdag 19 juni 2015

44

Twee vieren!
Dan valt er echt wel wat te vieren, zou je denken.
Maar, mwah.
Het is vooral de vier van virus die hier heerst.

Zo stom! Ik was nooit eerder ziek op mijn verjaardag! (Hoewel, ik bedenk ineens dat ik vier werd op de dag dat mijn amandelen werden geknipt.)
Hoe dan ook, het is allemaal wat atypisch.
Bovendien is het herfst, met regen en zestien graden en grijze luchten.
En ik was toch altijd in de lente jarig?


Aan de cadeautjes lag het niet. Ik kreeg echt heel veel leuke cadeautjes. Zoals een gloednieuwe fles Chanel Allure en een knalgroene koptelefoon. En van Lois een tekening, van Bo een t-shirt met een dromenvanger en van Merlijn (véél) chocola. (Hij is nog geen twaalf, maar heeft het als man al heel aardig begrepen.) Verder twee staafmixers (iets te vaak geroepen dat de mijne stuk was), een fles lievelingswijn, ‘Bibi’s doodgewone dierenboek, en, van mijn moeder, een thermoskan met Magnolia’s erop.


En waar het ook niet aan lag: de ongelofelijke stroom digitale felicitaties waaronder ik werd bedolven.
Natuurlijk, je kunt zeggen dat het wel heel makkelijk is om even snel iets te typen in het ‘Dinges is jarig. Feliciteer hem hier met zijn verjaardag’- vakje, maar toch: een paar honderd mensen hebben gisteren eventjes aan mij gedacht, en ik mocht dat zomaar weten!

Dat is dan toch wel weer leuk, van die sociale media.
Moet ik schoorvoetend toegeven.
Want ik werd er eerlijk gezegd de laatste tijd een beetje moe van.
Dat heeft niemand kunnen merken, want ik ging natuurlijk gewoon door – zo is dat met verslavingen – maar ik voelde me de laatste tijd steeds vaker geconfronteerd met het zin- en uitzichtloze ervan.

Het is met social media een beetje zo: óf je stort je er volledig in, met meningen over dingen en passionele argumenten – maar voor je het weet ben je dan ineens betrokken in een of andere twitteroorlog (misschien volg ik gewoon de verkeerde mensen, maar het is daar bij tijd en wijle een slágveld mensen; er woedt een grimmige digi-verbale strijd tussen rechts en links nationalisten en kosmopolieten) en daar moet je maar net zin in hebben, óf je beweegt je gewoon apathisch consumerend door je timelines, deelt eens een leuke quote of een opzienbarend (katten)filmpje en post dan maar weer een foto van je kinderen, omdat dat altijd zo lekker veel likes oplevert.
Pff. Boring. Eigenlijk, toch?

Verder lijkt mijn leven de laatste tijd wel één lange Facebooktest: Ik weet inmiddels welke beroemde popgroep, filosoof en kleur ik ben, in welk land ik eigenlijk zou moeten wonen, dat ik 87% man ben, hoe ik eruit zie over 50 jaar en dat ik een EQ van 150 heb. Het is bijna gek dat ik met zoveel zelfkennis en psychologische inzicht nog steeds mijn ware pad niet heb gevonden.


Wat dat betreft moest het allemaal maar eens anders, besloot ik gisteren.
(Zo'n verjaardag is een uitgelezen moment voor beslissingen en goede voornemens.)
Nog één jaar en dan ben ik 45. En veertig mag dan het nieuwe dertig zijn, 45 is nog steeds stokoud, dus dit jaar moet het gebeuren.
En misschien kwam het wel door de dromenvanger op mijn shirt, maar ineens wist ik het: wat ik écht nodig heb, is een column.
Het liefst zo'n dagelijkse, in een krant. Over alles en over niets.
Regelmaat, roem en rijkdom; dat zou me vast van het digitale dwaalspoor afhelpen.


Of misschien moest ik eerst maar weer eens wat meer gaan bloggen, hier.
Over alles en over niets.


woensdag 3 juni 2015

De Marokko-commotie

Ik weet niet of zoiets eigenlijk opvalt, maar ik ben redelijk afwezig hier.
Dat komt door de nogal intensieve klus waarmee ik bezig ben; ik schrijf een boek. Geen roman helaas (die verschijnt vermoedelijk als ik vijfenzeventig ben) maar een soort van managementboek, in opdracht. Als ghostwriter. En dat is natuurlijk allemaal hartstikke leuk, maar het betekent wel dat ik intussen niet mag bloggen van mezelf.

En dat is trouwens niet helemaal waar, ik mág wel bloggen, maar alleen als ik het verdiend heb; als ik een aanzienlijk stuk naar tevredenheid heb geschreven.
Enne….nouja….dus.


