zondag 30 mei 2010

But there's buffalo piss and it's all kind of wet

Ha. U denkt: een logje met zo’n miraculeuze* titel, dat belooft vast wat.
Niets is minder waar, helaas.
De hete adem van de teruglopende kijkcijfers dwingt me wat tekst te produceren, dat is alles: u krijgt slechts wat inspiratieloos geneuzel over wat me deze dagen bezighoudt in de letterlijke zin van het woord.

De afgelopen vijf dagen stonden in het teken van De Man Met Pijn. Beter bekend als De Man die dag en nacht beschermd moet worden tegen zijn drie kinderen, kinderen die na herhaaldelijk te zijn geïnstrueerd (‘voorzichtig met jullie vader: niet tegen hem aan botsen, vooral niet met een aanloop op het bed springen als hij erin ligt’) nógal kort van memorie blijken. Vooral Loïs, die lijkt het maar niet te kunnen onthouden.
Verder vergaderde ik deze week over het aankomende schoolfeest, legde ik de laatste hand aan het babyfotoboek van Loïs en keek ik naar de finale aflevering van Lost (een serie waarvan we niet één, ik herhaal: niet één aflevering gemist hebben. Okee, af en toe bijgestaan door de dvdrecorder, maar toch: een prestatie, die ik sinds Twin Peaks niet meer heb neergezet).

Ik moet trouwens heimelijk opbiechten dat ik na die laatste aflevering wat onrustig ben.
Ik zou wel wat nazorg kunnen gebruiken, zeg maar. Want was ik tijdens het kijken nog enorm enthousiast (ik zeg: Shannon en Sayid!) en riep ik meerdere keren dingen uit als: ‘Oh, dit is zo bevredigend! Dit is echt béter dan sex!’ (wat heel goed uitkomt momenteel), nu, een paar dagen later, begint het me toch allemaal 'wat te jeuken'. Niet alleen zal ik ze vreselijk missen, Kate, Sawyer, Jack, Hurley, maar ook moet ik toegeven dat ik het achteraf misschien toch niet allemaal helemaal ehm...snap. (O. Dus ze zijn nu allemaal dood? Maar hoe dan? Is dat vliegtuig dus ook weer neergestort? Maar Hurley en Ben dan? Hoe gingen die dan dood? En waarom wilde Ben niet mee de kerk in? Etc.)
Ja. Nouja. Als u geen idee hebt waar dit over gaat bent u nu afgehaakt natuurlijk.
Groot gelijk.

Gisteravond was ik op een feestje.
Een best apart feestje. Want buiten, met een kampvuur. Maar het regende. Dus iedereen werd zeiknat. Maar door de warmte van het vuur merkte je dat dan gek genoeg niet echt. Of het kwam door de wijn. Kan ook. Dat zou meteen verklaren waarom ik toch wel enigszins brak ben vandaag. Good old brakness. Die, ja, nee, me er dan weer niet van weerhield het huis op te ruimen! Ik stofzuigde. En dweilde. Ik zoog stof en dweel. En ik poetste zelfs de leuningen van de trap.
Jaja.
En morgen is het maandag en begint er weer een week met veel dingen en gedoe. Zo gaat Bo op schoolreis naar Duitsland (‘We gaan naar een ánder lánd!’), start Loïs met de halvedag-opvang en is er vrijdag ook nog een sportdag.
M.a.w. trusten.

*behalve voor Sanneke waarschijnlijk, die zal het wel meteen herkennen.


And the Buffaloes used to say: be proud of your name
The Buffaloes used to say: be what you are
The Buffaloes used to say: roam where you roam
The Buffaloes used to say: do what you do



dinsdag 25 mei 2010

Waarom ik op onze trouwdag de ring van mijn man in mijn broekzak draag

Vandaag, maar dan veertien jaar geleden, gaven Henk en ik elkaar het ja-woord. Of, om precies te zijn, het oui-woord, want we deden het in Frankrijk.
25 mei 1996: een prachtige dag, die veel minder lang geleden lijkt dan veertien jaar. Ja, time flies when you’re having fun hè.
(Een cliché dat omgekeerd overigens ook opgaat; ik las vanmorgen in de tv-gids dat 1996 tevens het jaar is waarin Nederland kennismaakte met Jan(tje) Smit en, zeg nou zelf, dat lijkt dan juist weer veel lánger geleden dan veertien jaar.)
Goed.
De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat wij nooit zo heel erg stilstaan bij onze trouwdag. Sterker nog, ik geloof dat het twee of drie keer is gebeurd dat we het jubileum in kwestie niet allebei spontaan vergaten. Maar vandaag, vandaag is bijzonder. Vandaag gaat de annalen in.

