vrijdag 6 oktober 2017

Een liesbreukoperatie?


‘Ik zou gewoon maar tegen iedereen zeggen dat je een liesbreukoperatie krijgt,’ adviseerde een vriendin.

‘Echt, hè,’ zei ik. 

Want ik wist het natuurlijk wel: het is een taboe.
Ik kan niet gewoon vertellen over de operatie die ik moet ondergaan.
Omdat het een ‘vrouwenoperatie’ is. Met baarmoedergedoe en bekkenbodemdinges. Daar praat je niet over. Want het is niet sexy. Iets wat ik in mijn nieuwe status als single natuurlijk juist wél moet zijn.

Ik heb het een tijdje serieus overwogen.
Maar…. een liesbreukoperatie?
Dat zou dan op zijn minst een heel gecomplicéérde liesbreukoperatie moeten zijn, want hoe ga ik anders aannemelijk maken dat ik wekenlang niet veel meer kan dan voetje voor voetje door het huis schuifelen? Met morfine, en als het tegenzit een fucking plaskatheter?



Het zit zo. Bij mijn eerste bevalling ging het een en ander mis. Ik zal het even snel en zakelijk vertellen. (Omdat u anders denkt: bij die Novy is alles altijd net een tikkeltje dramatischer dan bij andere mensen.)

Na drieënveertig (!) weken zwangerschap en zeventien uur in de hel, besefte men dat de baby te groot was voor het geboortekanaal en dat er een keizersnee moest plaatsvinden. 
En juist op dat moment, stopte het ongeboren hartje. (We hoopten nog even dat een losgeraakt draadje de flatline op de monitor veroorzaakte, maar nee.)
Toen ging alles snel. Daar was ineens de gynaecoloog, op wie we al tien uur wachtten. Hij aarzelde geen moment en trok met een vacuümpomp en een ketting en veel gekraak en geweld onze dochter ter wereld, wat mij een gebroken bekken, een totaalruptuur en een gescheurde bekkenbodemspier opleverde.


Ze werd gereanimeerd, met succes - thank god – en na een paar angstige dagen aan de hartbewaking, waarin wij herhaaldelijk werden gewezen op de mogelijke gevolgen van het zuurstoftekort, werd ze eindelijk in mijn armen gelegd. Ze was prachtig. En alles was goed.

In de week dat ik in het ziekenhuis lag (met onbeschrijflijk veel pijn; de eerste dagen kon ik mijn lichaam nog geen centimeter bewegen - en ik ben heus geen watje) verschenen er mensen aan mijn bed. Met excuses. Dat er een inschattingsfout was gemaakt. Dat ze veel eerder hadden moeten besluiten tot een keizersnee. Dat ze onderbezet waren in de betreffende Oud-en-Nieuw-nacht. Pas later begreep ik dat ze waarschijnlijk bang waren dat ik een klacht zou indienen. Misschien had ik dat ook moeten doen, maar daar was ik totaal niet mee bezig. Ik had een kind! Een levend, gezond kind! Ik zat met mijn gebroken bekken keihard op een roze wolk .



En dan. Tsja, zo’n bekken groeit weer aan elkaar. En zonder bekkenbodemspier valt prima te leven: vijftien jaar lang, in mijn geval, zonder problemen. (Waarin ik zelfs nóg twee kinderen heb gekregen - vraag niet hoe ik dat durfde.) Dat ik niet zoveel weeg heeft misschien ook meegeholpen.
Maar inmiddels is dan toch het moment gekomen dat er herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Om mijn organen ook in de tweede helft van mijn leven nog wat op hun plek te houden.
Dat is het wel zo’n beetje.

En dat klinkt best simpel.
Maar het is een nogal pittige ingreep. Met honderdduizend hechtingen enzo. En een lange, pijnlijke herstelperiode. Zo’n ingreep waarbij de chirurg je medelijdend toespreekt: ‘Het zal u gaan tegenvallen.’  Wat bevestigd werd door een aantal vrouwen met wie ik heb gesproken die gelijksoortige behandelingen hebben ondergaan (want die zijn er dus, maar dat wéét niemand).


Ik vind het doodeng.
Het is volgende week al.
Ik ben echt bang.
En misschien dat er ook wel een klein traumaatje wordt opgerakeld.

