maandag 26 maart 2012

Ik kom het wel even brengen

Toen ik net mijn tekstbureau begon las ik op een website met tips voor de startende ondernemer de volgende – ietwat lollige – tip:
'Heb je even wat weinig opdrachten? Ga dan niet bij de pakken neer zitten, maar gebruik de tijd om spullen op Marktplaats te zetten die je niet meer nodig hebt. Het houdt je van de straat en je genereert in een stille periode toch nog wat inkomsten!'

Inmiddels begint ons huis behoorlijk leeg te raken, dus het kwam maar goed uit dat mijn schoonmoeder naar een verzorgingstehuis ging en wij een groot deel van haar huisraad moeten zien kwijt te raken. En de inkomsten daarvan zijn natuurlijk technisch gesproken niet voor ons, maar het houdt me wél van de straat.
Hoewel.
Vandaag verkocht ik een vriezer.
Ik had een acceptabel bod ontvangen, dus mailde ik de bieder dat ik akkoord ging.
Kreeg ik de volgende mail terug:

Maar moet ik hem dan komen halen ofzo?

Ehm.

Nou, versturen lijkt me een beetje duur.
Of wilt u soms dat ik hem kon brengen?

Dat laatste was een grapje. Ik bedoel: ik heb al heel wat verkocht op Marktplaats, maar nog nooit ben ik iets gaan brengen of kreeg ik – omgekeerd – iets bij mij afgeleverd, anders dan met de post.

Ploing, mail.

Nou, als u hem zou willen brengen, graag.

Haha.
Nou, waarom niet.

Goed. voor een tientje bovenop de prijs kom ik hem wel brengen.
Mits u in Groningen woont.

En zo geschiedde.

Nu heb ik nog in de aanbieding: Een zonnescherm, een wasdroger en een snelkookpan.
Ik kom ze wel even brengen.


PS: Ik heb ook nog een bronskleurig zijden rokje van Laltromoda, in maat xl. Ook te gebruiken als zwangerschapsrokje. Heul chic. En duur geweest. En niet van mij (duh: xl).

woensdag 21 maart 2012

Vocal Fry

‘Ik moest aan je denken,’ twitterde een vriend laatst.




Ja, me dunkt dat hij aan mij moest denken! DAT IS POTDORIE MIJN SPELLETJE!
Want klik, dit schreef ik op 24 augustus 2011.

Ze heeft het gewoon van me gejat, dacht ik nuffig. Maar tegelijkertijd wist ik dat dat niet waar was. Het ligt veel meer voor de hand dat Paulien Cornelisse inderdaad hetzelfde spelletje speelt.
Want we hebben een beetje hetzelfde hoofd. Dat durf ik te beweren.
Ik denk dat ik zo’n beetje de laatste was die haar boekje las. Omdat ik niet zo hou van dingen die iedereen al doet en omdat ik onbewust waarschijnlijk iets had van: ‘Oja, oja? Nou, toevallig is taal ook best mijn ding, zeg maar. Dus pff.’
Uiteindelijk las ik het natuurlijk toch en ik moest er heel hard om lachen. Hahaaa! Echt, op bijna elke bladzijde was het raak. Een groot feest der herkenning. (Terwijl herkenning natuurlijk een vreselijk jeukwoord is. ‘Ik vond zoveel herkenning in die film van Woody Allen’. Ieuw. Om het maar helemaal niet te hebben over ‘een stukje herkenning’.)
Maar echt, ik zou het boekje geschreven kunnen hebben  ze zou het boekje speciaal voor mij geschreven kunnen hebben.
Ik ben zeg maar die opening in de vormenstoof waar het vormpje Paulien precies in past.
Nja. Nou klinkt het weer bijna alsof ik fan ben. En ik ben natuurlijk van niemand fan. Nee zeg.
Maar het is zo: als iemand me aan het lachen kan maken krijgt ie een hoge notering.
Eigenlijk ben ik natuurlijk gewoon een beetje jaloers.
Omdat ze grappiger is dan ik.
En vijf jaar jonger.
En op een podium durft te staan.
Ook al zit mijn haar dan beter.

