donderdag 2 november 2017

Warme dekens


Ik moest een blauw operatieschort aantrekken, met knoopjes op de rug, en strakke witte kousen, helemaal tot mijn liezen. Daarna werd ik met bed en al naar de operatieafdeling gereden. Het was er koud. Logisch; bij lagere temperaturen verspreiden bacteriën zich minder snel en het personeel blijft lekker alert. Denk ik. Maar ik wist het eigenlijk niet. Dat het er zó koud zou zijn.
Er waren nog drie bedden in de ruimte, met mensen die ook voorbereid werden op een operatie. Ik probeerde me voor hen te interesseren, maar het ging niet: ik was teveel met mezelf bezig.

Iemand probeerde een infuus in mijn linkerhand te prikken. Het deed pijn. Ik keek de andere kant op. Het duurde lang. ‘Lukt het?’ vroeg ik, met mijn hoofd nog steeds gedraaid. ‘Nee. De naald wil niet opschuiven. Ze moeten het straks op de OK maar doen.’
Het prikken hield op. Ik keek naar mijn hand, uit een gaatje liep een straaltje bloed. Ik kreeg een watje, dat ik er stevig op moest drukken.
Het begint al goed, dacht ik.
Ik lag inmiddels te rillen van de kou. Iemand kwam een deken over me heen leggen. Een voorverwarmde deken, alsof hij uit de oven kwam.
‘Lekker hè, die hebben we hier, warme dekens.’
De omgeving leek plotseling een stuk minder vijandig. Ik voelde me zo getroost door de warmte, dat ik bijna vergat dat alles nog moest beginnen.



Ineens was ik aan de beurt. Opnieuw werd mijn bed door een gang gereden, tot ik in een ruimte kwam waar twaalf ogen mij verwelkomden. Ik herkende de ogen van de chirurg.
‘Hoi,’ zei ik.
‘Hoi,’ zei hij.
Hij vertelde nog even wat hij ging doen – zodat daar geen misverstanden over konden bestaan – en toen kreeg ik een ruggenprik.
Vrijwillig en bij je volle verstand je onderlijf verlamd laten maken is best raar. (Dat hele ziekenhuisgedoe is één grote les in loslaten; je lichaam is even niet van jou, maar van hún. Er wordt in gesneden en voortdurend in geprikt, er wordt bloed uit gehaald en vloeistof in gespoten, er worden slangen in gepropt en er weer uit getrokken… je kijkt ernaar en je ondergaat het allemaal, alsof je je auto naar de garage brengt voor een reparatie en er zelf in moet blijven zitten. Althans, zo probeerde ik het maar te zien.)

Ik moest op de rand van de operatietafel komen zitten en voorover leunen, in de armen van een operatieassistent met de liefste ogen die ik ooit zag. Ze stelde zich voor en ik was van plan haar naam te onthouden, maar dat is mislukt.
Het deed geen pijn. Er gingen alleen een paar griezelige elektrische schokken door mijn linkerbeen. ‘Het lijkt of ik onder stroom sta,’ piepte ik.
Ja, dat kwam vaker voor.
Toen voelde ik mijn benen warm en raar worden. Ik werd neergelegd en door vier mensen een eindje naar beneden verplaatst. En weer omhoog, want te ver – en weer naar beneden, want weer te ver. Ik moest erom lachen.
Vlak voor ik mijn lenzen uitdeed en het slaapmiddel toegediend kreeg  – zodat ik er maar niets van mee zou krijgen – vroeg de chirurg me nog iets, waaruit ik opmaakte dat hij mijn tweet van de avond tevoren had gelezen.
?
In die verwarring viel ik in slaap. 








Daar ben ik weer, geloof ik.
O nee, niet.
O ja, toch wel.
Een stem, die zegt dat de operatie is geslaagd.
Dat is fijn.

Hee, waar was ik?
Waar ben ik nu?
Er loopt iemand om mijn bed. Een kleine donkere vrouw. Ze praat tegen me. 
Heb ik pijn? Ik weet het niet. Ja, ja ik heb pijn. Heel erg zelfs! Cijfer? Negen! Negenenhalf!
Ik snap niet zo goed wat de pijn is, het zit helemaal onderin mijn buik, maar weet ik veel, ik slaap nog, laat me slapen. Ik heb het zo koud. 
Ik krijg weer zo’n deken. En nog een. En nog een. Ik lig onder drie warme dekens uit de deken-oven.
Je krijgt morfine, zegt de vrouw. Ik kan haar niet goed zien; ik heb geen lenzen in – en -10.  Ik merk dat ze iets op mijn infuus in mijn rechterhand klikt. Meteen daarna voelt het alsof er een olifant op mijn borstkas gaat zitten en mijn rechterarm begint ZO ERG TE JEUKEN! Ik gil en steek mijn arm omhoog, die onmiddellijk knalrode strepen vertoont, die zelfs ik kan zien.



Allergisch voor morfine.
Haha.
Dat heb ik weer.
Het was het enige waarop ik me nog een beetje had 'verheugd' - bezien in het licht van de totale paniek omtrent de hele operatie.
Nouja.
Het kwam weer goed. Ik kreeg een andere pijnstiller in mijn infuus en viel weer in slaap.


Een paar uur later werd ik teruggereden naar de verpleegafdeling, waar ik die ochtend was begonnen. Kijk, daar stond mijn tas en daar was mijn telefoon en daar waren mijn vriendinnen met bloemen, en mijn kinderen, ik was euforisch: het was achter de rug! Het was doodeng geweest, maar goed gegaan, ik was een held, yeah!

