Doorgaan naar hoofdcontent

Uit de krochten van mijn ziel harde schijf

Zij trakteert ons momenteel op een spannend vervolgverhaal. Wat voor mij aanleiding was om weer eens door mijn map ‘Documenten’ te gaan snuisteren, in de hoop er een vergeten literair meesterwerk aan te treffen.
Terwijl ik dus wat
ronddwaalde daar, in de krochten van mijn harde schijf, kwam ik een document tegen met de illustere naam: beginzinnen. Een document dat - de titel deed het al zo’n beetje vermoeden - bleek te bestaan uit honderden begin-zinnen.
Zoals:

Er staan verbazend veel witte auto’s in de straat geparkeerd vanmorgen, maar dat betekent waarschijnlijk niets;
De tuin is diep en wekt een armoedige indruk;
Met opengesperde ogen staart hij in de duisternis, alsof hij wacht op iets dat plotseling aan hem zal verschijnen;
Haar jurk is te opvallend voor de gelegenheid, maar dit besef komt te laat;
Zou het raar zijn als ze haar jas aanhield?;
Ze heeft een doosje in haar handen;
Hij schopt zijn schoenen uit en maakt zijn broekriem los;
Hij was niet iemand die op details lette;
De regen hing als fijne vitrage tussen hen;
De laatste trein is weg.


Voor de duidelijkheid, het zijn dus allemaal losse zinnen hè. U mag ze natuurlijk ook best - bij wijze van experimenteel proza - achter elkaar lezen, maar dan graag op eigen conto. (Hee, dat ga ik zelf ook nog eens doen, met al die honderden zinnen. Wie weet. )
Maar enniewee dus. Als u ooit van plan bent een boek te schrijven en u heeft problemen met de eerste zin, klop maar bij me aan en u mag er eentje uitzoeken. Gratis.

Wat ik óók nog vond, was een nogal opmerkelijk verhaal 'in briefvorm'. Waarvan ik me nog slechts vaag kan herinneren het ooit geschreven te hebben.

Juan-les-Pins, 18-10-1999

Ik had het je moeten zeggen, Rosa, toen je die ochtend klein en krachteloos in mijn armen lag, je gezicht met de nog niet gedroogde tranen tegen mijn borst, je ogen half gesloten.
Je was zo kwetsbaar, je huid zo wit in het vale licht dat ik dacht dat het zou verbranden onder de eerste zonnestraal.
Ik had je meteen alles moeten vertellen.
Pleit het in mijn voordeel als ik zeg dat ik, vanaf het moment dat we voor het eerst tegenover elkaar stonden - ik halfslapend in de deuropening, jij verward, je haren tegen je bezwete voorhoofd geplakt - voor lange tijd niet helder heb kunnen denken?
‘Ik ben Rosa,’ zei je en nog dagelijks houdt het me bezig dat ik niet heviger schrok van je verschijning.
Ik heb het destijds geweten aan de wodka en de slaapdronken staat waarin ik verkeerde, tegenwoordig neig ik ertoe te geloven dat ik wist dat je zou komen, klinkt dat gek?
Wonderen bestaan pas achteraf, als, terugkijkend, de ideeën die je in alle redelijkheid had over toeval geen steek meer houden.
Het is veel te laat, maar ik moet het je vertellen, allemaal, ik hoop dat je me laat uitspreken. (Ook al weet ik niet eens waar je bent, ik acht je tot alles in staat.)
Sommige gebeurtenissen zijn dermate ingrijpend dat ze de rest van iemands leven gaan bepalen. Zo’n gebeurtenis was jij, waren jullie, voor mij.
Luister naar me. Alsjeblieft.

Ik ontmoette haar op Amsterdam centraal. Ik hing er vaak rond. Je weet, ik hou van grote stations, waar het universum van haast en aktetassen raakt aan dat van de rugzakken en alle-tijd-van-de-wereld, waar je je kunt verliezen in de anonimiteit van bestemming en reisdoel, van weerzien en afscheid en kortstondige ontmoetingen.
Ze liep tegen me op, haar walkman viel op de grond en we raakten aan de praat. Ze stelde zich voor als Teresa en zei dat ze woonruimte zocht en snakte naar een sigaret.
Ik verschafte haar beide; ze was zonder twijfel het mooiste meisje dat ik ooit gezien had.
Ik woonde destijds antikraak in een enorm kantoorpand. Aan de Prinsengracht, notabene. Vanuit de grote ramen aan de voorkant keek ik uit op de Westertoren.
Dezelfde avond nog heb ik haar geschilderd.
Jij hebt het schilderij nooit gezien, het bestond al niet meer. Ik heb het vernietigd, toen ik nog dacht te kunnen vergeten als niets me maar zou herinneren.