Mijn man. Mon marie. Draagt. Vandaag. Zijn trouwring. Niet.

Want die moest af, zeiden ze. In het ziekenhuis. Alwaar ik hem zojuist achterliet om geopereerd te worden aan een soort van gecompliceerde liesbreuk.
Ja.
In principe niets ernstigs hoor, maar wel nogal eh... klote.
Fijn hè schat, zo’n bloggende echtgenote.
Dat iedereen het meteen even weet.
Goed.
Hier liet ik het voorlopig maar bij.

Ik hou u op de hoogte.

zondag 23 mei 2010

And in the meantime, life passes you by

Ik was het eigenlijk een tijdje vergeten, maar door haar realiseerde ik het me weer: ik ben goed in het oplossen van raadsels.
Ook met de gemiddelde zaterdagkrantcryptogram, IQ testen en broodje-zeemeeuwverhalen* kan ik heel aardig uit de voeten. Gezegend met een verknipte geest creatief brein denk ik makkelijk ‘out of the box’. En ik ontrafel graag andermans hersenspinselen.

Ik ben overigens bedreven in meer dingen, hoor, zo kan ik bijvoorbeeld ook heel goed fileparkeren en pannenkoeken bakken en kan ik zonder mijn handen te gebruiken in de lotushouding gaan zitten.
Oh. U denkt nu toch niet dat ik mezelf hier een beetje de hemel zit in te prijzen? Want dat is niet de bedoeling; zo’n hoge dunk heb ik helemaal niet van mezelf. En ik mag dan misschien goed zijn in het maken van IQ-testen, al te slim ben ik niet. Als ik slim was geweest had ik nu wel een goeie baan gehad. Een carrière. En een rijke man.
Het pathetische hierbij is dat ik nog steeds denk dat dat allemaal nog wel kan.
Ik ben immers pas zeventien. Tijd genoeg nog om te beslissen wat ik wil worden, later, als ik later groot ben.
Naïef hè, mensen, maar het is echt zo. Dat denk ik. Tot op bepaalde momenten dan ineens de realiteit toeslaat. En met de realiteit de paniek. Volgend jaar word ik veertig! De helft van mijn leven is al voorbij! AAAH! En ik heb nog niets gedaan! AAAH! Nouja, wel iets natuurlijk, dat voortplanten, dat is gelukt, maar ik heb nog niets gedaan met mijn talenten!

Dus nu had ik het volgende bedacht. Fileparkeren en zonder handen in de lotushouding gaan zitten zijn natuurlijk talenten van niks, maar dat ik goed ben in het oplossen van raadsels, dat moet toch op de een of andere manier te gelde te maken zijn?
Het zou toch best zo kunnen zijn dat er een of ander fancy bedrijf is, wanhopig op zoek naar iemand als ik? Iemand die raadsels op kan lossen, snel, accuraat en zonder gezeik?
Ik zie dat dan als volgt voor me: zo’n bedrijf stuurt me van tijd tot tijd een vraagstuk en ik stuur de oplossing terug, met een vette rekening.
(Please retweet.)


* Een man koopt een broodje zeemeeuw op de kade in Scheveningen. Nadat hij een hap heeft genomen begint hij vreselijk hard te gillen, rent in paniek de straat op en werpt zich voor een bus.
Waarom?

woensdag 19 mei 2010

Een update en een bekentenis

Omdat ik besef dat u niet allemaal twittert, en wel allemaal heel graag wilt weten hoe het nu is met de vinger van Loïs, even een update.