Nadat iedereen weer weg was en ik had gegeten, sloeg ik, nog steeds nogal hyper, mijn laptop open met het plan om te twitteren over hoe zielig ik was en over hoe áángerand je je voelt de hele tijd, in zo’n ziekenhuis, met al die naalden en slangen.


En toen las ik dat Anne Faber was gevonden.


En was het allemaal ineens weer relatief.
Zó aangerand was ik nou ook weer niet.
En ik leefde nog, bovendien.


zaterdag 16 september 2017

Ik ging op vakantie en nam mee


Ik ging op vakantie en nam mee: mijn drie kinderen.
Ik zou dat iedereen kunnen aanraden; mijn kinderen meenemen op vakantie, als dat niet een beetje raar was en bovendien logistiek lastig en misschien ook wel wat ontwrichtend voor ons gezinsleven.
(U snapt vast dat ik iets probeer te zeggen in de trant van 'die gasten, die kun je er wel bij hebben,' maar dan leuker. Lukt niet helemaal. Beetje roestig. Krijg je ervan.)


Was ik daags voor de reis nog wat zenuwachtig (had ik niet beter gewoon een weekje naar Vlieland kunnen gaan? Of lekker veilig ergens in een all-inclusive vakantieoord? Waarom moest ik nou weer zo nodig met rugzakken op door Portugal?), dat was natuurlijk nergens voor nodig. Want het werd uiteraard geenszins griezelig, of spannend. (Je moet dat ‘vrouw alleen op vakantie met drie kinderen’ ook in perspectief zien: twee van die kinderen torenen inmiddels ruimschoots boven mij uit.)
Wel werd het verrékte leuk. Verrassend plezierig ook, merkte ik, om in zo’n vakantiesetting de enige volwassene te zijn; kun je zelf een beetje inhoud geven aan dat concept. Haha.
Maar nee, serieus: het was heerlijk.

Op een dag, ergens op tweederde van de vakantie, was er zelfs een Moment van Groot Geluk.
We liepen langs een groot leeg strand, in de brandende hitte, balancerend op het randje van een zonnesteek, we raapten schelpen op, namen af en toe een duik in zee…. en ineens was het er. Ik dacht nog even; wat krijgen we nou? (Ik heb dat niet zo vaak, namelijk.) Maar toen begreep ik het. Ik voelde kippenvel over mijn hele lichaam, mijn hart leek ineens te groot voor mijn borstkas; ik barste bijna uit elkaar. Van geluk.



En het werd nog beter.
Want ik sloeg natuurlijk onmiddellijk door – groot geluk moet geuit worden nietwaar, in een poging het tastbaar te maken, om het te kunnen vasthouden – en jubelde lyrisch: ‘Als ik ooit doodga hè, dan moeten jullie vertellen, op mijn begrafenis, dat ik hier dus het állergelukkigst van werd. Van zwerven langs een groot leeg strand, in de brandende hitte, op het randje van een zonnesteek, schelpen oprapen…af en toe een duik in zee…’

'Ja da's goed,' zei Bo. 'Maar dan vertel ik dit er ook bij, hè. Dat we dat van jou moesten zeggen.'


Ze was me overduidelijk aan het bashen, met een grijns die leek toe te voegen: '.. want dan zeg ik tenminste écht iets over je,' maar ik vond het zo… lief! En slim! En grappig! En.. alles! Ik werd er zo mogelijk nog gelukkiger van.

Ze kent me.

Dat is het wel, denk ik: gekend worden door je kinderen.



maandag 10 april 2017

Stel, je komt te laat


Stel, je komt te laat. Op school. Of bij een vergadering. Of je koorrepetitie.
Ze zijn al begonnen.

Je hebt dan de keuze. Ofwel je doet voorzichtig de deur op een kier, sluipt naar binnen en gaat stilletjes op een lege plek zitten. Fluistert eventueel wat excuses, mocht dat nodig zijn.
Ofwel, je zwaait ferm de deur open en biedt met opgeheven hoofd en luide stem je verontschuldigingen aan en vertelt in geuren en kleuren waarom je te laat was; de brug stond open, de wekker was stuk, je band was lek.

Er is voor beide wat te zeggen.


Ik weet het niet zo goed, nu.
Ik sta voor de deur.
Zal ik naar binnen sneaken, net doen alsof er niets gebeurd is, en gewoon weer eens een stukje schrijven? Over de dingetjes van het leven? Of knal ik de deur open en vertel ik met veel misbaar WAAR IK IN DE GODSNAAM HEB UITGEHANGEN AL DIE TIJD!?

Wat betreft dat laatste kan ik in elk geval zeggen: I’ve been to many places. (En dat zeg ik in het Engels, omdat daar meer overdrachtelijk drama in doorklinkt.)



Het was wel raar.
Ik schreef ineens niet meer.
Eerst omdat het niet kon. Alles wat ik meemaakte was  ….. te écht om zomaar op te schrijven, voor het oog van de wereld. En voor minder beladen onderwerpen was geen ruimte.

Ik schreef niet meer.
En op een bepaald moment begon het lekker te voelen.
Ik wilde zó graag – ik wist dat ik moest gaan schrijven om weer gelukkig te kunnen worden – maar ik deed het lekker niet. Wat een macht! Ha!

En toen ik die bullshit zo’n beetje voorbij was, en besloten had dat ik het gewoon weer ging dóén, bleek dat ik het niet meer kon. Het ging niet. Ik wist niet meer hoe het moest. 
Dat eerste woord.

(Als het niet enigszins onethisch was om relatief onschuldige gekkigheden met ernstige ziektes te vergelijken, dan zou je het 'schrijfanorexia' kunnen noemen.)


Maar hee. Kijk dan!
Letters!

Ik kom er wel weer bovenop.
Hapje voor hapje.