Mijn God, Rosa, jullie leken zoveel op elkaar.
Het is niet verwonderlijk dat ik jullie vanaf onze eerste nacht door elkaar ben gaan halen.
Jullie bewogen op dezelfde manier. Als je schrijlings over me heen zat, je rug en billen naar me toe gekeerd, zoals jullie het allebei het fijnst vonden, bevond ik me in een langgerekt déjà-vu.
Net als Teresa huilde jij ook altijd na afloop. Zo gauw het schokken in je onderlichaam ophield, begon het in je schouders en stroomden de tranen over je wangen.
Ik moest er geen aandacht aan besteden, had Teresa gezegd, toen ik de eerste keer –onzeker- vroeg of het niet goed was geweest?
Het was gewoon de ontlading, zei ze. Het was dat ene moment van ondraaglijke leegte na volkomen extase, het was een fysiologische reactie van haar lichaam, het was niets.

Ik denk dat het verdriet vlak onder de huid zat.

Het is onbegrijpelijk hoe ik het voor je heb kunnen verzwijgen, maar ik wist van het verhaal over je Spaanse moeder. Die op een ochtend aan de broodrooster kleefde en stierf - sidderend in een plas gemorste koffie – en jullie, negen jaar oud, achterliet bij de stiefvader en zijn familie in het kille Nederland.
En dan was er natuurlijk nog jouw andere pijn; het gemis dat ik maar al te goed kende.
Eén keer heb je er iets over gezegd. Denk ik. Ik lag naar je te kijken in de veronderstelling dat je sliep, toen je opeens je ogen opensloeg en zei: ‘Ooit waren we samen.’
Ik heb je tegen me aan getrokken, weet je nog, en ik heb je haar gestreeld, terwijl ik het bloed tegen mijn slapen voelde bonzen.
Je moet het vreemd hebben gevonden dat ik niet vroeg wat je bedoelde. Of niet, Rosa?

Jullie waren werkelijk in alles hetzelfde.
Ook jij bleef op de kop af dertien maanden.
Ik was aan het werk in de loods en opeens was het of iets, een kracht buiten mezelf, me naar huis dwong.
Alsof ik het voelde.
Ik ben in de Dodge gesprongen en met een werkelijk idiote snelheid over de bosweg naar huis gereden. De hond van de zagerij rende agressiever dan ooit met de pick-up mee, ik zag zijn tanden blikkeren, bijna had hij mijn arm te pakken (je had gelijk, het was een rotbeest).
Ik kwam te laat, je was weg.
En ik wist waarom.
In de hoek bij de trap lag de doos die ik niet had vernietigd of minstens zo goed verborgen dat je hem niet had kunnen vinden (elke misdadiger wil, diep in zijn hart, betrapt worden, een andere reden kan ik niet bedenken), de inhoud verspreid over de grond.
Vanaf de plankenvloer keek Teresa me aan met jouw gezicht.

Ik ben je niet gaan zoeken.
Misschien was ik laf, misschien was ik zozeer aan de eindigheid gewend dat ik erin berustte, misschien vond ik dat ik het had verdiend.

Tweemaal in mijn leven heb ik zo’n helder moment gekend. Een helderheid als op de dag dat je voor het eerst naar buiten gaat met een bril op de juiste sterkte en constateert dat er blaadjes aan de bomen zitten en dat muren bestaan uit afzonderlijke bakstenen met cement ertussen. En juist omdat je dat ergens al wist, slaat het je zo ongenadig hard om de oren.

Met grote hoeveelheden wodka heb ik geprobeerd de helderheid te vertroebelen. Ik dronk van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat, achter gesloten gordijnen. Twaalf dagen, waarin er niemand aan de deur is geweest.
Daarna raapte ik mezelf en mijn bezittingen bijeen en ben, wederom, de plaats des onheils ontvlucht. Ik heb de bergen van Canada verruild voor de Middellandse kust van Frankrijk.
Ik bewoon een kleine etage in een zijstraatje van de boulevard en ik schilder weer. Landschappen tegenwoordig, die weinig opbrengen.

Waaróm kwam je naar mij, Rosa?
Wat dreef je naar mijn huis, was het Teresa die jou naar me leidde? Is het iets wat besloten ligt in de macht van de tweelingziel met al haar geheimzinnigheden, iets dat ik nooit zal kunnen begrijpen, omdat jij het niet eens begrijpt?
(Waarom is er toch zoveel dat we niet begrijpen, Rosa? Ik vind het wreed, ja sadistisch zelfs, dat wij een intelligentie bezitten die ons allerlei zaken doet afvragen, en ons tegelijkertijd laat beseffen dat we de antwoorden nooit zullen vinden, heb jij dat ook?)
Het móét Teresa zijn geweest die jou naar me leidde! Hoe kan het anders?
Het was een warme, broeierige nacht en een zware slaap vol dromen hield mijn ledematen in een verlammende greep, toen je aan mijn deur klopte.
‘Ik ben Rosa,’ zei je. En ik wist het.
Het was zeven jaar later en je was, net als ik, geen dag ouder geworden.
Het was een volkomen bizarre ontmoeting: ik had jou nooit gezien maar kende je door en door en jij had mij gevonden zonder te weten dat je me zocht.