Het gaat goed met de vinger van Loïs.
Dat is, hij is niet meer ontstoken.
Maar het nageltje gaat eraf.
Die zit nu nog maar met een klein stukje vast.
Vanmorgen op de fiets zei Loïs ineens: ‘Wat doet ie nou, nagel?’
En toen wist ik meteen hoe laat het was. Ieuw, dacht ik.
Ik keek en zag dat het nageltje recht omhoog stond. In een hoek van 90 graden met haar duim. Inderdaad een typisch gevalletje ‘Wat doet ie nou, nagel?’.
'Ieuw,' zei ik en bestelde bij de jongen van de Coffee Company (waar ik wat tijd moest doden alvorens bij het gemeentehuis een nieuw rijbewijs aan te vragen dat plotseling zomaar een half jaar verlopen was) een medium capuccino, een flesje perensap en een pleister.
Want, dat besefte ik heus wel, ik moest er waarschijnlijk iets mee (eraf trekken? (ieks, nee), bijknippen? (wellicht) maar voor nu eerst maar even vastplakken, dacht ik.
En veel verder dan die aanpak ben ik vandaag nog niet gekomen.
Morgen is er weer een dag.
En wat voor een dag!
De laatste dag voordat Loïs twee wordt (en de dag dus dat ik taarten moet bakken).
Én de laatste dag van de avondvierdaagse.
Ja, u hoort het goed.
Wij doen mee aan de avondvierdaagse.
We wandelen. ‘s Avonds.
Met de kinderen, in schoolverband.
In een lange, lange rij, met nog duizenden andere kinderen. En ouders.
Vijf kilometer, 4 dagen aaneen.
Suffer kan het bijna niet.
En wat nou, als ik zeg dat het actually leuk is?
Een beetje kletsen met jan en alleman en verder verstand op nul en lopen.
Het is zo lekker dat je gaat denken: dat zouden we eigenlijk elke avond moeten doen, zo’n wandeling. Goed voor de bloedsomloop. Enzo.

Ndág.


zondag 16 mei 2010

Wat nog erger is dan scouts die liedjes zingen? Scouts die dierengeluiden maken

Weer een logje over niets.
Want ik heb weer eens typisch niets te melden.
Helemaal niet nadat ik haar logje las.
Pff, dat loopt daar maar een beetje rond in Donesië.
En ik? Wat doe ik eigenlijk?
Niets.
Hoewel, gisteren fietste ik nog door Utrecht. Waar ik was voor een high tea met tekstvrijwilligers van de Bartfoundation.
Ik ging met de trein en nam - want dat leek me zo handig (hahaha) - de vouwfiets van Henk mee (nadat ik uiteraard uitvoerige in- en uitvouwinstructies had gekregen).

Ik fietste het station op, kocht een kaartje bij de automaat en wipte behendig de trein in. Met de fiets. Die ik vervolgens routineus dubbel vouwde.
Ziezo.
Maar. Waar. Moest ik het gevaarte (dat ingeklapt opeens veel meer plaats leek in te nemen, maar dit terzijde) nu neerzetten? Ik keek eens om mij heen, keek nog eens om mij heen en besloot - heel zelfredzaam - te bellen met mijn lieftallige echtgenoot. Ik fluisterde in de telefoon: ‘Ja nou heb ik die fiets dus in elkaar gevouwen enzo, maar ehm..hij staat best wel behoorlijk in de weg, zeg maar. Hij staat óf in de loop, óf voor de deur. Wat is beter? In de loop of voor de deur?’
‘Je bent toch wel op een speciaal fietsbalkon ingestapt?’ vroeg Henk.
‘Fietsbalkon?
‘Ja, bij sommige deuren staat een fietsje op de buitenkant van de trein, dat zijn de fietsbalkons.’
Hij zei er nog net niet 'duh' achteraan. Tssk. How was I supposed to know?
Dus. Fiets weer in elkaar, trein uit en rennen over het perron op zoek naar een fietsbalkon om de hele procedure te herhalen. Gelukkig was ik ruim op tijd van huis gegaan.
En toen was het tijd om eventjes twee uur te relaxen: boekje lezen en bubbles spelen op mijn ‘iphone’. (#durftevragen is er iemand die ooit het masterlevel heeft uitgespeeld? Ik heb het inmiddels 15864 keer geprobeerd en het is nog niet één keer gelukt. Ik ben serieus bang dat er op een dag een 'haha-gefopt'-berichtje verschijnt in mijn schermpje: You are such a loser! You played the same stupid game a million times!)
In Utrecht aangekomen sprong ik heel urban en wereldwijs met mijn fiets de trein uit. En liep vervolgens een kwartier met de fiets aan de hand door Hoog Catharijne omdat ik de uitgang van het station niet kon vinden. Gelukkig kan ik wel altijd erg om mezelf lachen op dat soort momenten. (Vanbinnen hè, dat u niet denkt dat ik 'gelijk ne zotteke' hardop om mezelf loop te lachen.)

