Doorgaan naar hoofdcontent

Ze

Ik ben niet opgevoed met het idee dat er een God is.
Wel ben ik groot geworden in de overtuiging van het bestaan van Ze.
U weet wel: Ze.
Van: Ze zullen wel weten wat Ze doen.

Als de nood aan de man kwam, dan zouden Ze er wel voor zorgen dat het weer goed kwam.
Ze zouden ons beschermen.
Als ik ziek zou worden of een ongeluk kreeg, zouden Ze me naar het ziekenhuis brengen en daar zouden Ze me weer beter maken.
Ze hadden het beste met ons voor. Je kon van Ze op aan.
En Ze zouden heus niet liegen.
Als Ze zeiden, in de televisiereclame, dat een theelepeltje Dreft genoeg was voor de hele vaat, dan was dat zo.
Er zouden ook heus geen spullen te koop zijn in de supermarkt die ongezond voor je waren; dat zouden Ze niet toestaan. (Zo ongezond zou alcohol dus ook wel niet zijn: dan zouden Ze het toch niet maken? Duh.)

Wie Ze precies waren, dat heb ik me eigenlijk nooit zo duidelijk afgevraagd.
Ze waren gewoon Ze.
Bedoelde ik met 'Ze' de mensen van de politie en de brandweer, de dokters, de politici? Ja…misschien. Maar meer dan dat. Groter: een verstandige en barmhartige entiteit die zich om ons bekommert.


Maar ik ben er al een tijd achter, hoor.
De één noemt het een bewustwordingsproces, ik noem het de Grootste Desillusie van het Leven.

Ze bestaan niet.
Er is alleen we.
En we zijn aan ons lot overgeleverd.

Zoals dat gaat met geloof en overtuiging: het is moeilijk om er helemaal los van te komen, ook al weet je dan wel beter.
Het blijft verleidelijk om terug te vallen.
Mijn moeder, die zich al heel lang geleden faliekant tegen het geloof heeft gekeerd, is toch stiekem bang dat de vreselijke buikpijn waaraan ze lijdt een straf van God is.
En zo betrapte ik mezelf vorige week op gedachten als: 'Ze gaan heus niet door met die gasboringen in Groningen als er daardoor erge aardbevingen komen.’

Haha. Dommie.

Ze bestaan niet.
Of misschien, om vrij met Nietzsche te spreken: Ze zijn dood.
Er is alleen geld.
(En liefde, gelukkig.)