Maar nu ben ik even ongehoorzaam, want ik hou het bijna niet meer! Er gebeurt van alles, zowel in mijn leven als in mijn hoofd, en niets daarvan wordt opgetekend, ik word daar vreselijk onrustig van. 


Zo is er, onder andere, de Marokko-commotie.

Kijk.
Je komt de winter uit – althans, zo gaat dat ieder jaar bij mij – en je denkt: er moeten spannende dingen gebeuren. Want we leven groots en meeslepend, tenslotte; er moeten avonturen worden beleefd, nieuwe oorden ontgonnen, andere culturen ontdekt, we moeten ons nageslacht de wereld laten zien! (Ze gaan later zelf maar naar Vlieland, met hun kinderen.)
En je besluit in een opwelling: we gaan backpacken door Marokko.
Je boekt, stante pede, tickets naar Malaga – want dat maakt het nog spannender; met het openbaar vervoer naar het zuidelijkste puntje van Spanje en dan met de boot naar het Afrikaanse continent, om daar een paar weken rond te trekken.

Ik was er enorm van in mijn nopjes.
Eventjes, toch zeker.

Want toen begon het. ‘Weten jullie dat jullie dan precies met de Ramadan in Marokko zijn?’
Euh.
Nee. Dat was éven een puntje waaraan ik niet had gedacht.
(En dat vind ik heel stom, want ik beschouw mezelf eigenlijk als iemand die daar wél over zou hebben nagedacht. En die zich, alvorens een reis naar Marokko te plannen, wat meer had verdiept in de gebruiken in kwestie en daardoor bijvoorbeeld ook wist dat het Suikerfeest niet een groot en uitbundig, zoet en kleverig straatfeest is en derhalve fantástisch om mee te maken, maar meer zoals Kerst bij ons: met alle winkels en restaurants gesloten en de bussen en treinen vol, met mensen die naar hun familie reizen om in besloten kring het einde van de vastentijd te vieren.)
Hm.
Nouja, daar moesten we dan maar mee dealen.

Maar toen kwam: ‘Weet je dat wel zeker? Naar Marokko, in juli? Weet je wel hoe héét het daar dan is?’
Ja, natuurlijk weet ik dat. Ik hou van heet. En mijn kinderen ook. Denk ik. Misschien. Toch?
Hm.

En toen zeiden een aantal mensen: ‘Volgens mij geldt er een negatief reisadvies voor Marokko. Met die ISIS dreiging enzo.’
Dat bleek overigens niet waar, er is alleen een verhoogde dreiging van terroristische aanslagen, net als in Parijs en Brussel.
Dus.
Maar toch: Hm.


Vandaag was ik er ineens zat van. Van het verdedigen dat het heus een goed plan was. Want misschien was het dat toch wel eigenlijk niet echt.

Beter zouden we een keer in het voor- of najaar een weekje gaan. En dan gewoon hop, met het vliegtuig rechtstreeks naar Marrakech of Casablanca.

Dus ik annuleerde vanmiddag, in een nieuwe opwelling, de geboekte accommodaties, belde de geplande vaccinaties af en ging op zoek naar leuke plekjes aan de Europese kant van de straat van Gibraltar – de tickets naar Malaga zijn er tenslotte nog wel.
‘Backpackend en airbnb-end door Andalusië’, dat klinkt toch ook best avontuurlijk?

En als we in Tarifa zijn, dan pakken we de snelboot om een dagtripje naar Tanger te maken.

Want de kinderen hebben al op school verteld dat ze naar Afrika gaan.
En ik heb al een stapel dirhams gekocht, van iemand die ze over had.



Af en toe begrijp ik ineens waarom de mensen om mij heen wel eens wat moe van me worden. 

(Sorry, Henk. En wat lief van je dat je mij altijd onze vakanties laat bedenken, omdat ik dat nou eenmaal zo leuk vind. En het komt ook altijd goed, hè? Uiteindelijk.)

dinsdag 19 mei 2015

Een kat met een kokertje

Het lijkt erop dat mijn gebeden zijn verhoord, want we hebben een kat tegenwoordig.
In onze tuin. Bij de achterdeur. In de keuken. Op het aanrecht.
Heel gezellig.

Hij heeft een rood halsbandje om, met een belletje en een kokertje.
Waarschijnlijk is het een kat van iemand uit de buurt, die ineens heeft ontdekt dat het bij ons ook leuk is.
Of leuker, te oordelen aan het tevreden gespin.