En het wordt een hoop gedoe, sowieso. Met drie kinderen. En hun vader die nog steeds niet zeker weet of hij en hoe lang hij verlof kan krijgen om voor ze te zorgen.
En ik kan en mag dus echt niks, hè. Wekenlang. Niet fietsen of autorijden, niet eens de vaatwasser uitruimen of de was ophangen.

En dan mag ik er óók nog eens niet over vertellen. Want het is een taboe. En niet sexy.



Sexy my ass.




zondag 24 september 2017

Hulpvraag: Ik wil zo graag mijn naam


Ik ben natuurlijk niet zomaar weer gaan bloggen hè. Ik heb u nodig. Zo moet ik binnenkort een operatie ondergaan (waar ik meer over ga vertellen, als ik heb bedacht hoe) en heb ik de weken daarna vast mensen nodig om tegenaan te klagen. 
En dan is er ook nog de volgende case, waar ik maar niet uitkom. 

Ik waarschuw wel: het is een tamelijk langdradig (en al eens eerder verteld) verhaal, met veel (rare) namen, waarbij ik onontkoombaar mijn hele achtergrond te grabbel gooi, bovendien is het nogal een non-issue, op de schaal van wereldvrede en milieu, en al helemaal als je denkt dat de het einde der tijden is aangebroken.

Dus alleen als u er zin in heeft.



Ik werd geboren en kreeg de achternaam Gortzak.
Dat was niet perse de leukste naam om mee op te groeien. In Amsterdam was ik er misschien nog enigszins mee weggekomen; daar wonen er meer – maar in Norg, het dorpje in Drenthe waar we halverwege de jaren 1970 naartoe verhuisden, zag men er de humor niet van in. Of juist wel, bedoel ik dan.

Ik sloeg me er dapper doorheen: Je moet toch érgens mee gepest worden, nietwaar, en dan misschien nog beter met je achternaam dan met je flaporen.

Maar toen ik op mijn vijfentwintigste leerde dat mijn naamgever, Dick Gortzak, niet mijn werkelijke vader was – iets wat ik al heel lang vermoedde en stiekem hoopte (we hadden geen beste band) – was ik er helemaal zat van. No more Gortzak for me.

Bovengenoemde openbaring vond toevallig plaats op de dag voor mijn bruiloft, zodat ik stante pede kon beslissen om de naam van mijn echtgenoot aan te nemen. Enigszins traditioneel, en niet heel feministisch, maar wel functioneel.

Vanaf toen heette ik Yvon Mekkring. Ik was er content mee: ik kon ermee door het leven, waar men nu eenmaal een achternaam dient te hebben.


Maar nu, het zal weinigen ontgaan zijn: mijn huwelijk is op de klippen.
Henk en ik zijn uit elkaar.
En nu wil ik dus geen Mekkring meer heten.

Maar…. ik kan ook niet terug naar Gortzak! Want dat is al met al zo'n pijnlijke geschiedenis geworden!


Dus wat nu?

Mijn zusje – halfzusje – zei: ‘Neem gewoon de naam Hazeleger!’ Dat vond ik echt reuze lief. Maar het lijkt me ook een beetje brutaal; ik heb mijn echte vader tenslotte nooit zélf kunnen vragen of hij een het goed idee vond dat ik zijn naam zou dragen. (Hij was al overleden voor het geheim uitkwam.)

Een véél beter plan, en administratief ook een stuk simpeler leek me, zou zijn als ik de naam van mijn moeder zou nemen. Mijn moeder (die al veertien jaar weduwe is en inmiddels weer haar meisjesnaam voert) wil dat namelijk dolgraag. En ik ook: het is een mooie naam, bovendien vind ik mijn moeder lief en was haar vader, Willem van Apeldoorn,  de allerleukste en grappigste opa van de wereld.

Nou, geregeld, zou je denken.

Maar nee dus.

Want het kan niet.

(Dat weet ik sinds ik me er een paar jaar geleden al in verdiepte, toen de namenkwestie ook even speelde, zij het zonder de urgentie van nu.)