En toen ging ik maar even wat googlen. En vond een recente column van Paulien Cornelisse op ncrnext.nl.
En ging gehoorzaam ‘vocal fry’ intikken op youtube.
Haha.
Zo suf.

maandag 12 maart 2012

Heb ik me weer eens in de nesten gewerkt?

Ik sta op het gevaarlijkste kruispunt van Nederland, laat wat fietsers passeren en trek op, als ik in mijn linker ooghoek ineens een voetganger zich voor mijn auto zie werpen.
Dus ik trap onmiddellijk weer op de rem en kom ruim – toch zeker een halve meter - voor het zebrapad tot stilstand.
Ik lach vriendelijk naar de voetganger, maak een charmant oeps-gebaar met mijn handen en mime 'sorry'.  Niet omdat dat echt nodig was (gelooft u me, er was eigenlijk niets aan de hand) maar gewoon, omdat ik nou eenmaal heel vriendelijk ben in het verkeer.
De voetganger, een wat vreemd leeftijdsloos mannetje met een wit mutsje op en een heel boos gezichtje, loopt voor mijn auto langs en begint me daar toch een partij te schelden!

Nou ben ik heel vriendelijk in het verkeer, maar ook snel verontwaardigd over onredelijk gedrag, dus ik deed met het knopje het raampje aan de passagierskant naar beneden, en sprak: ‘ Maar meneer, ik zei toch al sorry. Ik zag u wat laat, maar ik remde op tijd, er is niets aan de hand.’
‘Mijn bénen, mijn bénen! Je had bijna mijn bénen kapot gereden, mijn bénen,’ riep het mannetje met een rood hoofd van de agressie.
En toen: ‘Wat ben jij een kutwijf zeg, met je sorry, wat ben jij een kutwijf!’
‘Pardon?’
Nou ben ik heel vriendelijk in het verkeer, maar ook wat lichtgeraakt bij plotselinge grove bejegening en zei: ‘Weet u meneer, het zijn mensen zoals u waardoor de wereld wordt verziekt.’
En voegde daar onverstandig en tegen beter weten aan toe: ‘De volgende keer rij ik gewoon door.’

En toen werd dat mannetje zo boos dat hij mijn kenteken in zich opnam en toen reed ik weg want er stond intussen een hele rij auto's achter me maar nou zou het me dus niet verbazen als ik binnenkort een aangifte van bedreiging ontvang.
Haha.
Hm.
Ik hou u op de hoogte.

zondag 11 maart 2012

Trein

Mijn lichaam herkent hem eerst.
Ik voel mijn knieën knikken, mijn maag trekt zich samen. Het duurt seconden voor ik weet wie hij is. Maar dan weet ik het ook echt.
Ik ben hier niet op voorbereid.
Hij heeft mij ook gezien en wandelt over het perron mijn richting uit.
Anderhalve meter van me verwijderd blijft hij staan.
‘Anton?’
‘Bas, dat is lang geleden.’ Het klinkt afgezaagd, maar het is precies wat ik wil zeggen. Het had van mij nog veel langer geleden mogen zijn.
‘Ja,’ zegt hij. ‘Hoe is het, jongen?’
 Hij doet een stap naar voren. Ik zie dat hij twijfelt of hij me een hand zal geven. Hij doet het niet.
‘Goed,’ zeg ik. Ik lieg.
‘Woon je nog steeds in Amsterdam?’
Ik knik.
‘Echt waar? Man, hoe krijg je het voor elkaar.’
‘Gewoon nooit vertrokken. En jij? Jij zat toch in de States?’ Het klinkt raar. Ik had gewoon Amerika moeten zeggen.
‘Canada, hè. Getrouwd, kinderen, je weet wel. Ik zit in de olie. Management.’
Zijn hand verdwijnt in zijn colbert. Even ben ik bang dat hij zijn portefeuille zoekt om me zijn visitekaartje te overhandigen, of, nog erger, de stralende snoetjes van zijn kroost te laten bewonderen. Maar wat tevoorschijn komt is een pakje Marlboro. Uit zijn broekzak vist hij een aansteker.
Ik kijk hem aan. Daar staat hij, Bas van Schaik. Hij is er in geslaagd zijn leven voort te zetten. Hij heeft een baan, een vrouw, hij is vader. Het maakt me razend. Het is geen afgunst; ik neem het hem werkelijk kwalijk.