Ik liet je binnen en zei niets.
Ik zou je een verklaring willen geven voor mijn stilzwijgen.
Maar Rosa, elk verhaal heeft ontelbare kanten en waarheid gaat alleen op voor gebeurtenissen en handelingen. Motieven moeten het doen met eerlijkheid en eerlijkheid is gebonden aan het moment. Zo heb ik me eerst een tijd voorgehouden dat ik mijn mond hield om je te beschermen, maar dat is raar, achteraf. Teresa had me immers al geleerd dat zoiets onmogelijk is!
Meer voor de hand ligt het dat ik mezelf beschermde: de gedachte dat je me zou haten en bij me weggaan was onverdraaglijk.
Maar wellicht, en dat is de meest logische verklaring, verkoos ik te leven in de droom die ik zeven jaar had gekoesterd, de droom dat ze ooit weer in levende lijve voor me zou staan, dat het niet gebeurd was.
Ik had haar teruggevonden. Teresa leefde voort in jou.
En ik had nergens schuld aan.

Je maakte het me zo makkelijk!
Zoveel als Teresa over jou praatte zo hardnekkig zweeg jij over haar.
Op een bepaald moment ben ik gaan geloven dat er geen Teresa was geweest.
Het was altijd al jij, jij en ik.
Een leugen waarmee ik Teresa tekort heb gedaan.
En mezelf, want wat ik het meest van alles nodig had, was jouw vergeving.
Maar ik was ijdel en dacht dat ik kon volstaan met van je houden.

Waarom heeft het leven zo’n grap met mij uitgehaald?
Waarom moest ik in vredesnaam de verbindende rol vertolken tussen twee identieke zusjes?
Wat moet ik aan met de begrippen toeval en betekenis, met verantwoordelijkheid en schuld?
Iemand heeft ooit eens tegen me gezegd dat toeval niet kan bestaan, omdat het de eenheid van oorzaak en gevolg ontkent.
Ik begreep dat niet.
Ik heb dagen met het zinnetje in mijn hoofd rondgelopen en toen ik eindelijk een glimp opving van wat het betekende, kon ik niet besluiten wat ik er van vond.
Het idee was bevrijdend en beknottend tegelijkertijd.
Met toeval geen schuld.
Maar ik ben niet onschuldig, Rosa.
Ik heb het laatste jaar van haar leven met haar gedeeld.
Ik was degene die het zover heeft laten komen. Ik was het die met haar wedijverde, haar uitdaagde telkens een stapje verder te gaan. Met de buitenwereld als denkbeeldig publiek speelden we onze liefde als een film. Een film met een onvermijdelijke slechte afloop, die iedereen ziet aankomen behalve de hoofdpersonen. Die zien het pas achteraf, als ze hardhandig uit de droom geholpen zijn en de werkelijkheid voor het eerst sinds lange tijd in alle scherpte tot hen doordringt.

Ik was het die haar vond, op mijn achtentwintigste verjaardag, toen ik thuiskwam met moorkoppen van de Hema en haar lichaam nog warm was.
Het was de ultieme verrassing.
Hier kon ik nooit meer tegenop.
Ze had gewonnen.
Ik stond op de drempel met die witte doos in mijn handen en het was daar en dan dat ik besloot de rest van mijn leven achtentwintig te blijven.
Het was het enige dat ik nog kon verzinnen.

Men zegt dat na zeven jaar iedere cel in een lichaam zich heeft vernieuwd. Dat is een mooie gedachte, vind je niet?
Zeven jaar na het drama dat mijn leven van haar beloften beroofde, kwam jij.
In het holst van de nacht reed je van Prince George naar Edmonton, je auto liet het afweten en je liep naar het enige huis in de wijde omtrek.

Het moet even hebben geduurd voor ik opendeed.

Reacties

sanneke zei…
Wat een traktatie tijdens de pauze op school! Dank je voor het verhaal.
Nicoleke zei…
Heerlijk!
Net als Sanneke, lees ik dit tijdens mijn lunchpauze.
Tussen de cherrie tomaatjes en het broodje kaas dit heerlijke log.
esther zei…
Waar haalt een mens het vandaan!
Susy zei…
Kvinnut mooi!

en kom er net dus achter
dat ik met mijn fictieve conceptshit nogal achter
de feiten aanloop.

oh well.