Cut to the chase: de high tea was hartstikke leuk.
En niet in het minst omdat ik haar ontmoette.
Het is wat raar, iemand voor het eerst ontmoeten die je al kent. Of denkt te kennen, anyway. Een beetje. Maar ze is in het echt nét als op het plaatje. En we kletsten en blog-roddelden en rookten samen haar pakje sigaretten leeg.

En toen was het alweer tijd om naar het station te gaan.
Oh. Had ik al verteld dat het gisteren toevallig een soort van nationale scoutingdag was? Met een bijeenkomst in - jawel - Utrecht?
Mén! Nog nooit zag ik zoveel padvinders bij elkaar. Nog nooit zag ik zoveel groene en gele en zandkleurige omgeslagen overhemdmouwen en zakdoek-dasjes.
En weet u wat nog wel het leukste was? Al die padvinders, die moesten dus allemaal dezelfde trein in als waarin ik met mijn fiets ook....nouja, you get the picture.
Heel fijn was dat.
Pfff. Scouting.
Het meisje voor me in de trein vatte het eigenlijk heel mooi samen: ‘Weet je wat nog erger is dan scouts die samen liedjes zingen? Scouts die samen dierengeluiden maken.’
Zo is het maar net.

(Sorry, familie B uit H. No offence.)

donderdag 13 mei 2010

Over spijt, een vinger en een film die geen film is

Ik voel een warrig logje aankomen. Want ik heb een beetje een warrig hoofd. Met van die gedachten die allemaal door elkaar springen en op elkaar botsen. Ten eerste heb ik een beetje spijt van mijn laatste stukje, over dat kermisvuurwapen. Niet alleen heeft het volledig de aandacht weggenomen van mijn blije verhaal over peterselie, ook lijkt het nu net of Henk zo’n vader is die wellustig zijn zoon schietgerei laat uitzoeken en Merlijn een klein sadistje dat zijn zusje dreigt te vermoorden: ontstaan door een combinatie van hevige verontwaardiging en wat dichterlijke vrijheid mijnerzijds is dit, mensen, geenszins een goede weergave van de werkelijkheid. Dat u dat even weet.
Wat wel overeind blijft trouwens is mijn hekel aan de kermis. Het is een geldverslindende, lawaaierige, kleverige kwelling. Met stomme prijzen. Want dat was ik voor het gemak even vergeten te noemen: Henk’s verweer op mijn aanval. ‘Schat, er wás gewoon bijna niets anders; het joch had verder kunnen kiezen uit een plastic voetbal en een my little pony.’
(Overigens ligt het gewraakte item inmiddels al lang en breed in de ondergondse vuilcontainer: kapot. Jammer joh.)

Okee.Verder. Met iets waar ik iets mee moet, maar wat ik tegelijkertijd krampachtig probeer te negeren: de duim van Loïs.
Ik zal bij het begin beginnen. Afgelopen zaterdag, op het dakterras van het huisje op Sicilië, plette ik per ongeluk (o, ik ben zo’n leuke moeder hè, mij kun je er echt bij hebben) de duim van mijn dochtertje tussen de stangen van een tuinstoel.
Ze schreeuwde moord en brand en de nagel kleurde meteen dieprood, tot mijn grote schrik. Een tijdje later, nadat ze voorover op haar handjes was gevallen, begon het te bloeden en daarna –nah - was het ineens of er niets was gebeurd. De nagel en de vinger zagen er volkomen normaal uit. Ook leek Loïs geen pijn meer te hebben. Henk en ik keken elkaar verwonderd aan, gooiden het op ‘vette mazzel’ en ik vertelde mijn maag dat ie zich weer mocht ontspannen.
Klaar. Niet maar aan gedacht sindsdien.
Tot vanmorgen, toen mijn oog ineens op haar duimnageltje viel. 'Ieuw!' riep ik uit, 'ieuw-ieuw!' Die kleur. Grijs. Grauw. Doods. Bah. En verontrustender nog: rondom het nageltje is haar vinger dik en rood. WTF?
Dus nu loop ik al een paar uur te dubben of ik de weekend-doktersdienst zal bellen of dat ik zal wachten tot ik morgen naar onze eigen huisarts kan gaan. Ik heb zelfs overwogen om een bevriende huisarts te bellen voor goede raad – iets dat ik me had voorgenomen nooit te zullen doen. Ben gewoon ineens heel bang dat ze haar nagel eraf gaan trekken. Over ieuw gesproken.