En ik ben er weer. Op die woensdagmiddag. Edwin Asman, Asman-plasman, rennend voor zijn leven, door het hoge gras. Wij vlak achter hem, lachend, joelend. Krijgers waren we! Buiten zinnen, door de geur van angst; hoe we hem opdreven, als levend wild, over het hek, door de struiken, naar het spoor... 
En hoe we gedrieën zworen op de waarheid. Het was een ongeluk. 

‘Ooit nog wat van Wil gehoord?’ vraag ik. Ik wil hem raken, bewijzen dat hij achter die zelfverzekerde façade in dezelfde hel leeft als ik. Maar mijn vraag mist de uitwerking. Bas kijkt me met grote ogen aan. ‘Je weet het niet?’
‘Wat.’
‘Wil is dood. Daarom ben ik hier. Hij wordt morgen begraven. Ben jij niet...heb jij geen kaart gekregen?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Gesprongen. In München. Zijn lichaam is gisteren op Schiphol aangekomen.’
‘Jezus.’ Ik probeer te slikken. Het gaat niet.
‘Ik keek er niet van op, eigenlijk,’ gaat Bas verder. Hij steekt zijn sigaret aan en inhaleert.

Een windvlaag blaast een leeg bekertje over het perron.

‘Bas,’ zeg ik. ‘Mijn vriend Bas.’
Ik leun met mijn gewicht naar voren, grijp zijn stropdas en begin te lopen. We lopen samen; ik vooruit, hij achteruit, ik duw hem, naar de rand.
Over de rand.
Het geluid van zijn schedel op het staal.
Zijn laatste adem in mijn gezicht.
Een oorverdovend geraas.
En dan stilte.

Ongelukken gebeuren.



dinsdag 6 maart 2012

Stupéfait


Ik denk dat ik maar eens ga proberen dit Franse leenwoord te integreren in mijn vocabulaire. Want ‘flabbergasted’ heeft zijn beste tijd wel weer gehad, vindt u ook niet?
En ik kan natuurlijk gewoon zeggen ‘met stomheid geslagen’, maar dat klinkt zo stom, en ‘ik sta paf’ doet me altijd denken aan Dikkertje Dap.

Stupéfait, dus.
Is ook wel lekker intellectueel, vind ik.

Net als velen van u waarschijnlijk, had ik de kinderen thuis vandaag. Want er werd gestaakt in het onderwijs.
‘Staken, dat is dat je met spandoeken enzo naar Amsterdam gaat’, vertelde Merlijn.
‘Nee hoor, zei ik, ‘staken is gewoon dat je niet gaat werken. Wat jij zegt is demonstreren.’
Maar eigenlijk had hij wel gelijk. Staken is tegenwoordig niet meer alleen je werk neerleggen, het moet ook een beetje een feestje zijn. Met pruiken en leuke groene sjaaltjes.
Ik sta trouwens, voor u me verkeerd begrijpt, volledig achter deze staking (die – zo lees ik net op nu.nl – tevergeefs is geweest), want het is natuurlijk van de zotte, de bezuinigingen in het speciaal onderwijs! (Die – zo lees ik dus net op nu.nl – nog doorgaan ook!)
Bah.
En ik was al zo mopperig vandaag.
Een dag is zo goed als het eerste half uur, zeggen ze wel eens. Dus als ik u vertel dat ik, toen ik net wakker was, constateerde dat de kinderen mijn macbook van de rand van de bank hadden gegooid, dan weet u genoeg.