Het mag niet.
Je mag als je ouder bent dan achttien niet de naam van de andere ouder aannemen. Ook al heb je er nog zo’n goed verhaal bij. En betaal je keurig 835 euro administratiekosten.



Nouja, er is één klein ieniemieniemogelijkheidje.

De C-route.
De route van de 'psychische hinder'.
Maar langs die route vind je overal waarschuwingsborden: Dit is een zeer moeilijke weg! Ga terug! Het is geen gemakkelijke procedure! En hadden we al gezegd dat een dergelijk verzoek bijna nooit wordt ingewilligd?


De C-route houdt in dat je een ‘onafhankelijke BIG-geregistreerde psycholoog’ laat verklaren dat je psychische hinder ondervindt van je achternaam. En dan moet je vervolgens hopen dat iemand bereid is om op basis van die verklaring de procedure in gang te zetten.
Leuke bijkomstigheid: De administratiekosten à 835 euro die je vooraf moet betalen, krijg je niet terug als het verzoek wordt afgewezen.


En dat weerhoudt me dus een beetje van actie. Want hoe moet ik die waarschuwingen interpreteren? ('Dit is geen gemakkelijke procedure!')

Zou het genoeg zijn, wanneer ik de onafhankelijke BIG-geregistreerde psycholoog vertel dat ik het psychisch hinderlijk vind dat ik officieel te boek sta met namen die schrijnen; een van mijn vader die mijn vader niet was, de ander van een man die mijn man niet meer is? Dat ik telkens een beetje misselijk word wanneer ik een formulier moet invullen? En als ik post krijg van instanties?
Of moet ik de onafhankelijke BIG-geregistreerde psycholoog op de mouw proberen te spelden dat ik mijn polsen doorsnij als de naam in mijn paspoort niet wordt veranderd? Of moet ik een luguber incestverhaal verzinnen? Is dat pas een argument waarvoor men zwicht? 
('Hadden we al gezegd dat een dergelijk verzoek bijna nooit wordt ingewilligd?')


Ik vind het zo flauw allemaal dit!
En dus schuif ik de boel maar zo’n beetje voor me uit.


In het dagelijks leven noem ik mezelf al geruime tijd van Apeldoorn. Niet alleen op social media en in mijn werk, maar ook gewoon, aan de telefoon enzo. (‘Hallo u spreekt met Yvon van Apeldoorn. Ja, nee, dat klopt. In uw systeem sta ik onder een andere naam. Ja, ik begrijp dat dit verwarrend is.’)  Het lukt allemaal wel, maar het is reuze onhandig. En het voelt de hele tijd alsof ik de kluit belazer.


Dus. 
  
Is er misschien iemand die (iemand kent die) me kan helpen? Meedenken? Adviseren? Een advocaat? Of een onafhankelijke BIG-geregistreerde psycholoog, die vaker met dit bijltje heeft gehakt? Of iemand bij Justis, die het ook stom vindt na het lezen van dit verhaal en die het gewoon even voor me gaat regelen
Want ik wil zo graag mijn naam. 



    (Uit: Heel klein mannetje - Sybren Polet)


zaterdag 16 september 2017

Ik ging op vakantie en nam mee


Ik ging op vakantie en nam mee: mijn drie kinderen.
Ik zou dat iedereen kunnen aanraden; mijn kinderen meenemen op vakantie, als dat niet een beetje raar was en bovendien logistiek lastig en misschien ook wel wat ontwrichtend voor ons gezinsleven.
(U snapt vast dat ik iets probeer te zeggen in de trant van 'die gasten, die kun je er wel bij hebben,' maar dan leuker. Lukt niet helemaal. Beetje roestig. Krijg je ervan.)


Was ik daags voor de reis nog wat zenuwachtig (had ik niet beter gewoon een weekje naar Vlieland kunnen gaan? Of lekker veilig ergens in een all-inclusive vakantieoord? Waarom moest ik nou weer zo nodig met rugzakken op door Portugal?), dat was natuurlijk nergens voor nodig. Want het werd uiteraard geenszins griezelig, of spannend. (Je moet dat ‘vrouw alleen op vakantie met drie kinderen’ ook in perspectief zien: twee van die kinderen torenen inmiddels ruimschoots boven mij uit.)
Wel werd het verrékte leuk. Verrassend plezierig ook, merkte ik, om in zo’n vakantiesetting de enige volwassene te zijn; kun je zelf een beetje inhoud geven aan dat concept. Haha.
Maar nee, serieus: het was heerlijk.