Het leven is niet altijd voorspelbaar, Rosa!
Caroline zei…
en dan vraag ik me af; is er meer van waar dat vandaan kwam? Mooi. Heel mooi.
NOVY zei…
@Sanneke: graag gedaan haha.
@Nicoleke: cool, het is dus een lunchverhaal!
@Esther: Nouja, uit die krochten dus hè. Ik moet trouwens de hele tijd aan Nelleke denken.
@Susy: dankjewel! Kvin jou verhaal ook mooi.
@Caroline: Geen idee. Ik denk het niet. Maar wie weet?
Geert zei…
en vanaf nu is het ook een "vroege ochtend" verhaal. Mooi geschreven en nu ga ik denk ik nog maar even naar bed.........
Door zei…
Wat een mooi verhaal, Novy! Mooie zinnen en woordkeus. Moet je vaker doen!!
Toet zei…
Zo mooi als jouw verhaal is het mijne niet, maar ik heb mijn kunchpauze gebruikt om al "jouw" zinnen tot één verhaal te schrijven. Hoop dat dat mocht? :)
Anoniem zei…
your site is loading fast

Populaire posts van deze blog

Nog 33 dagen tot Hawaii/Hawaï

Ik vrees dat ik u de komende maand dood ga gooien met geleuter over Hawaii. Nog even en u denkt: mens, ben je nou nog niet weg? Het spijt me. Maar aangezien ik ter plaatse nogal verstoken zal zijn van wifi, heeft u straks lekker drie weken rust. (Ik weet het trouwens wel, hoor. Dat in het Nederlands Hawaii eigenlijk zo moet worden geschreven: Hawaï. Niet met dubbel i, maar met één i, met stipjes. Vind ik ook eigenlijk mooier. Maar om een wat duistere reden heb ik op een bepaald moment gekozen voor de Amerikaanse schrijfwijze en nu hou ik daar maar zo'n beetje aan vast. Als u het erg vervelend vindt, dan mag u best  telkens als u Hawaii leest, dit in gedachten vervangen door Hawaï.) Maar wat ik dus wou zeggen: op de gangbare wereldkaart lijkt Hawaii al best heel spannend en ver weg enzo, maar gisteren stuitte ik op een wereldkaart waarbij de globe op een andere manier is losgeknipt, oftewel de zogenaamde Pacific-centered wereldkaart: Oeh. Das écht wel midden in de zee....

Het leven is een gedoetje and then you die

Ik denk de laatste tijd aan niemand zoveel als aan wijlen onze Dichter des Vaderlands  René Gude . Dat komt omdat ik het leven momenteel weer eens nógal een gedoetje vind. Ik heb het woord overigens niet van René Gude geleerd, ik gebruik het al heel lang, maar tegenwoordig moet ik daarbij dus altijd aan hem denken; hij heeft het woord bestaansrecht en verdieping gegeven. Het zou bijna tragisch kunnen zijn, als het niet zo fantastisch was! Ik bedoel: dat een filosoof, iemand de een groot deel van zijn leven heeft gewijd aan het bestuderen van de grote vragen des levens, uiteindelijk herinnerd gaat worden als de filosoof die zei dat 'het leven een gedoetje is'. Geniaal. Want dat is het namelijk gewoon! Uitgekleed en ontdaan van alle ‘bedoeling’ en opsmuk is het leven niet meer dan een gedoetje. Je zou zelfs rustig kunnen zeggen: een gedoe. Maar dat doen we niet, als we beschaafde mensen zijn, we zeggen: gedoetje. Niet om het te bagatellisere...

Stuk

Ik blogde voor het laatst op 17 juni : de dag voor ik 45 werd. Nog een dag eerder was mijn leven ingestort, maar ik was nog in de ontkenning. Dus ik schreef maar gewoon een stukje, over de publieke waan van de dag. Het was de laatste stuiptrekking, voorlopig. Want mijn leven was ingestort, en al snel was daar geen ontkennen meer aan. Mijn man, mijn echtgenoot, de vader van mijn kinderen, was vertrokken. Weggegaan en niet teruggekomen. (Het verwarrende was dat hij intussen op zijn beurt beweerde dat ik hem het huis uit had gezet. Wat me geen goed teken leek; als je het daarover al niet eens bent, dan kon het nog wel eens een zware dobber worden.) Nou moet ik toegeven dat ik inderdaad de woorden ‘ik wil je niet meer zien’ had uitgesproken, maar dat leek me eerlijk gezegd geen reden waarom hij de volgende dag niet op de stoep had kunnen staan met een bos rozen en excuses. (De woorden ‘ik wil je niet meer zien,’ zegt men doorgaans niet zomaar, immers.) M...