Maar hee: morgen is er weer een dag.
Dus om maar even met mijn drie jaar oude dochter te spreken:


(Daar is overigens geen woord Frans bij.)



zaterdag 3 maart 2012

Blokkade

Ik blog niet he?
Nee, ik blog niet.
En ik weet wel waardoor dat komt: ik ben een beetje van slag door wat mensen in onze omgeving momenteel overkomt en dat maakt het moeilijk om ergens anders over te schrijven.
Dus ik dacht weet je wat ik doe, ik vertel het gewoon. Het verhaal dat de blokkade veroorzaakt.
En dat is een beetje eng, omdat ik helemaal niet weet of ik dat wel mag hier op mijn blog (ik denk het wel).

Ze was een tijdje de oppas van Bo en Merlijn, en we raakten bevriend.
Een paar jaar later waren we samen zwanger. Ik van ons derde kindje, zij van haar eerste.
Bij mij ging alles goed, bij haar niet.
Bij de eerste echo leek er iets niet in orde en een vlokkentest daarna wees uit dat het kindje een chromosoomafwijking had, het Syndroom van Turner.
Er waren geen levenskansen en er werd een geboorte opgewekt, met 16 weken.
Een paar dagen later begroeven ze een kistje in de tuin.
Ik schreef hier al eerder over. Over hoe lullig ik me voelde met mijn steeds dikker wordende buik, naast haar verdriet.
Ze was al snel weer zwanger.
Ik weet nog dat ik haar smste, voor ze de eerste echo kreeg: ‘Let maar op, alles is heus goed dit keer.’
Maar dat was niet zo: het hartje was kort daarvoor gestopt met kloppen.

En toen wist ik niet meer zo goed wat ik moest zeggen.
Met mijn gezonde levende baby op schoot.

Een hele tijd later – een héle tijd later; ze was al bang dat het nooit meer zou lukken – raakte ze opnieuw in verwachting.
En dit keer was de echo goed!
En ik riep maar steeds: ‘Geniet!’
Maar ze bleef bang en inderdaad, weer ging er iets mis: het kindje werd veel te vroeg geboren vanwege een zwangerschapsvergiftiging. Maar het was een sterk kindje, het groeide goed in de couveuse en mocht uiteindelijk mee naar huis.
En ze leefden nog lang en gelukkig.

Oh nee, toch niet.
Toen het meisje een paar maanden oud was, ontstonden er lichtbruine vlekken op haar lichaampje.
De kinderarts wist het meteen, geen twijfel mogelijk: een ernstige ziekte. Neurofibromatose.

Opnieuw wist ik niets te zeggen.
Zo vertelde ik haar bijvoorbeeld niet hoe knap ik het vond dat ze zo relatief zorgeloos kon genieten van haar dochtertje (dat pas haar eerste veraardag vierde) en van het moederschap. Door heel erg – wat de toekomst ook gaat brengen - in het hier en nu te leven.

Dat had ik best kunnen doen.
Hád ik het maar gedaan.
Want nu, nú weet ik pas echt niet meer wat ik moet zeggen!
Want wat er nu aan de hand is, is zo bizar en oneerlijk!
Een week geleden las ik op Facebook het bericht dat haar man, de vader van haar kind, plotseling erg ziek is geworden.
In het ziekenhuis viel eerst de verdenking op MS, maar het bleek het zeldzame Susac syndroom.
Een MRI scan wees uit dat er witte vlekken op de hersenen zitten.
Vandaag wist hij niet meer hoe de douche aan moest en dacht hij dat hij geboren was in 2008.
En dat wordt vermoedelijk niet meer beter, zeggen de artsen.

Ja.
Zo kan het dus ook.
Tel uw zegeningen.