Hij is er niet de hele tijd.
Af en toe is hij een paar dagen weg, maar hij komt telkens weer terug.
Het zou ermee te maken kunnen hebben dat  we  de kinderen hem allerlei lekkers toestoppen, zoals kaas. En volle kwark. En plakjes ham.
Dingen, zeg maar, waarvan ik, als het mijn kat was, niet zou willen dat ie dat gevoerd zou krijgen bij de buren.


Ik probeer me niet teveel aan hem te hechten. Het is immers niet onze kat; hij mag niet blijven. Hij mag niet mee naar binnen, op de bank, want hij heeft een kokertje.

Intussen heb ik wel de onbedwingbare behoefte om meer over hem te weten te komen. (Waar woont hij? Wie zijn z’n baasjes? Zijn ze lief voor hem? Is het eigenlijk wel een hij? Of een zij? Ik denk eigenlijk het laatste.)
Maar ik krijg het kokertje niet open. En ik vind onze vriendschap nog te pril om nu al met een waterpomptang zo dicht in de buurt van het nekje te komen.

Ik heb overwogen om het halsbandje af te doen en het in de bankschroef te proberen, maar ik ben bang dat ik het dan in een opwelling in de vuilnisbak gooi en vervolgens alles ontken. Dat ik gewoon gewetenloos iemands kat steel. Ik sta niet voor mezelf in.


Dus ik laat het er maar bij.
Bovendien: er wás ook iets met katten hè; we hebben er niet voor niets geen.
Hoewel man en zoon, net als ik, innig met hem knuffelen en vooralsnog geen symptomen vertonen....
Misschien moet ik het maar gewoon zo bekijken: onze leenkat biedt ons gratis en voor niets een natuurlijke allergietest.


(Wel heb ik me ook nog even hardop afgevraagd of het wellicht mijn overleden schoonmoeder is, die aan ons verschijnt in de vorm van een zwarte kat – tsja, na het overlijden van mijn schoonvader kwam er steeds een vogeltje bij ons op de buitentafel zitten, dus waarom in dit geval geen…? Enfin. Henk vond dit overigens niet grappig en zei dat ik even normaal moest doen. En terecht.)


woensdag 15 april 2015

Onnavolgbaar

Mijn 'taalpreken' beginnen altijd met een enigszins deemoedige disclaimer in de trant van: ‘Dit wordt heus geen betweterig taallesje hoor, of misschien stiekem toch, haha hihi.’ 

Enerzijds is dat omdat ik eigenlijk gewoon graag door iedereen leuk gevonden wil worden – en dus niet irritant, maar anderzijds ook omdat ik het eigenlijk wel een beetje ééns ben met de afhakers, de mensen die geërgerd denken: jemig Novy, wat kan het mij nou in de godsnaam schelen hoe je iets eigenlijk zou moeten zeggen of schrijven.

Want waar gaat het in wezen over?

Als je erover nadenkt is het absurd om een taal tot stilstand te willen dwingen; te vangen in een groen wetboekje en vervolgens de vrijwillige taalpolitie te laten toezien op correcte naleving.

Dat slaat nergens op en het kán ook helemaal niet; de taal rent met ons mee.

Nog heel even en het woord ‘meteen’ is voorgoed verdwenen, verzwolgen door 'gelijk'.
Je doet er niets aan.
Het is natuurlijke selectie.
Evolutie.
De dodo is uitgestorven, de dino’s ook.
Zo gaat dat.
Het is niet anders.
De tijger zal ook uitsterven. Dat weten we allemaal. Misschien nog niet in ons mensenleven, maar hij gaat eraan.

Maar ho, wacht!
STOP!
Dat willen we niet!
Dat moeten we proberen te voorkómen – ook al is het dan waarschijnlijk tevergeefs.
We richten actiegroepen op en worden lid van het Wereld Natuur Fonds.


Zo is het leuker bekeken: Ik zit niet bij de taalpolitie, ik ben gewoon lid van de stichting Red De Tijger! Wrauw!



Vandaag doe ik een poging het woord ‘onnavolgbaar’ te redden.
Daar gaat het namelijk niet best mee; het lijkt slachtoffer te zijn geworden, van een hostile take-over. Door een andere betekenis.


Kijk: (een kleine greep uit vele voorbeelden)

 





Onnavolgbaar betekent: 'Zó goed, dat het niet na te doen is.'

Navolgen, immers, betekent zoveel als: hetzelfde bereiken, in iemands voetsporen treden, iemand evenaren.

'Wat Sven Kramer doet op de tien kilometer is onnavolgbaar.'
'Benfica aanvaller Salvio passeerde zijn tegenstander op onnavolgbare wijze.'


Onnavolgbaar betekent NIET: niet te volgen / onbegrijpelijk / ksnaperniksvan


'Onnavolgbare logica' (185.000 hits op google! Damn!) slaat dus nergens op, tenzij je bedoelt dat je de betreffende redenering weergaloos vindt en niet te overtreffen briljant.