Een blik op nu.nl doet me dan trouwens weer even beseffen hoe relatief alles is; mijn kind had ook moederziel alleen in een ziekenhuis in Tripoli kunnen liggen.
Pfff.
Ik moet al sinds gisteren denken aan een film die ik eens zag, met Jeff Bridges en Rosie Perez, beide overlevenden van een vliegramp en beide op hun eigen manier niet in staat door te leven. Hij omdat hij zich onsterfelijk waant, zij omdat haar kindje is omgekomen bij de crash – door haar schuld: ze had het beter vast moeten houden. (Dat had de stewardess haar gezegd toen het vliegtuig naar beneden dook: houdt u uw kindje maar gewoon goed vast, op schoot.)
En dan hoe hij haar uiteindelijk probeert te redden door haar met een pop in haar handen vast te binden achter in zijn auto en met 180 kilometer per uur tegen een bakstenen muur te rijden. Om haar zo duidelijk te maken dat ze bij het neerstorten nooit, nooit en te nimmer haar kindje vast had kunnen houden.
Prachtige film.
Fearless, zo heet ie.


Maar dit, wat momenteel gebeurt, is dus géén film. Hoewel het wel klinkt als een film, vindt u ook niet?
Een jongetje van negen, dat als enige een vliegtuigramp overleeft.
Waarom? Waarom hij?
Wat is dat voor lugubere streek?
Oh, wacht, het is een wonder!

dinsdag 11 mei 2010

World of Warcraft

Het is hommeles hier in huize Novy.
Nou is dat niet iets waarmee ik u normalerwijze zou lastigvallen, maar het discussiepunt (haha, eufemisme) in kwestie betreft een onderwerp waarover ik graag de mening wil peilen van met name het opvoedend deel van mijn lezers.

Het is kermis hier in Groningen. Meikermis.
Nou zijn er, om het kader even te schetsen, weinig dingen waar ik slechter tegen kan dan kermis (of het moet al Centerparcs zijn). Ik heb sinds een paar jaar dan ook een kermisverbod - ik verpest de sfeer slechts - dus als het kermis is gaat Henk alleen met de kinderen. Met Merlijn, moet ik tegenwoordig zeggen, want Bo mag ik inmiddels in mijn kamp scharen.

Vanmiddag gingen ze dus. Naar de kermis.
Waar Merlijn twee pistolen won.
Het ene exemplaar heeft van die pijltjes met zuignapjes die blijven plakken op het raam en nouja, met enige fantasie kan ik daar nog wel de lol van inzien, maar het andere ding stuit me dus vreselijk tegen de borst. Dat is zo’n vervaarlijk uitziend geval met geluidseffecten: FIRE! gevolgd door peloton-kabaal. Bovendien is het ding voorzien van een laserlampje, om het dood te schieten object goed in het vizier te krijgen.
Terwijl ik stond de koken had ik dus de hele tijd zo’n rood lampje op mijn borst en als het niet op mijn borst zat zat het wel op het voorhoofd van Loïs. En daar krijg ik het dus helemaal van hè.
Ik doe eigenlijk helemaal niet aan principes (principes verstarren slechts, je wordt er inflexibel van, je kunt beter ad hoc beslissen wat je ergens van vindt, blabla) maar hier is er dan toch één: Wapens zijn geen speelgoed, ook al zijn ze dan nep en van plastic.

Goed, zei ik tegen Merlijn, want ik wou ook weer geen spelbreker zijn, ‘je mag er binnen mee spelen, maar niet buiten. Punt uit.’ Ja, het gaat hier wel even om mijn imago. Als ik kinderen met pistolen zie spelen, dan heb ik meteen een beeld bij hun ouders. En, nouja, ik wil gewoon niet die moeder zijn die haar kinderen met wapens laat spelen.
Dus had ik niet allen ruzie met Henk, maar ook met Merlijn. ‘Ik mag ook nooit iets van jou!’ riep hij. En geef hem eens ongelijk. Weet hij veel.
Ben ik te streng? Ik weet natuurlijk best dat het een universeel ding is. Dat kinderen al van oudsher cowboytje en indiaantje spelen en pauwpauw roepend achter elkaar aan rennen, met duim en wijsvinger als pistool. Maar dat vind ik dan toch net weer anders.