Op een dag, ergens op tweederde van de vakantie, was er zelfs een Moment van Groot Geluk.
We liepen langs een groot leeg strand, in de brandende hitte, balancerend op het randje van een zonnesteek, we raapten schelpen op, namen af en toe een duik in zee…. en ineens was het er. Ik dacht nog even; wat krijgen we nou? (Ik heb dat niet zo vaak, namelijk.) Maar toen begreep ik het. Ik voelde kippenvel over mijn hele lichaam, mijn hart leek ineens te groot voor mijn borstkas; ik barste bijna uit elkaar. Van geluk.

video


En het werd nog beter.
Want ik sloeg natuurlijk onmiddellijk door – groot geluk moet geuit worden nietwaar, in een poging het tastbaar te maken, om het te kunnen vasthouden – en jubelde lyrisch: ‘Als ik ooit doodga hè, dan moeten jullie vertellen, op mijn begrafenis, dat ik hier dus het állergelukkigst van werd. Van zwerven langs een groot leeg strand, in de brandende hitte, op het randje van een zonnesteek, schelpen oprapen…af en toe een duik in zee…’

'Ja da's goed,' zei Bo. 'Maar dan vertel ik dit er ook bij, hè. Dat we dat van jou moesten zeggen.'


Ze was me overduidelijk aan het bashen, met een grijns die leek toe te voegen: '.. want dan zeg ik tenminste écht iets over je,' maar ik vond het zo… lief! En slim! En grappig! En.. alles! Ik werd er zo mogelijk nog gelukkiger van.

Ze kent me.

Dat is het wel, denk ik: gekend worden door je kinderen.



maandag 10 april 2017

Stel, je komt te laat


Stel, je komt te laat. Op school. Of bij een vergadering. Of je koorrepetitie.
Ze zijn al begonnen.

Je hebt dan de keuze. Ofwel je doet voorzichtig de deur op een kier, sluipt naar binnen en gaat stilletjes op een lege plek zitten. Fluistert eventueel wat excuses, mocht dat nodig zijn.
Ofwel, je zwaait ferm de deur open en biedt met opgeheven hoofd en luide stem je verontschuldigingen aan en vertelt in geuren en kleuren waarom je te laat was; de brug stond open, de wekker was stuk, je band was lek.

Er is voor beide wat te zeggen.


Ik weet het niet zo goed, nu.
Ik sta voor de deur.
Zal ik naar binnen sneaken, net doen alsof er niets gebeurd is, en gewoon weer eens een stukje schrijven? Over de dingetjes van het leven? Of knal ik de deur open en vertel ik met veel misbaar WAAR IK IN DE GODSNAAM HEB UITGEHANGEN AL DIE TIJD!?

Wat betreft dat laatste kan ik in elk geval zeggen: I’ve been to many places. (En dat zeg ik in het Engels, omdat daar meer overdrachtelijk drama in doorklinkt.)



Het was wel raar.
Ik schreef ineens niet meer.
Eerst omdat het niet kon. Alles wat ik meemaakte was  ….. te écht om zomaar op te schrijven, voor het oog van de wereld. En voor minder beladen onderwerpen was geen ruimte.

Ik schreef niet meer.
En op een bepaald moment begon het lekker te voelen.
Ik wilde zó graag – ik wist dat ik moest gaan schrijven om weer gelukkig te kunnen worden – maar ik deed het lekker niet. Wat een macht! Ha!

En toen ik die bullshit zo’n beetje voorbij was, en besloten had dat ik het gewoon weer ging dóén, bleek dat ik het niet meer kon. Het ging niet. Ik wist niet meer hoe het moest. 
Dat eerste woord.

(Als het niet enigszins onethisch was om relatief onschuldige gekkigheden met ernstige ziektes te vergelijken, dan zou je het 'schrijfanorexia' kunnen noemen.)


Maar hee. Kijk dan!
Letters!

Ik kom er wel weer bovenop.
Hapje voor hapje.