Onvolgbaar zou wel kunnen, maar dat woord bestaat niet.


Ik geef toe, het zou hartstikke leuk zijn als allebei de betekenissen goed waren.
Alleen al omdat je dan van sommige dingen kon zeggen dat ze 'onnavolgbaar onnavolgbaar' zijn.
Maar helaas.



Goed.

RED DE TIJGER!


donderdag 9 april 2015

Het laatste woord

Ik wilde openen met de zin: 'Ik heb een fascinatie voor begraafplaatsen.'
Maar dat is onzin, het is helemaal geen fascinatie, ik vind het gewoon leuk om over een kerkhof te wandelen.
Vooral als het zonnetje schijnt.

Het is als een gewone wandeling, lekker buiten in de natuur, maar dan met iets te lezen erbij.
En daar hou ik van, want ik wil altijd overál wel iets te lezen bij.


Mijn gezin houdt er ook van, en zo liepen we afgelopen paasmaandag de hele middag over het Selwerderhof. Een beetje te gniffelen om gekke namen op monumenten.  Verhalen te verzinnen, rondom de in steen gegraveerde teksten. (Bij sommige graven hoeft dat niet, die vertellen uit zichzelf al een hartverscheurend verhaal.)


Ik weet eigenlijk niet of het raar is.
In feite is een begraafplaats toch ook een soort openluchtmuseum?
Ik zou het persoonlijk wel een leuk idee vinden, als er af en toe nog eens mensen langs mijn grafsteen zouden lopen, die mijn naam zouden spellen en uitrekenen hoe oud ik was toen ik stierf.
(En dit is tegelijkertijd een gekke gedachte, want ik wil immers gecremeerd. Denk ik. Enfin.)


Merlijn maakte nog een steengoeie grap, trouwens, waar we wel een kwartier over na bleven grinniken. Behalve Bo dan.
Voor ik de grap kan vertellen, moet ik eerst wat achtergrondinformatie geven.
Tot vorig jaar sliepen onze drie kinderen altijd samen in één (groot tweepersoons)bed. Niet uit ruimtegebrek; ze hadden alledrie een eigen kamer, maar twee daarvan stonden permanent leeg. Die hadden we best kunnen verhuren.
Vorig jaar kwam daar verandering in. Bo ging naar de middelbare school, werd puber, en wilde vanaf toen alleen slapen. Logisch.
Maar ze is een beetje doorgeslagen.
Soms, in het weekend vindt ze het gezellig als haar broertje en zusje komen ‘logeren’, maar dan moeten ze hun eigen matras meenemen.
Terwijl zij dus nog steeds dat tweepersoonsbed heeft, van 1 meter 60 breed.
Ze heeft veel ruimte nodig momenteel, zullen we maar denken.


Goed, we kwamen dus langs een tweepersoonsgraf, waarin twee echtelieden naast elkaar waren begraven en niet – zoals meer gebruikelijk – boven elkaar.

Zegt Merlijn: ‘Zo eentje wil Bo later als ze dood is, maar dan voor haar alleen.’
Haha. Haha.
Oké, misschien had u erbij moeten zijn, of toch nog iets meer ingewijd, om de grap echt te waarderen. Maar geloof me, het was hilarisch.


We liepen overigens heus niet alleen maar te ginnegappen hoor, helemaal niet; we hadden net vorige week oma – de moeder van Henk – begraven en daar was natuurlijk niets grappigs aan.


Hoewel.
Het was op die dag dat het zo verschrikkelijk stormde, in het noorden van het land.

We arriveerden met de rouwauto (hier heb ik even het synoniemenwoordenboek voor moeten raadplegen; ik kwam niet verder dan lijkwagen, was daar niet een vriendelijker woord voor?) bij het hek, waarop een groot bord prijkte met de roodomrande tekst: ‘De begraafplaats is gesloten i.v.m. de storm.’

Ehm.

Gelukkig kon de afscheidsdienst toch doorgang vinden, er mocht alleen uit veiligheidsoverwegingen naderhand, behalve een klein groepje naaste familie, niemand mee naar het graf.
En dat was zeker geen overdreven maatregel.
Het was onstuimig.
We zwoegden met de kist – op wielen, dat wel – tegen de wind in, terwijl overal om ons heen takken afgerukt werden en hele bomen zomaar in tweeën braken.


Tijdens de ceremonie had 'My friend the wind' van Demis Roussos uit de speakers geklonken, omdat mijn schoonmoeder dat zo’n mooi lied vond.

Ze had altijd graag het laatste woord.