Pff. Hoe meer ik erover nadacht, hoe bozer ik werd. Want twee jaar geleden, (vlak voor mijn kermisverbod) toen ik hoogzwanger was van Loïs, gebeurde hetzelfde. Henk liet Merlijn op de kermis een pistool uitkiezen. Waarop ik dus een enorme scène heb staan maken bij die ballenkraam. Hetgeen Henk blijkbaar even was vergeten. (Of misschien heeft hij het destijds op mijn hormonen gegooid?) Hoe dan ook, dat hij vandaag opnieuw met wapentuig thuiskwam, dat vind ik dus geen respect hè mensen, dat trek ik dus bar slecht.

Ik ben in staat om morgen een kat aan te schaffen.
Ja, als er met mijn wapen-allergie ook geen rekening wordt gehouden.


Edit: excuses zijn gemaakt, lucht is geklaard. Henk - pacifist in hart en nieren – ‘zag het probleem eigenlijk niet zo’. Nou, vooruit.
Wel jammer van die kat.

De smaak van verse peterselie

Waar ik blij van word, vraagt ze.
Nouja, van de geijkte dingen, u weet wel: de geur van pas gemaaid gras en vers gebakken brood, de glimlach van een kind, als eerste in het zwembad springen en de waterspiegel breken (niet meer gedaan sinds ik 10 was), op mijn rug liggen met een grasspriet tussen mijn tanden, op een festival waar ik de bas voel trillen in mijn buik.
Stations van grote steden, vliegvelden en zeehavens; reizen maakt me blij, niet alleen het aankomen op de plaats van bestemming maar vooral ook het onderweg zijn.
Mooie muziek, mooie films, mooie (begin)zinnen in boeken. Van die zinnen waaraan alles klopt: het ritme, de woorden en hun inhoud, dat je denkt: ja, jááh, zo is het, zo is het precies!

Bijzonder blij word ik ook van de smaak van verse peterselie. Verse rauwe peterselie, en dan de krulvariant. (Bij de platte is het effect minder.) Als ik het proef waait er een vlaag van puur geluk door me heen, als een herinnering die zo snel voorbijschiet dat ik hem niet kan grijpen. En nou moet u niet denken: als je dan zo gelukkig wordt van peterselie, eet dat dan de hele dag, want zo werkt het niet. Het is alleen die ene eerste aanraking met de smaak die zorgt voor de typische 'rush of happiness'. Als Henk aan het koken is met - toevallig - peterselie, stopt hij altijd wat in mijn mond. Dan staat hij ineens achter me, zegt: ‘ogen dicht’ en duwt een takje naar binnen. (Laatst voerde hij me op dezelfde wijze een stukje kip terwijl ik dacht dat het peterselie was, ik kan u zeggen: dat was een bijzonder verontrustende sensatie.)
Maar ik dwaal af.
Ik word blij van de zon. En van de zee. (Mijn diepste wens is een huis aan de zee in een warm land.)
En waar ik ook blij van word: Aan het eind van een warme zomerdag in een leuk jurkje naar een feest, ergens in een grote tuin, met parasols en witte wijn en oesters.
En dan dat eerste slokje.

zondag 9 mei 2010

Wat is het koud in Nederland

U weet, ik wek graag de indruk dat ik het leven even ‘doe’ met twee vingers in mijn neus. Maar de afgelopen periode viel het me niet licht. Eerlijk gezegd, ik vond het de laatste tijd nogal zwaar.
En het was voor Henk natuurlijk nog veel zwaarder, dus ik heb het er verder ook niet over, maar ik moest heel wat zeilen bij zetten om 'de toko hier draaiende te houden'. Wekenlang deed ik alles alleen en intussen werkte ik aan een monsterklus, een prestigeklus waarmee ik mezelf wilde bewijzen en dan waren er natuurlijk nog de zorgen en het verdriet en de regeldingen.
Bij tijd en wijle stond het huilen me nader dan het lachen, ik was snappy tegen de kinderen en keek met lede ogen toe hoe de was zich opstapelde en het vuil zich een weg baande naar boven. Ik was zo gespannen als een veer: als iemand boe tegen me had gezegd was ik hysterisch gaan gillen, denk ik.

Kortom, de vakantie was een welkome verademing.
Het was helemaal goed. Sicilië is geweldig!
De perfecte mix tussen natuur, cultuur en eh.. pasta.

Lollig: het vertrek had nog even wat voeten in aarde. Had ik van tevoren zo half en half verwacht dat het zakje Nutrilon-melkpoeder dat ik in een schoen had gestopt toestanden zou veroorzaken, de problemen bleken in een heel andere hoek te zitten: in Tickle-me-Ernie. Die Bo op de vrijmarkt had gekocht voor haar kleine zusje. Met zo’n verdachte batterij-unit in zijn rug, voor de kietelreacties (giechelen, schateren en trillen(?)), u weet wel.
De ‘lievelingsknuffel’ van Loïs werd meegenomen naar het kantoor van de föderale polizei, waar hij werd gefouilleerd en ge-x-rayed. Tot grote hilariteit van Bo en Merlijn, die door de kier van de deur toekeken.
Ja, je maakt wat mee, met kinderen op vakantie.
De eerste ochtend op Sicilië werd Loïs – tussen ons in – wakker, en riep enthousiast naar het plafond wijzend: 'Nijnies! Nijnies in de lucht!'
Waarop ik niet begrijpend naar boven staarde. (In het wazige niets: u moet weten ik zie geen steek zonder mijn lenzen). Nadat ik op zoek was gegaan naar mijn bril zag ik wat ze bedoelde. Verrék zeg: nijnies in de lucht! De spaarlampen in de kroonluchter. Kijkt u zelf maar: nijntjes.
Ik heb me de rest van de week moeten beheersen om niet met een zwarte stift oogjes en een kruisje op de lampjes te tekenen.

Maar dat het dus fantastisch was. Alles. We bezochten de 3000 jaar oude archeologische site Segesta met een tempel en amfitheater, we gingen met een gondel de berg op naar de stad Erice, er waren de meest prachtige uitzichten, we gingen naar Trapani en naar een Maffia-badplaats, we lazen, we sliepen, we zaten in de zon en zwommen in de zee: twee keer in de Middellandse en een keer in de Thyreense, we werden opgegeten door de muggen (mja), we aten vis, pasta, pizza, couscous, salade caprese, aardbeien die smaakten naar aardbeien uit een ver, ver verleden, we dronken vino bianco en vino rosato en vino rosso en limoncello en espresso en latte macchiato en, oja, ik leerde van de groenteboer een nieuw gebaartje. Met je wijsvinger in je wang boren, om aan te geven dat iets heul lekker is. Elke keer als ik bij de goenteboer was geweest had ik een beurse wang. Tot ik bedacht dat ik mijn nagels maar eens moest knippen het misschien niet zo hard hoefde.

Er was Mario ( de vader van Franc, red) die ons wegwijs maakte in het huisje en het dorp en die mijn moeder geloof ik wel zag zitten, of misschien was dit nou gewoon die Italiaanse hoffelijkheid, er was het restaurantje aan de kust, waar we de meest geweldige dingen kregen voorgezet, er was onze geweldige bus, de huur-Fiat Scudo,en er was een babyhagedis, net uit het ei gekropen, zo schattig: Zwelgje was er niets bij.



En toen was het ineens afgelopen. Vanmorgen.
Dapper riep ik: dág lief, mooi eiland, dag zee, dag zon, dag vruchtbomen, dág!
Maar eigenlijk was ik nog lang niet klaar.
Want een week is veel te kort.
Dus toen op het vliegveld ineens bleek dat die vulkaan weer bezig was (we hadden geen nieuws gevolgd) maakte mijn hart een sprongetje. O mén, mén, we konden niet weg, we moesten blijven, oh zoete overmacht!
Maar helaas: no such luck. De een na de andere vlucht werd geannuleerd, maar de onze ging. Gewoon.
Gelukkig,’ zuchte de hele rij voor de incheckbalie. Want dat was maar een hoop gedoe, want dan moest je je vlucht proberen om te boeken, en dan moest je elke dag naar het vliegveld om te kijken of er al werd gevlogen en later moest je dan maar weer je geld zien terug te krijgen.
Hmpf. Nouja, daar troostte ik me dan maar mee.

En om met Harm Edens te spreken, gelukkig hebben we de foto’s nog.